blz. 1 

Kamerstukken II 2015-2016, 34 336

Wijziging van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet financiering sociale verzekeringen en enkele andere wetten in verband met verbetering van de hybride markt van de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wet verbetering hybride markt WGA)

 

 

Nr. 3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inhoud en doel van dit wetsvoorstel
2 Inleiding en historisch perspectief
3 Beschrijving hybride WGA-markt
4 Ontwikkelingen in de hybride markt
5 Afname gelijk speelveld tussen UWV en private verzekeraars
6 Gekozen instrumentarium
7 Inwerkingtreding en overgangsrecht
8 Meerwaarde hybride stelsel en afgevallen alternatieven
9 Gelijktrekken overstaptermijn eigenrisicodragerschap vanuit publieke verzekering
10 Effecten en administratieve lasten
11 Financiële gevolgen
12 Ontvangen commentaren
xArtikelsgewijs
xx| Artikelen I t/m X

 

 

Algemeen

 

1. Inhoud en doel van dit wetsvoorstel


     De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kent met betrekking tot de financiering van de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) een hybride stelsel. Dit betekent dat de WGA werkgevers de keuze biedt om zich via het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) publiek te verzekeren of om eigenrisicodrager te worden. Eigenrisicodragers hebben daarbij de mogelijkheid om zich via een private verzekeraar voor hun WGA-risico te verzekeren. De meeste werkgevers die eigenrisicodrager worden, kiezen daarbij ook voor een private verzekering. Als werkgevers geen actie ondernemen, zijn zij automatisch via het UWV verzekerd.
     Bij de vormgeving van het hybride stelsel was het de verwachting dat de werkgever en zijn verzekeraar geprikkeld zouden worden tot optimale inzet op preventie en re-integratie. Het hybride stelsel zou eraan moeten bijdragen dat verschillende partijen, UWV en private verzekeraars, elkaar scherp houden en zo bijdragen aan zo effectief mogelijke re-integratie en activering. Op dit moment lijken werkgevers zich echter bij de keuze van een WGA-verzekering steeds meer te richten op het voordeel dat op kortere termijn bij het UWV behaald kan worden. De effectiviteit van re-integratieactiviteiten en activering van de publieke verzekeraar en private verzekeraars wegen zij niet of bijna niet mee bij hun keuze. De door dit wetsvoorstel geregelde aanpassing van de wijze waarop de WGA-lasten bij het UWV gefinancierd worden, zorgt voor een verbetering in de verhouding tussen publieke uitvoerder en private verzekeraars en draagt daardoor bij aan een meer evenwichtig hybride stelsel. Hierdoor zal de focus meer op re-integratie van zieke en gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers gericht worden.

     Concreet betreft dit wetsvoorstel aanpassing van de financieringswijze van de zogenaamde publieke staartlasten van middelgrote en grote werkgevers die na een periode van publieke verzekering voor het WGA-risico kiezen voor eigenrisicodragerschap. Deze "publieke staartlasten"  blz. 2  zijn de nog doorlopende WGA-lasten van werknemers die een WGA-uitkering ontvangen of die ziek zijn en op termijn een WGA-uitkering zullen ontvangen, nadat een werkgever van de publieke verzekering bij het UWV is overgestapt naar eigenrisicodragerschap. In de Wet WIA wordt de afbakening van het eigen risico van werkgevers die vanuit de publieke verzekering bij het UWV eigenrisicodrager zijn geworden, aangepast zodat publieke staartlasten hier niet meer onder vallen. In de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt geregeld dat een reserve (in het vervolg "staartlastenvermogen") in de Werkhervattingskas wordt aangewezen voor de financiering van deze publieke staartlasten.
     In samenhang met dit wetsvoorstel zal tevens het Besluit Wfsv worden gewijzigd waarmee de premieberekening voor publiek verzekerde middelgrote en grote werkgevers wordt aangepast. De premie zal gebaseerd gaan worden op de volledige historische WGA-lasten (ontstaan tijdens de periode van eigenrisicodragerschap en van publieke verzekering).
     Het oude stelsel van premieheffing en financiering van publieke staartlasten blijft gelden voor de werkgevers die op 1 juli 2015 of eerder bij het UWV verzekerd zijn, of die op 1 juli 2015 of eerder eigenrisicodrager geworden zijn. Hier is sprake van eerbiedigende werking.

     De beoogde inwerkingtredingsdatum van dit wetsvoorstel is 1 januari 2017. Om anticiperend en sterk marktverstorend gedrag te voorkomen, zal de nieuwe wijze van premiestelling en het achterlaten van publieke staartlasten ook per 1 januari 2017 gaan gelden voor alle werkgevers die na 1 juli 2015 terugkeren naar de publieke verzekering, respectievelijk eigenrisicodrager worden.¹ Als er voor de periode tussen aankondiging en inwerkingtreding van deze maatregel niets zou worden geregeld, zou dat strategisch gedrag in de hand werken. Werkgevers zouden dan nog snel vóór de inwerkingtreding kunnen overstappen om zo goedkoop mogelijk uit te zijn.
     De opbouw van deze toelichting is als volgt. In paragraaf 2 wordt het historische perspectief van de Wet WIA en de WGA beschreven. De paragrafen 3 en 4 gaan verder in op het hybride stelsel en de ontwikkeling van de hybride markt. Vervolgens wordt in paragraaf 5 beschreven hoe het evenwicht in de hybride markt verstoord is geraakt. In paragraaf 6 wordt de gekozen oplossing beschreven, paragraaf 7 geeft inzicht in de inwerkingtredingsdatum en het overgangsrecht en in paragraaf 8 wordt aandacht besteed aan afgevallen alternatieven. In het wetsvoorstel is ook een technische wijziging opgenomen, deze wordt in paragraaf 9 nader toegelicht. In paragraaf 10 en 11 wordt stilgestaan bij de effecten, administratieve lasten en de financiële gevolgen. Paragraaf 12 gaat in op de ontvangen commentaren.

1. Dit is ook reeds aangekondigd per Kamerbrief van 22 juni 2015, Kamerstukken II 2014-2015, 32 716, nr. 18.

 

2. Inleiding en historisch perspectief


     Vanaf de jaren zeventig in de vorige eeuw nam het aantal uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid gestaag toe. In 1985 was het aantal gegroeid naar 764 000. Begin jaren negentig dreigde het aantal van één miljoen arbeidsongeschikten. Om dit te voorkomen, zijn er vanaf het midden van de jaren negentig opeenvolgende beleidsmaatregelen doorgevoerd. Deze maatregelen versterkten de prikkels voor zowel werkgevers als werknemers om langdurig ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Zo is in 1994 een loondoorbetalingsplicht voor werkgevers bij ziekte van de werknemer ingevoerd. De duur van de loondoorbetalingsperiode bedroeg aanvankelijk twee tot zes weken en werd in 1996 verlengd naar één jaar. Sinds 2004 bedraagt de loondoorbetalingsperiode twee jaar.  blz. 3  Door inwerkingtreding van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (1998) en de Wet WIA (29 december 2005) werd premiedifferentiatie ingevoerd en kregen werkgevers de mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden. De premie voor de werkgever werd afhankelijk van de WAO/WGA-instroom van zijn (ex-)werknemers. Deze maatregelen zijn erop gericht de werkgever financieel te prikkelen om meer aan preventie, ziekteverzuim en re-integratie te doen. Door de invoering van de Wet verbetering poortwachter (Wvp) in 2002 zijn de re-integratieverplichtingen versterkt. De Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet Bezava) uit 2014 beoogt het langdurig ziekteverzuim en de WIA-instroom van zieke uitzendkrachten, zieke werklozen en zieke werknemers met een tijdelijk dienstverband (vangnetters) terug te dringen.

     Onderdeel van de Wet WIA is de prikkelwerking in de financieringssystematiek van de WGA. Uitgangspunt bij de WGA is dat er zowel voor werkgevers als voor werknemers prikkels moeten bestaan. Deze prikkels richten zich op het beperken van de instroom in de WGA en het bevorderen van de uitstroom uit de WGA.
     Onderdeel van de werkgeversprikkels zijn de premiedifferentiatie en de mogelijkheid van eigenrisicodragen door werkgevers. Op dit moment bestaat de mogelijkheid tot eigen risico dragen alleen voor het WGA-risico van (ex-)werknemers met een vast dienstverband. In de Wet Bezava is geregeld dat werkgevers vanaf 1 januari 2017 eigenrisicodrager kunnen worden voor het totale WGA-risico, dus voor het risico van zowel vaste als flexibele krachten.¹ Gekoppeld aan het financiële risico is een werkgever die eigenrisicodrager is, gedurende de eerste tien jaar van de WGA ook verantwoordelijk voor de re-integratie van "zijn" WGA-ers. Werkgevers die eigenrisicodrager zijn, zullen zich veelal bij een private verzekeraar verzekeren. Voor de financiering van de WGA geldt dus een hybride stelsel: de werkgever heeft de keuze tussen een publieke verzekering bij het UWV en eigenrisicodragerschap met de mogelijkheid zich privaat te verzekeren.
     Naast prikkels voor werkgevers kent het stelsel ook prikkels voor werknemers. Zo kan een werkgever bij ziekte twee wachtdagen hanteren. Verder zijn de re-integratieverplichtingen voor de werknemer versterkt met de Wet verbetering poortwachter. Wanneer de werknemer onvoldoende meewerkt aan zijn re-integratie, kan de werkgever de loondoorbetaling stopzetten of kan dit effect hebben op de WGA-uitkering van de werknemer. Ook is de drempel om toegang te krijgen tot de Wet WIA verhoogd naar 35% arbeidsongeschiktheid en is het ziektebegrip in de Ziektewet aangescherpt.

1. De beoogde inwerkingtredingsdatum van deze maatregel is verschoven van 1 januari 2016 naar 1 januari 2017. Zie Kamerstukken II 2014-2015, 29 544, nr. 589.

     Het beleid is er dus op gericht om werkgevers en werknemers te prikkelen het ziekteverzuim te beperken en te stimuleren om re-integratie in te zetten zodat werknemers zoveel als mogelijk actief zijn in het arbeidsproces. De afgelopen periode is de instroom in arbeidsongeschiktheidsregelingen succesvol beperkt en bedraagt de jaarlijkse instroom in de Wet WIA nu minder dan 40 000 personen tegenover circa 100 000 personen die de WAO instroomden aan het begin van deze eeuw.

 

3. Beschrijving hybride WGA-markt


     Zoals hierboven beschreven, kunnen werkgevers voor de financiering van de WGA-lasten kiezen voor een publieke WGA-verzekering bij het UWV of voor eigenrisicodragerschap al dan niet met een private verzekering.  blz. 4  Werkgevers die niet kiezen voor eigenrisicodragerschap zijn automatisch bij het UWV verzekerd (het UWV is de zogenaamde "defaultoptie").

     Zowel voor het UWV als voor private verzekeraars geldt voor de financiering van de WGA een aantal voorwaarden. Doel van deze voorwaarden is om voldoende financiële zekerheid ter dekking van de risico’s te garanderen. De voorwaarden tussen UWV en private verzekeraars verschillen echter.
     Het UWV moet de WGA middels een omslagstelsel financieren. Dat betekent dat het UWV met de premieopbrengsten in een kalenderjaar de lopende WGA-lasten in dat kalenderjaar moet financieren. Private verzekeraars moeten bij de financiering van de WGA gebruikmaken van een kapitaaldekkingsstelsel. In de premiestelling moeten zij rekening houden met een kapitaalreservering voor de toekomstige uitkeringslasten van werknemers die in dat jaar ziek worden en op termijn een WGA-uitkering ontvangen.
     Naast verschillen in de financieringssystematiek zijn er meer verschillen tussen UWV en private verzekeraars. Private verzekeraars kunnen bijvoorbeeld zelf de duur van het contract dat zij aan werkgevers aanbieden, bepalen. Daarnaast hebben private verzekeraars de mogelijkheid om eigen pakketten samen te stellen en daarbij extra diensten aan te bieden. Deze extra diensten hebben effect op de premie die private verzekeraars in rekening brengen. Aangezien verzekering bij het UWV de defaultoptie is, kent het UWV een acceptatieplicht. Private verzekeraars hebben geen acceptatieplicht. Ook hebben private verzekeraars de mogelijkheid om producten gericht onder de aandacht van werkgevers te brengen. Daar staat tegenover dat private verzekeraars kosten maken voor acquisitie, deze kosten maakt het UWV niet.

     Het hybride stelsel heeft als doel partijen scherp te houden, zodat er zowel op de

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.