blz. 1 

Kamerstukken II 2015-2016, 34 396

Wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de regeling van de bestuurlijke boete

 

 

Nr. 3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
1.1 Achtergrond van het wetsvoorstel
1.2 Uitgangspunten van het wetsvoorstel
2 Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
2.1 Overgangsrecht
2.2 Maximum boetes en schrappen minimumboete
2.3 Uitbreiding waarschuwingsmogelijkheid
3 Verhouding tot het strafrecht
4 Bevordering rechtsgelijkheid en eenduidige uitvoeringspraktijk
5 Ontvangen commentaren en adviezen
5.1 VNG, Divosa en Uitvoeringspanel gemeenten
5.2 Sociale verzekeringsbank
5.3 UWV
5.4 Inspectie SZW
6 Financiële aspecten
6.1 Budgettaire consequenties
7 Gevolgen voor de regeldruk
xArtikelsgewijs
xxx| Artikelen I t/m XVI

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


1.1. Achtergrond van het wetsvoorstel


     Dit wetsvoorstel bevat een aanpassing van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving alsook aanpassingen van de socialezekerheidswetten op het punt van de regeling van de bestuurlijke boete. Directe aanleiding is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) over de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid in de sociale zekerheid [lees: Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, red.]. Deze uitspraak heeft directe consequenties voor de sanctionering van het overtreden van de inlichtingenverplichting. Met onderhavig wetsvoorstel wil de regering de eenduidigheid en rechtszekerheid borgen. Daarnaast komt de regering met dit wetsvoorstel tegemoet aan de wensen van de uitvoeringspartijen om effectiever op te kunnen treden in de uitvoeringspraktijk van de bestuursrechtelijke sanctionering. Ook heeft de Nationale ombudsman in zijn rapport "Geen fraudeur, toch een boete" van 4 december 2014 de aanbeveling gedaan om te komen tot meer evenredige boetes. Dit wetsvoorstel komt daaraan tegemoet.


Uitspraak Centrale Raad van Beroep

     In zijn uitspraak beslist de CRvB dat het overgangsrecht in strijd is met het legaliteitsbeginsel zoals opgenomen in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens [lees: Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), red.] en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten [IVBPR, red.]. Daarnaast stelt de CRvB dat geen sprake is van een gefixeerd boetestelsel. Dit betekent dat de hoogte van de boete bij overtredingen van de inlichtingenverplichting altijd moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid van de overtreder en de omstandigheden van het geval. De CRvB stelt dat hoge boetes om een indringender toets aan het evenredigheidsbeginsel vragen. De CRvB maakt daarbij een vergelijk met commune strafbepalingen en fiscaal recht. Daarnaast stelt de CRvB dat geen hogere boete  blz. 2  opgelegd kan worden dan de maximale geldboete die de strafrechter op grond van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan opleggen voor fraude met socialezekerheidsuitkeringen.


Effectievere uitvoeringspraktijk

     De regering acht het daarnaast van belang dat het sanctieregime toepasbaar moet zijn in een complexe uitvoeringspraktijk, met name daar waar het gaat om geringe overtredingen van de inlichtingenverplichting. De regering stelt voor, mede op verzoek van de uitvoeringspartijen UWV [Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, red.], SVB [Sociale verzekeringsbank, red.] en gemeenten, om de mogelijkheid tot het geven van een waarschuwing voor een aantal specifieke situaties uit te breiden. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft dit in zijn brief van 16 december 2014 ¹ aan de Tweede Kamer aangekondigd. Het wetsvoorstel creëert de mogelijkheid om in meer situaties een waarschuwing te geven. In het Boetebesluit socialezekerheidswetten worden de situaties waarin dit mogelijk is nader uitgewerkt.

1. Kamerstukken II 2014-2015, 17 050, nr. 495.

 

1.2. Uitgangspunten van het wetsvoorstel


     De uitspraak van de CRvB ziet op het overgangsrecht en het boeteregime. Het uitgangspunt van het onderhavige wetsvoorstel blijft dat fraude niet mag lonen en te veel ontvangen uitkering altijd moet worden terugbetaald. Een robuust boeteregime draagt bij aan het voorkomen van fraude en draagt bij aan het vergroten van de (percipieerde) pakkans. Daarnaast is het van belang om het draagvlak en de solidariteit voor het sociale stelsel te behouden. Het opleggen van boetes is gerechtvaardigd in het geval van frauduleus gedrag van calculerende burgers. Dit geeft ook een duidelijk signaal af naar goedwillende burgers die de wet wel naleven. Boetes zijn echter geen doel op zich en zullen in verhouding moeten staan tot de ernst van de overtreding. Met dit wetvoorstel wordt hieraan nadere invulling gegeven.

 

2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel


2.1. Overgangsrecht


     Met dit wetsvoorstel wordt het overgangsrecht in overeenstemming gebracht met de uitspraak van de CRvB. Dit is met name van belang voor de berekening van de hoogte van de op te leggen boete. Bij boeteoplegging voor overtredingen die zijn aangevangen vóór 1 januari 2013 en voortduren na 1 januari 2013 zal tot 1 januari 2013 het op dat moment geldende lichtere sanctieregime moeten worden toegepast. De overtredingen die na 1 januari 2013 voortduren, kunnen voor dat deel worden beboet overeenkomstig het nieuwe recht dat geldt bij de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving per genoemde datum. Hiermee brengt de regering het overgangsrecht in overeenstemming met hetgeen is bepaald in artikel 7, eerste lid, van het EVRM en artikel 15, eerste lid, van het IVBPR, waarin is vastgelegd dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Met de aanpassing wordt ten aanzien van voortdurende overtredingen de boetehoogte afgestemd op het geldende sanctieregime dat van toepassing is op dat deel van de overtreding die heeft plaatsgevonden vóór en na 1 januari 2013.

 blz. 3 

2.2. Maximum boetes en schrappen minimumboete


     Voor de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete voor een overtreding van de inlichtingenplicht in de socialezekerheidswetten geldt dat geen hogere boete opgelegd mag worden dan de maximale geldboete die de strafrechter op grond van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan opleggen. Dit betekent dat voor overtredingen waarbij opzet aangetoond is een boete uit de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan worden opgelegd. Voor de overige overtredingen is een boete uit de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, mogelijk. Het onderscheid tussen overtredingen die opzettelijk zijn begaan en overtredingen die niet opzettelijk zijn begaan, geeft op het niveau van de wet uitvoering aan voornoemde uitspraak van de CRvB. In het Boetebesluit socialezekerheidswetten worden ten aanzien van de mate van verwijtbaarheid en de hiermee corresponderende boetehoogtes nadere gradaties aangebracht.

     De uitspraak van de CRvB dat ten aanzien van de bestuurlijke boete zoals die is geregeld bij en krachtens de socialezekerheidswetten geen sprake is van gefixeerde boetes verhoudt zich niet tot een regeling voor minimale boetes. De boete moet immers afgestemd worden op ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en daarbij rekening houdt met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Met het onderhavige wetsvoorstel wordt de verwijzing naar de minimumboete geschrapt. In het Boetebesluit socialezekerheidswetten worden de overige onderdelen van de uitspraak van de CRvB over het boeteregime nader uitgewerkt

 

2.3. Uitbreiding waarschuwingsmogelijkheid


     Zoals is bepaald onder de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving [Fraudewet, red.] is het geven van een waarschuwing reeds mogelijk voor overtredingen waarbij de inlichtingenplicht is overtreden, maar de overtreding niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag. Een waarschuwing kan alleen worden opgelegd als betrokkene in de afgelopen twee jaar niet eerder een waarschuwing heeft gehad. Wanneer een herhaling van overtreding plaatsvindt, moet een boete worden opgelegd.

     Onderhavig wetsvoorstel regelt dat de mogelijkheid tot het geven van een waarschuwing breder toepasbaar wordt dan de situatie hierboven beschreven. De regering zal in lagere regelgeving nader vastleggen in welke situaties een waarschuwing aan de orde kan zijn. In de artikelsgewijze toelichting zijn de situaties opgenomen waaraan wordt gedacht. Het geven van een waarschuwing blijft ook onder het onderhavige wetsvoorstel een bevoegdheid waarvan het bestuursorgaan gebruik kan maken. Ook wanneer een waarschuwing wordt gegeven, zal de te veel betaalde uitkering, ook bij (zeer) kleine bedragen, terugbetaald moeten worden.

 

3. Verhouding tot het strafrecht


     Met dit wetsvoorstel beoogt de regering tegemoet te komen aan

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.