blz. 1 

Kamerstukken II 2014-2015, 34 073

Aanpassing van enige arbeidsrechtelijke bepalingen die een belemmering kunnen vormen voor werknemers en ambtenaren die na de AOW-gerechtigde leeftijd willen blijven werken (Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd)

 

 

Nr. 3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Achtergrond
3 Inhoud van het wetsvoorstel
3.1 Hoofdlijnen
3.2 Verplichtingen van de werkgever bij ziekte van de werknemer
3.3 Ketenbepaling
3.4 Opzegtermijn
3.5 Minimumloon
3.6 Wet aanpassing arbeidsduur
3.7 Publieke sector
4 Relatie tot de Wgbl
5 Verwachte effecten
5.1 Arbeidsmarkteffecten
5.2 Financiële effecten
5.3 Regeldruk en administratieve lasten
6 Inwerkingtreding en overgangsrecht
6.1 Inwerkingtreding
6.2 Overgangsrecht
6.3 Uitgestelde werking voor onderdelen met betrekking tot ziekte van de werknemer
6.4 Onmiddellijke werking
7 Reacties van derden
7.1 Stichting van de Arbeid
7.2 Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP)
7.3 Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
xArtikelsgewijs
xxx| Artikelen I t/m X

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     In maart 2006 heeft de Sociaal Economische Raad (SER) advies uitgebracht over het wegnemen van arbeidsrechtelijke belemmeringen om het werken na de AOW-gerechtigde leeftijd (toen nog 65 jaar) te faciliteren.¹ Dit advies werd gevolgd door een notitie van het toenmalige kabinet van 8 mei 2008 (getiteld "Men is zo oud als men zich voelt"), met daarin voorstellen tot het wegnemen van dergelijke belemmeringen.² In 2011 heeft het toenmalige kabinet wederom aangegeven het noodzakelijk te vinden om belemmeringen voor het werken na de AOW-gerechtigde leeftijd weg te nemen en recent zijn in het Begrotingsakkoord 2014 (het zogenoemde Herfstakkoord) hierover afspraken gemaakt. Vervolgens is bij de Begrotingsbehandeling SZW 2014 een motie van het lid Hamer (PvdA) aangenomen waarin de regering onder meer wordt opgeroepen om bij het treffen van maatregelen rekening te houden met het risico van verdringing (van nog niet AOW-gerechtigde werknemers door AOW-gerechtigden) dat hierdoor zou kunnen ontstaan.³

1. SER-advies 2006/03, Wegnemen belemmeringen voor doorwerken na 65 jaar.
2. Kamerstukken II 2007-2008, 29 544, nr. 152.
3. Kamerstukken II 2013-2014, 33 750 XV, nr. 35.

     Het SER-advies en de notitie van het kabinet uit 2008 zijn tot stand gekomen in een tijdsgewricht waarin wel discussie was over het verhogen van de AOW-gerechtigde leeftijd, maar hierover geen besluiten zijn genomen. Die discussie werd mede gevoerd met het oog op de verwachte krapte op de arbeidsmarkt. Ook de hiervoor genoemde notitie ging daarvan uit en de daarin verwoorde voorstellen waren mede bedoeld om die krapte het hoofd te kunnen bieden. Inmiddels zijn maatregelen genomen tot verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd en zal zich naar verwachting binnen afzienbare tijd op macroniveau geen krapte op de arbeidsmarkt voordoen.

      blz. 2  Dit neemt niet weg dat de regering het nog steeds wenselijk acht maatregelen te treffen die het (door)werken na de AOW-gerechtigde leeftijd vergemakkelijken.¹ De regering meent dat het faciliteren van het werken na de AOW-gerechtigde leeftijd niet alleen van belang is voor de samenleving als geheel, die hierdoor langer gebruik kan maken van de ervaring en kennis van de generaties die nu aan het werk zijn, maar ook voor werknemers zelf die om uiteenlopende redenen behoefte kunnen hebben om te werken na de AOW-gerechtigde leeftijd. Bijvoorbeeld om invulling te geven aan hun dagelijks bestaan, maar mogelijk ook om te voorzien in een aanvullend inkomen op een pensioen.

1. Met dit wetsvoorstel wordt mede invulling wordt gegeven aan de motie van de leden Ortega-Martijn en Van Hijum, die onder meer verzoekt om aanvullende maatregelen te nemen om het vrijwillig doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd mogelijk te maken (Kamerstukken II 2008-2009, 31 700 XV, nr. 38).

     Tegelijkertijd echter heeft de regering oog voor het risico van verdringing waar in de hiervoor genoemde motie aandacht voor is gevraagd. Hieraan komt de onlangs doorgevoerde aanpassing van het Ontslagbesluit reeds tegemoet. Die aanpassing houdt in dat een werkgever in geval van ontslag om bedrijfseconomische redenen (binnen een categorie uitwisselbare functies) eerst afscheid moet nemen van zijn AOW-gerechtigde werknemers alvorens andere werknemers voor ontslag in aanmerking komen. Bovendien is in de Wet werk en zekerheid (Wwz) reeds geregeld dat een werkgever de arbeidsovereenkomst van een pensioengerechtigde werknemer bij of na het bereiken van die leeftijd zonder tussenkomst van UWV of rechter kan opzeggen (mits de arbeidsovereenkomst vóór die leeftijd is aangegaan) en dat hij ook geen transitievergoeding verschuldigd is als de arbeidsovereenkomst bij of na de pensioengerechtigde leeftijd eindigt. Dat zorgt er mede voor dat de werkgever niet terughoudend hoeft te zijn om oudere (nog niet pensioengerechtigde) werknemers aan te nemen.

     Ook dit wetsvoorstel kent maatregelen om verdringing van jongere werknemers door AOW-gerechtigden tegen te gaan. Dat betreft het van toepassing verklaren van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) op AOW-gerechtigde werknemers, het buiten toepassing verklaren van de Wet aanpassing arbeidsduur (Waa) op deze categorie werknemers en het feit dat van de ketenbepaling voor AOW-gerechtigde werknemers alleen kan worden afgeweken bij CAO. Met deze maatregelen en de brief aan de Tweede Kamer over verdringing ¹ wordt tevens voldaan aan de motie van de leden Hamer en Kerstens ² over spelregels om verdringing van reguliere banen tegen te gaan.

1. Kamerstukken II 2014-2015, 29 544, nr. 558.
2. Kamerstukken II 2013-2014, 33 750 XV, nr. 35.

     Het kabinet heeft het CPB [Centraal Planbureau, red.] verzocht de werkgelegenheidseffecten van het wetsvoorstel door te rekenen en daarbij tevens in te gaan op mogelijke verdringing. Volgens het CPB zijn de werkgelegenheidseffecten van het wetsvoorstel naar verwachting gunstig voor AOW-gerechtigden en vindt er zeker op de langere termijn geen verdringing plaats van nog niet AOW-gerechtigden.¹ De regering concludeert derhalve dat met het wetsvoorstel een goede balans wordt getroffen tussen enerzijds maatregelen om het arbeidsrechtelijk regime voor AOW-gerechtigden waar mogelijk te versoepelen en anderzijds maatregelen die erop zijn gericht om verdringing van nog niet AOW-gerechtigden tegen te gaan.

1. CPB, 2014, Werkgelegenheidseffecten wetsvoorstel "werken na de AOW-gerechtigde leeftijd". Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

      blz. 3  Het wetsvoorstel beperkt zich tot de in hoofdstuk 3 van deze memorie van toelichting toegelichte maatregelen. In het licht van de motie van het lid Van Weyenberg (D66) ¹ heeft de regering bezien wat nog mogelijk is om het werken na de AOW-gerechtigde leeftijd te faciliteren door een lichter arbeidsrechtelijk regime voor AOW-gerechtigden, voor zover nog niet geregeld in de Wwz en het onderhavige wetsvoorstel. Daarbij is in overweging genomen of verruiming van de contractmogelijkheden voor AOW-gerechtigden nodig en wenselijk is. Meer in het bijzonder is gekeken naar de mogelijkheden om het aangaan van oproep- ofwel nulurencontracten te verruimen en is er gekeken naar ruimere mogelijkheden tot afwijking van (dan wel buiten toepassing verklaren van) de zogenoemde ketenbepaling dan waar het onderhavige wetsvoorstel in voorziet. De regering is tot het oordeel gekomen dat beide maatregelen ongewenst zijn en licht dit als volgt toe.

1. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 45.

     In de Wwz is de mogelijkheid tot het aangaan van nulurencontracten beperkt. Een verruiming van die mogelijkheid voor AOW-gerechtigde werknemers gaat naar de mening van de regering niet alleen in te grote mate ten koste van hun arbeidsrechtelijke bescherming, een dergelijk voorstel is ook tegengesteld aan hetgeen is beoogd met de motie van het lid Hamer. Met betrekking tot de zogenoemde ketenbepaling merkt de regering op da

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.