blz. 1 

Kamerstukken II 2015-2016, 34 333

Wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Wet marktordening gezondheidszorg en de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met grensoverschrijdende zorg

 

 

Nr. 3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Beperken dekking Zvw tot Europa
3 Nationaal contactpunt
4 Bijdrage in buitenland wonende verdragsgerechtigden
5 Administratieve maatregelen en toezicht organen woon- en verblijfplaats
6 Verbindingsorgaan voor grensoverschrijdende zorg
7 Informatieverstrekking grensoverschrijdende zorg
8 Consultatie
9 Uitvoerbaarheid
10 Voorlichting
11 Financiële paragraaf
12 Gevolgen voor regeldruk en overige bedrijfseffecten
13 Grenseffectrapportage
14 Fraudetoets
xArtikelsgewijs
xx| Artikelen I t/m V

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Dit wetsvoorstel bevat enkele wijzigingen van de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Het wetsvoorstel heeft betrekking op grensoverschrijdende zorg. De wijzigingen vloeien voort uit ontwikkelingen die zich sinds de invoering van de Zvw hebben voorgedaan in de internationale regelgeving en uitvoeringspraktijk op het terrein van de zorg. Ook heeft de regering de wens om op het terrein van de grensoverschrijdende zorg tot kostenbesparingen te komen.

     Het wetsvoorstel bevat de volgende wijzigingen:
a. het beperken van de dekking van de zorgverzekering tot Europa (paragraaf 2);
b. het instellen van een nationaal contactpunt als bedoeld in de Patiëntenrichtlijn (paragraaf 3);
c. het specificeren en vereenvoudigen van de berekening en inning van de bijdrage van verdragsgerechtigden die in het buitenland wonen (paragraaf 4);
d. het nemen van diverse maatregelen met betrekking tot de administratie van en toezicht op zorg voor buitenlandse verzekerden en buitenlandse verdragsgerechtigden die in Nederland wonen (paragraaf 5);
e. het wettelijk regelen van de coördinerende rol van het Zorginstituut Nederland in de hoedanigheid van verbindingsorgaan voor grensoverschrijdende zorg (paragraaf 6);
f. het wettelijk regelen van informatieverstrekking over grensoverschrijdende zorg (paragraaf 7).

 

2. Beperken dekking Zvw tot Europa


     Op dit moment kent de Zvw een zogeheten werelddekking. De verzekerde heeft overal ter wereld jegens zijn zorgverzekeraar recht op de verzekerde zorg of op gehele of gedeeltelijke vergoeding van de kosten daarvan. In het regeerakkoord van het kabinet Rutte I is in het kader van een stringenter  blz. 2  pakketbeheer aangekondigd dat buiten de Europese Unie geen werelddekking voor zorg uit het basispakket meer zal gelden. Deze maatregel is overgenomen door het huidige kabinet. Dit wetsvoorstel voorziet in de geografische beperking van de dekking van de Zvw tot Nederland, de overige landen die behoren tot de Europese Unie (EU), de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland (hierna aangeduid als "Europa" of als "Europese landen"). Deze beperking van de dekking tot Europa past bij de noodzaak de kostenontwikkeling van zorg in Nederland en in het buitenland beter in de hand te houden. Zo wordt een bijdrage geleverd aan het borgen van de betaalbaarheid en daarmee de toegankelijkheid van het Nederlandse zorgstelsel. Zorgkosten in het buitenland kunnen in beginsel gedekt worden door het sluiten van een reisverzekering of een aanvullende verzekering.

     Onder Nederland dient in deze context het Europese deel van Nederland te worden verstaan. Het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) behoort sinds 10 oktober 2010 tot Nederland, maar de Zvw is daar niet van toepassing. Voor ingezetenen van Caribisch Nederland is op basis van artikel 18.4.1 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (IBES) voorzien in een eigen regeling voor ziektekosten. Hierbij is rekening gehouden met het territorialiteitsbeginsel in de sociale zekerheid. "Nederland" is voor de toepassing van het stelsel van sociale verzekeringen ook beperkt tot het grondgebied van Nederland binnen Europa. Het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, St. Eustatius en Saba behoort weliswaar sinds 10 oktober 2010 tot Nederland, maar de Zvw is, evenmin als andere Nederlandse wetgeving op het gebied van bijvoorbeeld de gezondheidszorg, de sociale zekerheid en de belastingen, op het grondgebied van die eilanden niet van toepassing. Evenals het geval is ten aanzien van de Wet langdurige zorg (Wlz), wordt in het kader van het voorliggende wetsvoorstel het Caribische deel van Nederland ten aanzien van verzekerden ingevolge de Zvw als "buitenland" aangemerkt. Dat geldt ook voor de andere landen van het Koninkrijk.

     Behalve in Nederland zal een verzekerde ook in de overige Europese landen gedekt zijn. De vergoeding van zorg in Europese landen vindt plaats volgens de in de Nederlandse wetgeving voorziene vergoedingsmodaliteiten. Dat vloeit voort uit Richtlijn 2011/24/EU ¹ (hierna te noemen: de Patiëntenrichtlijn). Dit betekent dat verzekerden met een restitutiepolis de kosten vergoed krijgen tot maximaal de Nederlandse marktconforme tarieven. Verzekerden met een naturapolis hebben aanspraak op zorg te verlenen door zorgaanbieders die daartoe door de zorgverzekeraar zijn gecontracteerd en in het geval men niet-gecontracteerde zorg inroept, op een door de zorgverzekeraar vast te stellen redelijke vergoeding. De vergoeding is gelijk, ongeacht of deze in Nederland of elders in Europa wordt ingeroepen. Daarnaast kunnen verzekerden zorg in Europa inroepen met toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 ² (hierna: de Europese socialezekerheidsverordening). Indien deze verordening wordt ingeroepen, gelden de tarieven en voorwaarden van het wettelijke ziektekostenstelsel van het land waar de zorg wordt ontvangen.

1. Richtlijn 2011/24/EU betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (2011/24/EU).
2. Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 200).

 blz. 3 
Uitzonderingen

     Het wetsvoorstel voorziet in een uitzondering voor verzekerden die zich buiten Europa bevinden omdat zij voor hun werkgever of uit hoofde van hun beroepswerkzaamheden daar moeten verblijven. Deze uitzondering geldt ook voor diplomaten of uitgezonden ambtenaren die in Nederland verzekerd blijven. Het is niet wenselijk dat deze personen wel premie betalen maar geen aanspraak op verzekerde prestaties zouden hebben in het land waar zij voor het verrichten van hun werkzaamheden moeten verblijven. Daarnaast acht de regering het onwenselijk de werkgever of betrokkene zelf met kosten van een extra ziektekostenverzekering te belasten, te meer in het geval de werkgever via de werkgeverspremie al bijdraagt aan de financiering van de Zvw. Eenzelfde uitzondering geldt voor de verzekerde gezinsleden die deel uitmaken van het huishouden van betrokkene en die zich samen met de betrokkene buiten Nederland bevinden.

     De beperking van de werelddekking tot het grondgebied van Europa is voorts niet van toepassing indien de verzekerde in Nederland zorg op basis van de Zvw wil ontvangen, maar deze zorg in Nederland of elders binnen Europa niet binnen een redelijke termijn verkrijgbaar is. De regering is van mening dat in dat geval de zorgverzekeraar tekort zou schieten in de vervulling van zijn zorgplicht. Daarom dient de zorgverzekeraar de desbetreffende zorg die buiten Europa wordt geleverd toch te vergoeden.


Overgangsrecht

     Zonder overgangsbepaling zouden verzekerden kunnen worden geconfronteerd met kosten die zij zelf moeten betalen, terwijl zij niet in de gelegenheid waren een adequate reisverzekering of aanvullende zorgverzekering af te sluiten. Het wetsvoorstel voorziet daarom in een overgangstermijn van maximaal één jaar voor verzekerden die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet tijdens een verblijf buiten Europa zorg hebben ingeroepen of op die dag over een recept, verwijzing of toestemming van de zorgverzekeraar voor de behandeling in het buitenland beschikten.


Bilaterale verdragen

     Nederland heeft met verschillende landen buiten Europa bilaterale verdragen gesloten die afspraken bevatten over de vergoeding van kosten van medische zorg bij tijdelijk verblijf. Het betreft Argentinië,¹ Australië, Bosnië en Herzegovina, Kaapverdië, Kosovo,² Macedonië, Marokko, Montenegro, Servië, Tunesië en Turkije. Verzekerden die tijdelijk in één van deze landen verblijven en medische zorg inroepen, hebben op basis van de geldende regelgeving een keuzerecht. Vergoeding is ofwel mogelijk op basis van de Zvw (naar maximaal de Nederlandse marktconforme tarieven) ofwel op basis van het verdrag voor rekening van Nederland (volgens de voorwaarden en tarieven van het betreffende verdragsland). Voor de beoogde geografische beperking van de vergoedingen is het daarom noodzakelijk om ook de verdragen met deze landen te wijzigen. Met uitzondering van de verdragen met Argentinië en  blz. 4  Australië ³ gaat het om bredere socialezekerheidsverdragen die ook afspraken bevatten over uitkeringen. De verdragsonderhandelingen met die landen worden, waar van toepassing, meegenomen in een breder onderhandelingspakket van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het terrein van stopzetten van de export van kinderbijslag en toepassing van het woonlandbeginsel.
     In dit kader wordt vermeld dat in september 2015 een politiek akkoord is bereikt met Marokko over de aanpassing van het socialezekerheidsverdrag, betreffende de aanspraken op medische zorg bij tijdelijk verblijf in dat land. Marokko heeft deze aanpassing aanvaard, maar heeft daarbij bedongen dat deze pas met ingang van 1 januari 2021 in werking zal treden.

1. Het verdrag met Argentinië wordt thans in de praktijk niet toegepast.
2. Het verdrag met Kosovo wordt thans in de praktijk niet toegepast.
3. De hier bedoelde verdragen met Argentinië en Australië bevatten alleen (wederkerige) afspraken over de vergoeding van kosten van medische zorg bij tijdelijk verblijf. Met deze landen moet worden overlegd of zij deze afspraken eenzijdig willen voortzetten. Als dat niet het geval is, zullen deze verdragen worden opgezegd. Er zijn overigens ook aparte verdragen met deze twee landen die afspraken bevatten op het terrein van uitkeringen, maar die verdragen hebben geen betrekking op dit wetsvoorstel.


Overige EU- en internationaalrechtelijke aspecten

     De voorgestelde beperking van de dekking tot Europa is geoorloofd in het licht van de gelijkebehandelingsverplichtingen in het kader van verdragen, waaronder de EU-associatieovereenkomsten. De maatregel geldt namelijk voor alle verzekerden. Er wordt geen direct onderscheid gemaakt naar bijvoorbeeld handicap, nationaliteit of leeftijd. De regering sluit niet uit dat sommige verzekerden door de maatregel meer geraakt of benadeeld zullen worden dan anderen. Het gaat dan om verzekerden die om wat voor reden dan ook (bijvoorbeeld wegens familiebanden of vanwege een voorkeur voor verre reisbestemmingen) verhoudingsgewijs vaker en langer buiten Europa verblijven dan anderen. Zij kunnen in financieel opzicht verhoudingsgewijs meer last van deze maatregel hebben. Dit is echter niet wezenlijk anders dan bij andere, inhoudelijke, aanpassingen van het verzekerde pakket. Er zijn altijd verzekerden die verhoudingsgewijs meer hinder ondervinden van aanpassingen omdat juist zij gebruik maken van de aanspraak die beperkt wordt. Voor zover sprake zou kunnen zijn van indirecte discriminatie, acht de regering deze objectief te rechtvaardigen. Als algemeen uitgangspunt geldt volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie dat de staat in beginsel vrij is het stelsel van gezondheidszorg naar eigen inzicht in te richten. Dat geldt ook voor uitbreiding en beperking van het verstrekkingenpakket. De beperking van de werelddekking is een legitieme maatregel die plaatsvindt in het kader van het streven naar een stringent pakketbeheer en de wens van de regering om de kostenontwikkeling van zorg in Nederland en in het buitenland beter in de hand te houden. Zo wordt een bijdrage geleverd aan het borgen van de betaalbaarheid en daarmee van de toegankelijkheid van het Nederlandse zorgstelsel. Gelet op het uitgangspunt van de Zvw om voor alle verzekerden toegankelijke en betaalbare basiszorg te garanderen, acht de regering het niet opportuun om vergoeding van ziektekosten die zijn gemaakt tijdens verblijf buiten Europa collectief te laten betalen.

     Wat betreft de betekenis van dit wetsvoorstel voor de bepalingen in verschillende EU-associatieovereenkomsten merkt de regering het volgende op. De EU heeft met een aantal landen associatieakkoorden gesloten. Deze akkoorden zijn verschillend van aard. Zo zijn er de Euro-Mediterrane Overeenkomsten met een aantal landen in het Middellandse Zeegebied, zoals Marokko en Tunesië. Deze akkoorden zijn gesloten in het kader van de versterking van het Middellandse Zeebeleid van de EU en leggen de basis voor hechtere samenwerking en geleidelijke  blz. 5  totstandkoming van een vrijhandelszone in overeenstemming met het WTO-verdrag [WTO: World Trade Organization, red.] tussen de EU en deze landen. Deze akkoorden bevatten in dat kader onder meer bepalingen over uitbreiding van de akkoorden tot liberalisering van het dienstenverkeer. Deze onderdelen zijn sindsdien echter niet verder uitgewerkt in nadere regelgeving en staan derhalve niet in de weg aan een beperking van de dekking van de Zvw tot Europa. Hetzelfde geldt voor de Stabilisatie- en Associatieovereenkomsten die de EU gesloten heeft met potentiële kandidaat-lidstaten. Deze overeenkomsten zijn een voorportaal voor toetredingsonderhandelingen, maar ook hier wordt nog geen vrij verkeer van diensten tussen de EU en de betreffende landen tot stand gebracht.

     Afzonderlijk vermeld wordt de relatie tussen de EU en Turkije. In de Overeenkomst tussen de EG en Turkije van 12 september 1963 ¹ zijn onder meer afspraken gemaakt over een gefaseerde liberalisering van het verkeer van werknemers, diensten en de vrijheid van vestiging. In dit kader is van belang dat het vrije dienstenverkeer en de vrijheid van vestiging ten opzichte van Turkije tot op heden niet zijn gerealiseerd. De Associatieraad heeft tot op heden - net als in relatie tot de associatieakkoorden in het kader van de Euro-Mediterrane Overeenkomst - geen gebruikgemaakt van de bevoegdheid om het ritme te bepalen waarin en de wijze waarop de partijen onderling geleidelijk de beperkingen met betrekking tot de vrijheid van het vrij verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging opheffen. Hierdoor bestaat er bij de huidige stand van de ontwikkeling van de associatie EU-Turkije geen bijzondere regeling op deze terreinen. Wel bevat artikel 41 van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst van de EG met Turkije ² een "standstillbepaling". Op grond hiervan mogen geen nieuwe beperkingen worden ingevoerd met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten. Dit wetsvoorstel raakt niet aan de vrijheid van vestiging omdat er geen maatregelen mee worden getroffen die het moeilijker maken voor personen uit Turkije om zich in de EU te vestigen. Wel is er een relatie met het vrije dienstenverkeer. Het wetsvoorstel beperkt immers de vergoeding van verzekerde zorg tot het grondgebied van de EU. Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden. Ten eerste de vrijheid van een Zvw-verzekerde persoon om een dienst (in dit geval medische zorg) te betrekken bij een in Turkije gevestigde zorgaanbieder. En ten tweede de vrijheid van die in Turkije gevestigde zorgaanbieder om medische zorg te verlenen aan een Zvw-verzekerde. Met betrekking tot de eerste variant, de zogenaamde "passieve" vrijheid van dienstverrichting die door het Europees Hof van Justitie is geïntroduceerd in het arrest "Luisi en Carbone",²* heeft het Hof in het arrest "Demirkan" ³ geoordeeld dat het begrip "vrij verrichten van diensten" in de "standstillbepaling" van artikel 41 van het Aanvullend Protocol niet deze "passieve" vrijheid van dienstverrichting omvat. Met betrekking tot de tweede variant, de "actieve" vrijheid van dienstverrichting, wordt opgemerkt dat dit wetsvoorstel een in Turkije gevestigde zorgaanbieder niet belet om op het grondgebied van de EU verzekerde zorg aan de Zvw-verzekerde te leveren. Wel belet het deze zorgaanbieder om in Turkije ten laste van de Zvw zorg aan een Zvw-verzekerde te leveren, maar hier is voor de zorgaanbieder geen grensoverschrijdend element aanwezig (immers, een  blz. 6  in Turkije gevestigde zorgaanbieder levert zorg in Turkije), waardoor er geen belemmering van het vrije dienstenverkeer kan optreden. De maatregel is vanwege het bovenstaande dan ook geoorloofd in het licht van de standstillbepaling van het EU-associatieakkoord met Turkije.
     Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat ook de besluiten die de Associatieraad heeft genomen in het kader van de gefaseerde liberalisering van het vrije verkeer van werknemers tussen de EU en Turkije niet in de weg staan aan de voorgestelde maatregel. Besluit nr. 1/80 is gericht op de geleidelijke integratie van Turkse werknemers in de lidstaat van ontvangst ³* en Besluit nr. 3/80 betreft de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de lidstaat van ontvangst op Turkse werknemers en hun gezinsleden. Het eindpunt van deze gefaseerde liberalisering van het vrije verkeer van werknemers is dat op Turkse werknemers die in een Europese lidstaat werken de sociale zekerheid van het land waar zij werken onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde omvang van toepassing is als op "Europese" werknemers. De in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregel ziet op de omvang van het aansprakenpakket van de Zvw voor alle Zvw-verzekerden, niet op de voorwaarden waaronder Turkse werknemers en hun gezinsleden aanspraken kunnen ontlenen aan de Zvw.

1. Overeenkomst van 12 september 1963 waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije (Trb. 1963, 184).
2. Aanvullend Protocol van 23 november 1970 bij de op 12 september 1963 te Ankara onderte-kende Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije (Trb. 1971, 70).
2*. Arrest van het Hof van Justitie van 31 januari 1984 in zaken 286/82 en 26/83 (Graziana Luisi en Giuseppe Carbone tegen Ministerie van de Schatkist), pt. 16.
3. Arrest van het Hof van Justitie van 24 september 2013 in zaak C-221/11 (Leyla Ecem Demirkan tegen Bundesrepublik Deutschland), pt. 63.
3*. Arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2015 in zaak C-171/13 (Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen Demirci e.a), pt. 48.

 

3. Nationaal contactpunt


     Een belangrijk aspect ter bevordering van grensoverschrijdende gezondheidszorg waarin de Patiëntenrichtlijn voorziet, is de informatievoorziening aan patiënten. Een manier om de informatievoorziening aan patiënten te waarborgen, is de instelling van een informatiepunt voor grensoverschrijdende zorg, ook wel het nationaal contactpunt (NCP) genoemd. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Patiëntenrichtlijn dienen alle lidstaten één of meer NCP's aan te wijzen.

     De taken en verplichtingen van het NCP zijn vastgelegd in de Patiëntenrichtlijn. Daarnaast kunnen taken voor het NCP zijn opgenomen in gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen die de Europese Commissie neemt op grond van deze Patiëntenrichtlijn. Deze taken betreffen hoofdzakelijk het verstrekken van algemene informatie aan patiënten over grensoverschrijdende zorg. Aan patiënten uit het buitenland zal de informatie voornamelijk bestaan uit informatie over kwaliteit van zorgaanbieders, patiëntenrechten, klachtenregelingen en rechtsmiddelen. Patiënten die naar het buitenland gaan, zullen hoofdzakelijk worden geïnformeerd over de vergoedingsmogelijkheden bij het ontvangen van zorg in een ander Europees land. Voor inhoudelijke informatie over de buitenlandse zorgverlening wordt doorverwezen naar de NCP's van de desbetreffende lidstaat.

     Met het Zorginstituut Nederland (hierna: Zorginstituut) ¹ is overeengekomen dat

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.