blz. 1 

Kamerstukken II 2014-2015, 34 227

Wijziging van de Participatiewet in verband met de bescherming van lijfrenteopbouw en de vrijlating van inkomsten uit arbeid en wijziging van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met de bevordering van vrijwillige voortzetting van pensioenopbouw (Wet vrijlating lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid en bevordering vrijwillige voortzetting pensioenopbouw)

 

 

Nr. 3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING ¹

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Bescherming van pensioenvermogen in de derde pijler
2.1 Karakter van de regeling
2.2 Reikwijdte
2.3 Begrenzing van het pensioenvermogen
2.4 Voorwaarden en begrenzing van inleg
2.5 Termijn van de bescherming
3 Vrijwillige voortzetting bij tweedepijlerpensioenregeling
4 Aanpassing vrijlating inkomsten uit arbeid
5 Overgangsrecht
6 Budgettaire consequenties
7 Regeldruk
7.1 Bescherming pensioenvermogen
7.2 Vrijwillige voortzetting
7.3 Vrijlating inkomsten uit arbeid
8 Ontvangen adviezen en reacties internetconsultatie
8.1 Bescherming pensioenvermogen
8.2 Vrijwillige voortzetting
8.3 Vrijlating inkomsten uit arbeid
xArtikelsgewijs
xxx| Artikelen I t/m VI

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Een groeiend aantal werkenden is als zelfstandige actief. Die toename vindt vooral plaats bij de zelfstandigen zonder personeel: bedroeg hun aantal in 1999 nog ongeveer 400 000, in het tweede kwartaal van 2014 was dat gestegen tot ruim 800 000 ² personen. Ook voor zelfstandigen is van belang dat zij een oudedagsvoorziening opbouwen om na pensionering niet te worden geconfronteerd met een grote inkomensterugval. Bij een grote groep zelfstandigen is dat echter niet het geval: een kwart van de zelfstandigen zonder personeel heeft momenteel het vooruitzicht op een inkomen na pensionering dat minder dan de helft zal bedragen van hun huidige brutojaarinkomen.³

1. De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
2. Bron: CBS Statline [CBS: Centraal bureau voor de statistiek, red.].
3. Kamerstukken II 2013-2014, 31 311, nr. 97.

     Voor werknemers is de oudedagsvoorziening doorgaans geregeld door de deelname aan een pensioenregeling van de werkgever, de tweede pijler in het Nederlandse systeem van inkomensvoorzieningen voor de oude dag. Zoals zelfstandigen een eigen verantwoordelijkheid hebben voor hun inkomensverwerving, zo dienen zij ook zelf voorzieningen te treffen voor hun oudedagsinkomen. Pensioenreserveringen in de derde pijler zijn daarvoor een belangrijk element. Het gegeven dat een groot aantal zelfstandigen in onvoldoende mate reserveert voor de oude dag is aanleiding voor de regering om de opbouw van aanvullend pensioen door zelfstandigen extra te stimuleren. Bij brief van 15 januari 2014 heeft het kabinet mededeling gedaan over de voortgang van een aantal initiatieven om dat tot stand te brengen.¹
     Allereerst heeft het kabinet technische assistentie geboden bij de opzet van een collectief uitgevoerde pensioenregeling door belangenorganisaties van zelfstandigen. Deze en vergelijkbare initiatieven zijn en zullen  blz. 2  mogelijk nog worden genomen in aanvulling op de al bestaande mogelijkheden voor pensioenopbouw in de derde pijler.
     Andere stimulerende maatregelen zijn gelegen in aanpassingen van de wettelijke kaders. Deze zijn opgenomen in het zogeheten Witteveenakkoord waarover het kabinet de voorzitter van de Tweede Kamer bij brief van 18 december 2013 heeft geïnformeerd.²
     Met ingang van 1 januari 2015 is de fiscale regelgeving aangepast waardoor geen revisierente meer verschuldigd is wanneer bij langdurige arbeidsongeschiktheid een in de derde pijler opgebouwd pensioen wordt afgekocht.³ Dat is vooral van belang voor de oudere zelfstandigen met zware beroepen voor wie het sluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering duur is.
     Om het voor zelfstandigen - evenals voor werknemers voor wie geen of een beperkte arbeidsvoorwaardelijke pensioenregeling beschikbaar is - aantrekkelijker te maken een pensioen op te bouwen, is in het Witteveenakkoord eveneens opgenomen dat opgebouwd pensioen in de derde pijler - onder bepaalde voorwaarden en binnen zekere grenzen - beschermd is voor de vermogenstoets in de Participatiewet. Bij de pensioenvoorziening voor werknemers - de tweede pijler - is geen sprake van een opgebouwd vermogen waarvan kan worden verlangd dat dit te gelde wordt gemaakt alvorens beroep op bijstand wordt gedaan. Door de pensioenvoorziening in de derde pijler evenmin voorwerp te laten zijn van de vermogenstoets in de Participatiewet wordt op dit punt een grotere gelijkheid tussen zelfstandigen en werknemers bereikt.
     Het kabinet heeft in de bovengenoemde brief van 18 december 2013 bovendien aangekondigd dat, om de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting van de tweedepijlerpensioenregeling door zelfstandigen te vergemakkelijken waaraan zij daaraan voorafgaand als werknemer deelnamen, er in de Pensioenwet een termijn van negen maanden zal worden geïntroduceerd waarin zij die beslissing kunnen nemen. Momenteel moeten gewezen werknemers bij sommige pensioenuitvoerders al binnen drie maanden hierover een besluit nemen. Met deze maatregel is het niet langer mogelijk dat de pensioenuitvoerder een kortere termijn aanhoudt dan deze wettelijke termijn.
     In dit wetsvoorstel zijn de laatste twee maatregelen opgenomen. De bescherming van het pensioenvermogen voor de vermogenstoets wordt gerealiseerd door een wijziging van de Participatiewet. De verlenging van de beslistermijn voor de vrijwillige voortzetting van deelname aan een pensioenregeling houdt een wijziging in van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

1. Kamerstukken II 2013-2014, 32 043, nr. 195.
2. Kamerstukken II 2013-2014, 32 043, nr. 188.
3. Stb. 2014, 578.

     Dit wetsvoorstel voorziet tevens in een wijziging van de vrijlating voor inkomsten uit arbeid in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz). Deze wijziging vloeit voort uit de op 11 november 2014 aan de Tweede Kamer aangeboden agenda om tijdelijk en deeltijdwerk vanuit de bijstand te stimuleren.¹ Hierin is onder andere aangekondigd dat de duur van de vrijlating voor inkomsten uit arbeid wordt aangepast zodat ook bijstandsgerechtigden met korte perioden van tijdelijk werk hiervan optimaal gebruik kunnen maken.

1. Kamerstukken II 2014-2015, 28 719, nr. 90.

 blz. 3 

2. Bescherming van pensioenvermogen in de derde pijler


     In de brief van 18 maart 2013 ¹ waarmee het kabinet het onderzoeksrapport "Pensioen van zelfstandigen" aan de voorzitter van de Tweede Kamer heeft aangeboden, wordt als mogelijke maatregel om de pensioenopbouw van zelfstandigen te stimuleren, genoemd dat zij, voor zover verenigbaar met de uitgangspunten van de bijstandverlening, hun derdepijlervermogen niet behoeven aan te spreken als zij een beroep op de bijstand doen. Het gegeven dat onder de huidige wetgeving in een dergelijke situatie het opgebouwde vermogen niet aan de oude dag ten goede komt, kan voor zelfstandigen één van de redenen zijn af te zien van besparingen voor een aanvullend pensioen in de derde pijler.
     Voor werknemers blijft de pensioenopbouw binnen een door de werkgever aangeboden regeling buiten de vermogenstoets van de bijstand omdat het hierbij om een aanspraak op pensioenuitkering gaat die niet te gelde kan worden gemaakt. De Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling, die van toepassing zijn op tweedepijlerpensioen, verbieden in beginsel immers afkoop. In de genoemde brief heeft het kabinet toegezegd

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.