blz. 1 

Kamerstukken II 2014-2015, 34 273

Wijziging van enkele wetten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2016)

 

 

Nr. 3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Klein beleid
2.1 Aanpassen Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
2.2 Kostendelersnorm en studenten
2.3 Begrip kleine werkgever
2.4 Aanpassen vangnetbepalingen Participatiewet
2.5 Kostendelersnorm Participatiewet
2.6 Gegevensuitwisseling tussen de SVB en de Stichting normering arbeid (SNA)
2.7 Terugvordering door het UWV
2.8 Beëindigen organisatiegericht toezicht
2.9 Doorbelasting loonaanvullingsuitkering aan eigenrisicodrager
3 Uitvoering
4 Administratieve lasten
xArtikelsgewijs
xxx| Artikelen I t/m XXXVI

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Dit wetsvoorstel wijzigt een aantal wetten op het terrein van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De wijzigingen betreffen de arbeidswetgeving, de socialezekerheidswetgeving en wetgeving rondom de structuur van de uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Het wetsvoorstel behelst onder andere wijzigingen die voortvloeien uit door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en de Sociale verzekeringsbank (SVB) aangedragen knelpunten in de uitvoering. Hiernaast zijn wijzigingen opgenomen die voortvloeien uit de Wet werk en zekerheid (Wwz).¹ Het gaat hierbij om tekstuele aanpassingen, technische verbeteringen en verheldering van bepaalde punten. Tot slot dienen enkele voorstellen ter verduidelijking en nadere invulling van eerder gemaakte beleidskeuzes en het herstellen van omissies. De voorgestelde wijzigingen bevatten geen substantiële beleidswijzigingen. Het wetsvoorstel behelst derhalve alleen zogenoemd "klein beleid". Hiermee voldoet het wetsvoorstel aan de drie criteria die de regering in de brief van 20 juli 2011 heeft gesteld aan verzamelwetgeving, namelijk onderlinge samenhang, geen omvangrijke en complexe onderdelen en geen politiek omstreden inhoud.² Het wetsvoorstel heeft geen substantiële financiële consequenties. De financiële consequenties van de verschillende onderwerpen worden nader beschreven in de toelichting. De kleine beleidsmatige wijzigingen worden hieronder kort per onderwerp toegelicht. In het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting wordt nader ingegaan op de verschillende wijzigingsvoorstellen.

1. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 2.
2. Kamerstukken I 2010-2011, 32 500 VI, M.

 blz. 2 

2. Klein beleid


2.1. Aanpassen Algemene Kinderbijslagwet (AKW)


     Deze wijziging stelt voor om de bevoegdheid van de SVB om met meer dan één jaar terugwerkende kracht kinderbijslag toe te kennen te laten vervallen. De reden daarvoor is dat de uitvoeringskosten in geen verhouding staan tot het aantal personen dat op dit moment voordeel heeft van deze bepaling. Het gaat om circa 150 onderzoeken en enkele tientallen bezwaarzaken per jaar, terwijl slechts in een beperkt aantal gevallen langer dan één jaar met terugwerkende kracht wordt uitbetaald. Dat hangt samen met het gegeven dat de beleidsregel van de SVB met betrekking tot het netto-inkomen in het geval van de AKW bijna nooit kan worden toegepast omdat de AKW alleen voorziet in een bescheiden tegemoetkoming in de kosten van kinderen. De wijziging levert behalve een vereenvoudiging ook een kleine besparing op de uitvoeringskosten op. Door het kleine aantal toekenningen is de besparing op de uitkeringslasten verwaarloosbaar.

 

2.2. Kostendelersnorm en studenten


     Met de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten geldt sinds 1 januari 2015 de kostendelersnorm in de Participatiewet en sinds 1 juli 2015 de kostendelersnorm in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) en de Algemene nabestaandenwet (Anw). De uitzondering van studenten, die betrekking heeft op beroepsonderwijs en onderwijs waarvoor aanspraak kan bestaan op studiefinanciering en Wet tegemoetkoming schoolgaande kinderen [lees: of tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, red.], wordt aangaande nationaliteit en studeren in het buitenland middels dit wetsvoorstel verduidelijkt. De wetgever heeft met de uitzondering bedoeld dat de nationaliteit van de student bij de uitzondering voor studenten niet van belang is; ook studenten die op grond van hun nationaliteit geen aanspraak maken op studiefinanciering of een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) kunnen onder de uitzondering vallen. Tevens volgt uit artikel 5 van Verordening (EG) nr. 883/2004 dat de student die een vergelijkbare opleiding volgt in het buitenland dient te worden uitgezonderd van de kostendelersnorm. Dit betekent dat bijvoorbeeld de Nederlandse student die studeert in Spanje en inwoont bij zijn Nederlandse ouder in Spanje, waarbij de ouder een Anw-gerechtigde is, onder de uitzondering op de kostendelersnorm valt, ervan uitgaande dat voldaan is aan de voorwaarden. Deze wetswijziging is geen beleidswijziging, maar een verduidelijking van de wettekst. Tevens was het leeftijdscriterium niet in alle wetten juist opgenomen. Deze omissie wordt hiermee hersteld.

 

2.3. Begrip kleine werkgever


     In de artikelen 7:673a en 7:673d van het Burgerlijk Wetboek (BW) zoals deze artikelen met ingang van 1 juli 2015 luiden, is geregeld wat onder een kleine werkgever wordt verstaan. Daarbij is het aantal werknemers dat in dienst is in de tweede helft van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt bepalend. Doordat voor de ene werknemer een langere opzegtermijn kan gelden dan voor de andere werknemer, kan het zich voordoen dat de arbeidsovereenkomst van een aantal werknemers net vóór het einde van een kalenderjaar eindigt, terwijl de arbeidsovereenkomsten van andere werknemers in het volgende kalenderjaar eindigt, terwijl de ontslagprocedure van alle werknemers gelijktijdig is gestart. Dat leidt tot onwenselijke uitkomsten.  blz. 3  Voorts kan dit ertoe leiden dat bijvoorbeeld de rechter naar het nog lopende kalenderjaar moet beoordelen of sprake is van een kleine werkgever of niet. Om deze redenen wordt voorgesteld om waar mogelijk het moment waarop het verzoek om toestemming of ontbinding is gedaan bepalend te laten zijn voor de berekening van het aantal werknemers dat bepalend is voor de vraag of het een kleine werkgever betreft. Als de arbeidsovereenkomst eindigt zonder dat een verzoek om toestemming of ontbinding nodig is, blijft het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigt bepalend.

 

2.4. Aanpassen vangnetbepalingen Participatiewet


     Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Participatiewet per 1 januari 2015 is voor de verdeling van de macrobudget over de individuele gemeenten een nieuw verdeelmodel van kracht geworden, aangeduid als het multiniveaumodel. Met de invoering van het nieuwe verdeelmodel is, door aanpassingen in de lagere regelgeving,¹ tevens de uitwerking van de aanvullende uitkeringen gewijzigd. De incidentele en de meerjarige aanvullende uitkering zijn komen te vervallen, met inachtneming van bijbehorend overgangsrecht, en hiervoor is één geïntegreerd vangnet in de plaats gekomen.

1. Stb. 2014, 537, Stcrt. 2014, 36232, en Stcrt. 2015, 2560.

     Vanwege het tijdelijke karakter van de nieuwe vangnetuitkering voor 2015 is de invoering ervan geregeld door wijziging van het Besluit Participatiewet en de Regeling Participatiewet, Ioaw en Ioaz, zonder wijziging van de Participatiewet zelf. Vanaf 2016 zal

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.