blz. 1  

Kamerstukken II 1991-1992, 22 545

Herinrichting van de Algemene Bijstandswet (Algemene bijstandswet)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
1.1 Algemeen
1.2 Adviezen
2 Een korte terugblik
3 De uitgangspunten van de ABW
4 De doelstellingen van de herinrichting
4.1 Algemeen
4.2 Voorwaarden voor een effectiever functioneren van de Abw
4.3 Bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening
4.4 De verfijning van de bijstand in het individuele geval
4.5 Complementariteit en afstemming op andere voorzieningen
5 Hoofdlijnen
5.1 De indeling van de wet
5.2 Het recht op bijstand
5.3 De vorm van bijstand
5.4 De hoogte van de bijstand
5.5 Het geldend maken van het recht op bijstand
5.6 Betaling, terugvordering en verhaal
5.7 Aan de bijstand verbonden verplichtingen
5.8 Uitvoering en toezicht
5.9 Financiering
5.10 Rechtsbescherming
6 Financiële gevolgen
7 Enkele bijzondere aspecten
7.1 Internationale aspecten
7.2 Gevolgen voor vrouwen
7.3 Informatievoorziening
7.4 Dereguleringsaspecten
7.5 Overgangsbepalingen en wijziging van andere regelingen
xArtikelsgewijs
xxxxr Artikelen 1 t/m 154
 

 blz. 3  

 

Algemeen

 

1. Inleiding


1.1. Algemeen

 
     Velen in Nederland zijn aangewezen op de Algemene Bijstandswet (ABW) als laatste mogelijkheid om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De maatschappelijke betekenis van de ABW is, vanaf de invoering in 1965, eerder toe- dan afgenomen. In de sindsdien verstreken tijd heeft de wet de invloed ondergaan van ontwikkelingen die zich in de samenleving hebben voorgedaan. Hieruit resulteerden diverse aanpassingen van de regelgeving, terwijl bovendien geleidelijk een uitbreiding van het aantal wettelijke en nadere regels plaatsvond. Met name de aan het begin van de jaren zeventig ingeslagen weg naar een landelijke normering van de bijstandverlening leidde tot een toename van de nadere regelgeving die op de ABW is gebaseerd. In verhouding tot de wet is het gewicht van de nadere regelgeving aanmerkelijk vergroot. Als gevolg hiervan zijn de rechten en plichten in het kader van de bijstand over diverse regelingen verspreid geraakt en is de samenhang in de regelgeving momenteel minder sterk dan wenselijk is.

     De geschetste ontwikkeling ging ermee gepaard dat de gemeenten bij de uitvoering van de ABW, in sterkere mate dan aanvankelijk het geval was, werden gebonden aan centrale voorschriften. Voor deze benadrukking van de centrale verantwoordelijkheid is destijds bij de zogenoemde structurele wijziging van de ABW in 1972 doelbewust gekozen. Deze keuze was ingegeven door de aanzienlijke verschillen in de bijstandverlening die zich in de voorafgaande periode tussen gemeenten onderling bleken voor te doen. Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid werd die omstandigheid ongewenst geacht. Een landelijke normering van de bijstandverlening werd tot stand gebracht, zowel op het vlak van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan alsook van de bijzondere bestaanskosten. Gaandeweg is dit normenstelsel verder uitgebouwd en verfijnd.
     De laatste tijd is herhaaldelijk de vraag aan de orde gesteld of de huidige dichtheid van de regelgeving niet te veel afbreuk doet aan de verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders voor de uitvoering van de ABW in medebewind. Is met andere woorden het evenwicht in de verdeling van verantwoordelijkheden voor de bijstandverlening tussen de centrale en de lokale overheid thans nog wel optimaal of is de balans mogelijk te veel doorgeslagen in de richting van de centrale overheid?
     Deze vraagstelling heeft aan actualiteit gewonnen enerzijds doordat in de strijd tegen de langdurige werkloosheid het inzicht is gegroeid dat alleen door inspanningen op decentraal niveau via een directe benadering van het individu weer perspectief kan worden geboden aan degenen die op eigen kracht weinig kans maken op een zelfstandig bestaan. Anderzijds is er het inzicht dat in het kader van een beleid dat is gericht op het voorkomen en wegwerken van maatschappelijke achterstanden groot gewicht moet worden toegekend aan de afstemming van te verlenen bijstand op de feitelijke behoefte in het individuele geval, zodat financiële hulpverlening een kwestie van maatwerk wordt.
     Hier treedt de samenhang naar voren met het beleid gericht op sociale vernieuwing. Centraal in dit beleid staat de gedachte dat gebundelde inspanningen, met name op lokaal en regionaal niveau, noodzakelijk zijn om maatschappelijke achterstanden weg te werken. Deze inspanningen zullen in het bijstandsbeleid moeten doorwerken; zij zullen moeten worden gericht op terugdringing van het verschijnsel van langdurige  blz. 4  bijstandsafhankelijkheid door inhoud te geven aan een activerend beleid. Een nieuw evenwicht tussen rechten en plichten staat hierbij voor ogen. Daartoe zal het optreden van de overheid, zeker in het kader van de bijstandverlening, niet alleen beschermend, doch tevens activerend van aard dienen te zijn. Vooral in de lokale praktijk bij de uitvoering van de ABW zal het nieuwe evenwicht gestalte dienen te krijgen.
     Dit wordt slechts mogelijk geacht indien tevens een nieuw evenwicht wordt gevonden tussen de algemene regelgeving op landelijk niveau en de toespitsing van de bijstand op de individuele burger in nood door de lokale overheid. Immers, voor het doeltreffend functioneren van de bijstandswet, zowel bij de bevordering van de zelfstandige voorziening in het bestaan als bij het op adequate wijze verstrekken van financiële hulp, is het een vereiste dat op lokaal niveau voldoende beleidsruimte aanwezig is. Een te veel aan centrale voorschriften leidt tot inkrimping van de gemeentelijke beleidsruimte en ontmoedigt het lokale bestuur bij de ontwikkeling van een actief gemeentelijk beleid gericht op het optimaal functioneren van de ABW.
     De huidige omvang en detaillering van de regelgeving, alsmede de noodzaak de effectiviteit in het functioneren van de ABW te vergroten, geven aanleiding voor een vermindering van het aantal centrale voorschriften, onder gelijktijdige versterking van de verantwoordelijkheid die gemeenten voor het bijstandsbeleid dragen en uitbreiding van de beleidsmarge waarover zij in dat kader beschikken. Daarbij gaat het, naast de bevoegdheid van burgemeester en wethouders om van wettelijke bepalingen af te wijken indien de omstandigheden in een individueel geval zulks noodzakelijk maken, met name ook om het bewust aan het oordeel van burgemeester en wethouders overlaten van bepaalde beslissingen. Op sommige onderdelen verdient het de voorkeur dat de wet geen voorschriften geeft, doch aan burgemeester en wethouders opdraagt te oordelen en te handelen al naargelang de feitelijke omstandigheden in het concrete geval. Verder vragen bepaalde aspecten om een eigen beleidsinvulling door de gemeente, waarbij afstemming plaatsvindt op lokale en regionale omstandigheden.

     Gegeven deze situatie wordt thans een algehele herinrichting van de regelgeving aangaande de bijstand voorgesteld, leidend tot een vereenvoudigd samenstel van regels met een heldere structuur. Het uitgangspunt dat ter waarborging van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid een landelijke normering van de bijstandverlening niet kan worden gemist, wordt hierbij niet verlaten. Wel is, waar dit wenselijk en mogelijk werd geacht, meer nadruk gegeven aan de afstemming van de bijstand op de omstandigheden en mogelijkheden van personen en gezinnen. In de voorgestelde regelgeving wordt niet volstaan met het bieden van de benodigde ruimte daartoe aan de gemeenten, doch is tevens sprake van een uitdrukkelijke opdracht aan burgemeester en wethouders om voor deze afstemming

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.