Geschiedenis van dit besluit:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-09-2017 ¹   Nieuwe regeling Stb. 2016, 292 Stb. 2017, 174
12-06-2017 ¹*   Nieuwe regeling Stb. 2016, 292 Stb. 2017, 174
01-03-2017 ²   Nieuwe regeling Stb. 2016, 292 Stb. 2017, 16

1. Ingevolge artikel II, onderdeel 4, van het Besluit van 24 april 2017, Stb. 2017, 174, treedt het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht in werking met ingang van 1 september 2017 voor zover het betreft vorderingsprocedures bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland, waarin partijen niet in persoon kunnen procederen en met uitzondering van procedures die worden ingesteld op grond van de artikelen 254, 438, tweede tot en met vijfde lid, 486, eerste lid, 613, 642q en 771 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 27 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 122 van de Faillissementswet en de Onteigeningswet, red.
1*. Ingevolge artikel IV, onderdeel 2, van het Besluit van 24 april 2017, Stb. 2017, 174, treedt het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht voor het beroep in eerste aanleg bij de rechtbank in werking met ingang van 12 juni 2017 voor zover het betreft zaken als bedoeld in de artikelen 79, 93, 94 en 96 van de Vreemdelingenwet 2000 en zaken waarin beroep is ingesteld tegen besluiten als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, red.
2. Ingevolge artikel II, onderdeel 4, van het Besluit van 25 januari 2017, Stb. 2017, 16, treedt het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht uitsluitend voor zover het betreft vorderingsprocedures bij de Hoge Raad in werking met ingang van 1 maart 2017, red.

 

 

BESLUIT van 13 juli 2016, houdende regels betreffende de digitale rechtsgang in het burgerlijk en bestuursrecht (Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht)

 

     WIJ WILLEM-ALEXANDER, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 september 2015, nr. 680800;
     Gelet op de artikelen 30c, derde lid, 30f en 30n, achtste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de artikelen 8:36b, tweede lid, 8:36d, tweede lid, en 8:36f van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 24, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens;
     De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 2016, nr. W03.15.0303/II);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 12 juli 2016, nr. 780952;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1.
In dit besluit worden onder rechterlijke instanties verstaan:
a. de gerechten zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie;
b. de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
c. het College van Beroep voor het bedrijfsleven;
d. de Centrale Raad van Beroep.

 

Art. 2.
-1. De rechterlijke instanties stellen een digitaal systeem voor gegevensverwerking ter beschikking. Dit systeem voldoet aan de volgende eisen:
a. de gebruiker van het systeem wordt geïdentificeerd;
b. na te gaan is wie wordt beschouwd als verzender van een bericht;
c. na te gaan is of een bericht is gewijzigd na het moment van verzending;
d. na te gaan is op welk tijdstip een bericht is ontvangen respectievelijk ter beschikking is gesteld in het systeem;
e. na te gaan is wanneer zich een storing in het systeem voordoet en heeft voorgedaan; en
f. de stukken in het digitale dossier zijn in het systeem uitsluitend toegankelijk voor personen die daarvoor zijn geautoriseerd.
-2. Het digitale systeem, genoemd in het eerste lid, is ingericht volgens nationale en internationale standaarden voor informatiebeveiliging. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald aan welke standaarden dit digitale systeem in ieder geval voldoet.

 

Art. 3.
Authenticatie om toegang te krijgen tot een digitaal systeem voor gegevensverwerking van de rechterlijke instanties vindt plaats met een middel dat voldoet aan de volgende eisen:
a. het is uitgegeven door de overheid of een onder toezicht van de overheid staande organisatie;
b. het gaat uit van een tweefactorauthenticatie; en
c. het is aangewezen door de rechterlijke instanties.

 

Art. 4.
-1. Degene die een gerechtelijke procedure start of daarbij is betrokken en gebruikmaakt of dient te maken van stukkenwisseling langs elektronische weg als bedoeld in artikel 30c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:36a van de Algemene wet bestuursrecht, gebruikt voor het elektronisch indienen en ophalen van berichten een door de rechterlijke instanties aangewezen digitaal systeem voor gegevensverwerking.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop berichten worden ingediend langs de weg als bedoeld in het eerste lid. Tevens kunnen nadere regels worden gesteld die betrekking hebben op de eisen waaraan een bericht dient te voldoen dat langs deze weg wordt ingediend.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld die betrekking hebben op de eisen waaraan het door een gerechtsdeurwaarder te betekenen oproepingsbericht, bedoeld in de artikelen 112 en 113 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, moet voldoen.

 

Art. 5.
-1. De elektronische handtekening, bedoeld in artikel 30c, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:36d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voldoet aan de volgende eisen:
a. de ondertekenaar heeft zich geauthentiseerd met een middel dat voldoet aan de eisen gesteld in artikel 3 van dit besluit; en
b. zij is op zodanige wijze verbonden aan het elektronische bestand waarop zij betrekking heeft dat de identiteit van de ondertekenaar, het moment van ondertekening en elke wijziging na ondertekening van het document kunnen worden achterhaald.
-2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, voldoet de handtekening die handmatig op een elektronische gegevensdrager wordt geschreven aan de volgende eisen:
a. zij heeft plaatsgevonden in het bijzijn van een rechter of griffier of is gezet door een rechter of griffier; en
b. zij is op zodanige wijze verbonden aan het elektronische bestand waarop zij betrekking heeft dat de identiteit van de ondertekenaar, het moment van ondertekening en elke wijziging na ondertekening van het document kunnen worden achterhaald.

 

Art. 6.
-1. Indien een natuurlijk persoon over een burgerservicenummer beschikt, is:

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.