blz. 1  

Kamerstukken II 2013-2014, 33 975

Wijziging van de Wet werk en bijstand teneinde de eis tot beheersing van de Nederlandse taal toe te voegen aan die wet (Wet taaleis Wwb)

 

 

Nr. 3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Rechtsgrond
3 Praktische uitwerking
4 Internationaal- en Europeesrechtelijke aspecten
4.1 Algemeen
4.2 Discriminatieverboden
4.3 Artikel 6 EVRM
4.4 Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM
4.5 Europese Unie
5 Financiële effecten
xArtikelsgewijs
xxx| Artikelen I t/m IV

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Met dit wetsvoorstel worden de voorwaarden in het kader van de bijstand uitgebreid met een taaleis, teneinde de kansen voor participatie op de arbeidsmarkt te vergroten. Het voorliggende wetsvoorstel betreft, net als het wetsvoorstel Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten (Kamerstukken I 2013-2014, 33 801, A) en Invoeringswet Participatiewet (Kamerstukken I 2013-2014, 33 161, A), een nadere uitwerking van een aantal afspraken uit het regeerakkoord "Bruggen slaan".

     De Nederlandse arbeidsmarkt is moeilijk toegankelijk voor mensen die de Nederlandse taal niet of beperkt beheersen. Ook eenvoudige werkzaamheden vragen vaak een basiskennis van de Nederlandse taal. Het zich voldoende kunnen uitdrukken in de Nederlandse taal is een zeer belangrijk element voor het kunnen participeren op en voor het inzetbaar zijn en blijven op de arbeidsmarkt.

     De bijstand is een laatste vangnet waarop degene die geen andere inkomstenbronnen heeft een beroep kan doen, zodat hij in zijn primaire levensbehoeften kan voorzien. Daarmee is de bijstand het laatste vangnet in het socialezekerheidsstelsel. De regering wil benadrukken dat de verantwoordelijkheid van de overheid in deze complementair is aan de eigen verantwoordelijkheid van de bijstandsgerechtigden voor de voorziening in de kosten van het bestaan. De bijstand heeft dan ook niet als doel om te dienen als oneindige uitkering. De regering stelt zich op het standpunt dat de belanghebbende zo snel mogelijk weer uit de bijstand dient te komen en daartoe alles doet wat in zijn of haar vermogen ligt. Daartoe behoort het verkrijgen van een voldoende mate van beheersing van de Nederlandse taal.

     Het beheersen van de Nederlandse taal is immers een belangrijke succesfactor om uit de bijstand te komen en deel te nemen aan het arbeidsproces in Nederland. Bovendien wordt door de invoering van deze  blz. 2  taaleis een steviger fundament gelegd onder de eis in de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) [met ingang van 1 januari 2015: Participatiewet (PW), red.] dat alle aanvragers beschikbaar moeten zijn voor re-integratie.

 

2. Rechtsgrond


     De regering is van oordeel dat het beheersen van de Nederlandse taal een belangrijke factor in de arbeidsinschakeling is. Het niet beheersen van de Nederlandse taal belemmert immers de arbeidsparticipatie. Daarom voorziet dit wetsvoorstel erin het beheersen van de Nederlandse taal op minimaal het referentieniveau 1F ¹ op te nemen in de Wwb als nadere verplichting, met een toets en een bijpassend maatregelenregime. Het niveau 1F van het Referentiekader taal komt voort uit het werk van de commissie Meijerink. Het Referentiekader taal is een eenduidig kader voor taal (Nederlands) waar het hele onderwijs aan kan refereren.

1. Overeenkomstig het Besluit van 17 juni 2010, houdende vaststelling van referentieniveaus Nederlandse taal en referentieniveaus rekenen (Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen).

     Hoofdregel hierbij is dat het college de bijstand verlaagt wanneer naar oordeel van het college een redelijk vermoeden bestaat dat de belanghebbende niet of niet in voldoende mate de Nederlandse taal beheerst. In het voorliggende wetsvoorstel zijn echter ook expliciet individualiserende bepalingen opgenomen, die het mogelijk maken dat de bijstand onder bepaalde omstandigheden niet wordt verlaagd, ondanks dat de aanvrager niet over het gewenste taalniveau beschikt. Zo verlaagt het college de bijstand niet in het geval de aanvrager verklaart binnen één maand te beginnen of al begonnen is met het leren van de Nederlandse taal, of er - gelet op alle omstandigheden - dringende redenen bestaan om af te zien van verlaging of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De regeling biedt hiermee ruimte voor bijzondere individuele gevallen. Afstemming op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, blijft bij uitstek het beleidsterrein van het college. De bijzondere omstandigheden die tot dringende redenen leiden, kunnen gelegen zijn in maatschappelijk belang en de zorgplicht van de overheid in relatie tot individuele omstandigheden en kinderen in het gezin.¹
     Deze mogelijkheden om af te zien van een verlaging zoals omschreven in de wet gelden voor alle gemeenten en in die zin is er sprake van uniformiteit. Alle gemeenten dienen uitvoering te geven aan dit onderdeel.

1. Verschillende verdragen bevatten een zorgplicht voor de overheid met betrekking tot sociale bijstand en met betrekking tot bijstand voor huisvesting voor een ieder die niet over voldoende middelen beschikt. Gewezen kan worden op artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest en de artikelen 30 en 31 van het Europees Sociaal Handvest (herzien).

     De regering is van mening dat de belanghebbende een redelijke en reële termijn wordt geboden om de taal te gaan beheersen en dat deze termijn kan worden afgestemd op het individu. Zo kan er voor iemand die bijvoorbeeld laaggeletterd is maatwerk worden geboden. De regering benadrukt dat niemand vooraf van bijstand wordt uitgesloten. Ze voegt enkel een verplichting toe als uit een toets blijkt dat de bijstandsgerechtigde de Nederlandse taal in niet of in onvoldoende mate beheerst.

     Uiteraard wil de regering niet in één keer de bijstand van de belanghebbende verlagen wanneer deze niet aan de taaleis voldoet. Daarom wordt hem de mogelijkheid geboden om de taal te leren, met behoud van de bijstandsuitkering. Wel dient de bijstandsgerechtigde binnen één maand nadat het college hem schriftelijk in kennis heeft gesteld van het bestaan van het redelijk vermoeden dat hij niet of onvoldoende de Nederlandse  blz. 3  taal beheerst aan te vangen met het leren van de Nederlandse taal. Daarnaast is ervoor gekozen om een trapsgewijze afbouw van de uitkering te introduceren indien de belanghebbende niet aan de verplichting voor het leren van de Nederlandse taal voldoet of

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.