VOORSTEL VAN WET

 blz. 1  

Kamerstukken II 1992-1993, 22 824

Wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de overheidspensioenwetten en enkele andere wetten strekkende tot herziening van het arbeidsongeschiktheidscriterium, het binden van het uitkeringsrecht aan een termijn, aanpassing van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de leeftijd alsmede invoering van een stimuleringsmaatregel voor herintreding van arbeidsongeschikten (Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
1.1 Achtergrond en inhoud voorgestelde maatregelen
1.2 Wet TAV en wetsvoorstel TZ
1.3 Aanpassing van de Organisatiewet Sociale Verzekering (OSV) en sociaal-medische begeleiding
1.4 SER-advies
1.5 SVr-advies
1.6 ABP-, Spf- en CGOA-advies
1.7 Advies van de Raad voor de gemeentefinanciën
2 Arbeidsmarktparticipatie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten
2.1 Werkgelegenheidsaspecten
2.2 Werving en selectie
2.3 Sluitende aanpak jongere gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers
2.4 Beleid ten aanzien van oudere arbeidsongeschikten
3 Wijziging structuur en inrichting arbeidsongeschiktheidsregelingen; het arbeidsongeschiktheidscriterium
3.1 Het SER-advies met betrekking tot het arbeidsongeschiktheidscriterium
3.2 Het SVr-advies met betrekking tot de wijziging van het arbeidsongeschiktheidscriterium
3.3 Standpunt kabinet met betrekking tot het arbeidsongeschiktheidscriterium
4 Wijziging structuur en inrichting arbeidsongeschiktheidsregelingen; niveau en duur
4.1 Het SER-advies met betrekking tot het niveau en de duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
4.2 Het SVr-advies met betrekking tot het niveau en de duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
4.3 Standpunt kabinet
5 Wijziging structuur en inrichting arbeidsongeschiktheidsregelingen: tijdelijkheid uitkering en periodieke beoordeling
5.1 Het SER-advies over de tijdelijkheid en de periodieke beoordeling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
5.2 Het SVr-advies
5.3 Standpunt kabinet
6 Enkele specifieke aspecten
6.1 Samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid
6.2 Ministelsel
6.3 Risque social en risque professionnel
6.4 Samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering ter zake van werkloosheid
7 Overgangsrecht
7.1 Inleiding
7.2 Niveau van de uitkering
7.3 Arbeidsongeschiktheidscriterium
7.4 Tijdelijke uitkering en periodieke beoordeling
8 Stimuleringsmaatregel
8.1 Inleiding
8.2 Advies SVr
8.3 Standpunt kabinet
8.4 Inhoud van de maatregel
9 Doorvertaling WAO-maatregelen naar overheidssector
9.1 Inleiding
9.2 Wijziging van het arbeidsongeschiktheidscriterium
9.3 Invoering van een sanctie bij geen of onvoldoende medewerking
9.4 Het na een zekere periode verlagen van de aanvulling van het invaliditeitspensioen
9.5 Het van rechtswege beperken van de duur van de aanvulling tot vijf/drie jaar
9.6 Het bieden van een verhoging voor belanghebbenden aan wie een invaliditeitspensioen is toegekend dat minder bedraagt dan het minimumloon
9.7 Het mogelijk maken van samenloop van een invaliditeitspensioen met een ontslaguitkering
9.8 Het bieden van een stimuleringsuitkering voor een nader omschreven groep algemeen invaliden
9.9 Doorvertaling in de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet
9.10 Doorvertaling in de Algemene militaire pensioenwet
10 Volume- en financiële gevolgen
10.1 Inleiding
10.2 Introductie nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium
10.3 Niveauaanpassing WAO-uitkering
10.4 Additionele lasten in de werkloosheidssfeer
10.5 Aspecten met betrekking tot de overheidssector
10.6 Stimuleringsmaatregel
10.7 Uitvoeringskosten
10.8 Samenvatting volume- en financiële effecten
11 Internationale aspecten
11.1 Normverdragen
11.2 Niveau van de uitkering
11.3 Tijdelijkheid van de uitkering
11.4 Overgangsrecht met betrekking tot de bevriezing van de uitkering
11.5 Verenigbaarheid leeftijdscriterium met het gelijkheidsbeginsel
12 Gevolgen voor de uitvoeringsorganisatie, deregulering en gevolgen voor vrouwen
12.1 Gevolgen voor de uitvoeringsorganisatie
12.2 Justitieel apparaat en het bedrijfsleven
12.3 Gevolgen voor vrouwen
13 Evaluatie, onderzoek en voorlichting
13.1 Evaluatie en onderzoek
13.2 Voorlichting
xArtikelsgewijs
xxxx| Artikelen I t/m XXX
 

 

 

Algemeen

 blz. 4  

1. Inleiding


1.1. Achtergrond en inhoud voorgestelde maatregelen


     In de reeks van wetsvoorstellen die vorm moeten geven aan het beleid gericht op het terugdringen van het ziekteverzuim en het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen is dit wetsvoorstel het tweede dat het parlement bereikt.

     Op 1 maart 1992 is het eerste voorstel wet geworden. Het gaat hier om de Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume (Wet TAV, Stb. 1992, 82). In de Wet TAV worden vooral die wettelijke maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van het Najaarsakkoord van 2 oktober 1990 uitgewerkt, voor zover ten minste in dat akkoord een beroep werd gedaan op de wetgever.

     Realisatiegegevens over de volumeontwikkeling van de ZW [Ziektewet, red.] en de AAW/WAO [Algemene Arbeidsongeschiktheidswet/Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, red.] over 1990 en het eerste kwartaal 1991 leidden er in juni 1991 toe dat de oorspronkelijke ramingen dienden te worden bijgesteld.
     Deze bijstelling had tot gevolg dat in plaats van een daling met 65 000 à 70 000 uitkeringsjaren AAW/WAO een daling met circa 125 000 uitkeringsjaren diende te worden gerealiseerd om het niveau van 1989 (758 000 uitkeringsjaren) te kunnen bereiken. Het streven naar daling tot het niveau 1989 betreft de nadere kabinetsinvulling van het Regeerakkoord. Daarin is vastgelegd dat de doelstelling van het beleid is om zo snel mogelijk te komen tot een situatie waarin het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen in ieder geval niet meer groeit.

     De belangrijkste politieke conclusie van het kabinet verbonden aan de bijgestelde ramingen was dat niet (langer) ontkomen kon worden aan ingrijpende additionele maatregelen gericht op ombuiging van de nog zichtbaarder geworden trend. Voor het kabinet was de vraag óf er nog additionele wettelijke maatregelen noodzakelijk zouden zijn niet meer actueel; het ging nog om de vraag wélke additionele maatregelen getroffen moesten worden. Uit deze laatste vraag zijn na het wetsvoorstel TAV twee nieuwe wetsvoorstellen voortgekomen.

     Het derde wetsvoorstel, terugdringing ziekteverzuim (TZ), zal met name de wijzigingen in de Ziektewet (ZW) en het Burgerlijk Wetboek (BW) betreffen, alsmede het treffen van een analoge regeling voor het overheidspersoneel. Dat wetsvoorstel is op 20 november 1991 voor advies aangeboden aan de Sociale Verzekeringsraad (SVr). Op 19 maart jl. heeft de SVr zijn advies vastgesteld. Dat wetsvoorstel zal op korte termijn bij de Tweede Kamer kunnen worden ingediend.

     In dit kader dient ook te worden gewezen op de implementatie van de EG-kaderrichtlijn betreffende de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (89/391/EEG). Bij het wetsvoorstel ter zake (het wetvoorstel wijziging Arbowet [Arbeidsomstandighedenwet (oud), red.]) zal ook worden ingegaan op de mogelijkheden om uitvoering te geven aan de motie van het lid van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer, mw. Beijlen-Geerts, om te komen tot een verplichting voor de werkgevers vanaf 1 januari 1993 een vorm van bedrijfsgezondheidszorg beschikbaar te stellen aan alle werknemers (Kamerstukken II 1991-1992, 22 228, nr. 31). Dat wetvoorstel zal eveneens binnenkort aan de Tweede Kamer kunnen worden aangeboden. De Arboraad heeft zijn advies met betrekking tot dat wetsvoorstel (en de samenhang ervan met het wetsvoorstel TZ) vastgesteld op 16 april jl.

      blz. 5  Een wetsvoorstel dat nauw verband houdt met de problematiek van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid betreft het wetsvoorstel waarin een aanpassing van de organisatiestructuur voor de uitvoering van de sociale verzekeringen wordt geregeld. In paragraaf 1.3 zal nader op deze aanpassing van de Organisatiewet Sociale Verzekering (OSV) worden ingegaan.

     Het nu voorliggende wetsvoorstel terugdringing van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) betreft de kabinetsvoorstellen inzake de verdere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de (ambtelijke) invaliditeitspensioenregelingen.
     Belangrijke elementen uit dit wetsvoorstel zijn de volgende:
- Wijziging van het arbeidsongeschiktheidscriterium in de AAW, de WAO en de invaliditeitspensioenregelingen. Om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen, is het noodzakelijk aan te geven welke functies iemand nog kan verrichten. Voorgesteld wordt hierbij geen rekening meer te houden met het huidige uitgangspunt "met het oog op opleiding en vroeger beroep in billijkheid op te dragen". Het kabinet wil voortaan uitgaan van verdiensten uit alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Daarnaast stelt het kabinet voor dat de arbeidsongeschiktheid het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken dient te zijn (hoofdstuk 3 van de memorie van toelichting).
- Wanneer de verzekerde zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een wenselijk geachte opleiding of scholing (of wanneer hij onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan), zal er bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van worden uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond (paragraaf 3.3.2).
- Aanpassing van het niveau van de WAO- en de ambtelijke invaliditeitsuitkeringen. Hiertoe wordt een onderscheid geïntroduceerd tussen een loondervingsuitkering en een vervolguitkering. De loondervingsuitkering bedraagt - bij volledige arbeidsongeschiktheid - 70% van het dagloon. De duur van deze uitkering is afhankelijk van de leeftijd van de verzekerde bij instroom in de arbeidsongeschiktheidsregeling. De hoogte van de vervolguitkering wordt In belangrijke mate bepaald door de leeftijd bij instroom en door het niveauverschil tussen het oude loon en het minimumloon (hoofdstuk 4).
- De duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt van rechtswege in de tijd beperkt tot drie jaar. Om uitvoeringstechnische redenen wordt tot een nog nader te bepalen datum deze termijn echter vastgesteld op vijf jaar. Na het verstrijken van deze periode dient de uitkeringsgerechtigde voortzetting voor opnieuw drie/vijf jaar aan te vragen. Voorafgaand aan deze voortzetting zal een beoordeling door de uitvoeringsorganen plaatsvinden. Ook in gevallen waarin voor het eerst sprake is van een aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering dient betrokkene (drie maanden vóór de eventuele toetreding tot de AAW/WAO) een aanvraag bij de bedrijfsvereniging in te dienen. De uitvoeringsorganen wordt daarnaast opgedragen om ten aanzien van nieuwe instromers in de arbeidsongeschiktheidsregelingen een herbeoordeling binnen één jaar na de eerste toekenning te doen plaatsvinden (hoofdstuk 5).
- Invoering van een stimuleringsmaatregel voor een afgebakende groep arbeidsongeschikten (boven-50-jarigen die gedurende minimaal twee jaar onafgebroken recht op uitkering hebben gehad, vroeggehandicapten ingestroomd in de AAW vóór 1 januari 1987, WAO-ers ingestroomd vóór 1 januari 1987 en die op die datum 35 jaar of ouder  blz. 6  waren alsmede invaliditeitsgepensioneerden die - ingevolge de overgangsbepalingen in de artikelen XXI [XX] en XXV [XXIII] van dit wetsvoorstel - nog zijn aan te merken als de zogenaamde verdisconteringsgevallen) ter bevordering van de participatie op de arbeidsmarkt. Indien werkhervatting leidt tot bespaarde uitkeringsgelden, krijgt betrokkene gedurende drie jaar recht op een stimuleringsuitkering ter hoogte van bruto 60% van dit bespaarde bedrag.
     Uitbetaling hiervan geschiedt een keer per jaar, te weten één, twee en drie jaar nadat de arbeid is hervat. Het kabinet wil aan deze stimuleringsmaatregel een terugwerkende kracht geven, in die zin dat de maatregel betrekking heeft op personen die na 1 februari 1992 het werk hervatten. De maatregel zal (vooralsnog) werkzaam zijn tot 1 februari 1994 (hoofdstuk 8).

     Het overgangsrecht ten aanzien van de verschillende maatregelen is weergegeven in hoofdstuk 7 van deze memorie. In hoofdstuk 12 wordt aandacht besteed aan de gevolgen voor de uitvoeringsorganen.

     Het kabinet realiseert zich dat het voorliggende wetsvoorstel een aantal maatschappelijk zeer ingrijpende maatregelen omvat. Deze ingrepen zijn echter, in de visie van het kabinet, onontkoombaar. Het kabinet kan niet anders dan concluderen dat de hier voorgestelde maatregelen (in samenhang met de Wet TAV en de wetsvoorstellen TZ en wijziging Arbowet) noodzakelijk zijn, gelet op de onaanvaardbare ontwikkelingen met betrekking tot het beroep op de ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregelingen. De te hoge uitstroom uit het arbeidsproces en de te beperkte (re)integratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten in het arbeidsproces leiden tot te hoge collectieve lasten en tot een - zeker op langere termijn - scheefgroeiende verhouding tussen actieven en niet-actieven.

     Het volumebeeld in de jaren 1991-1992 laat een voortgaande, zij het afnemende, groei zien. In 1991 is weliswaar sprake van een stabilisatie van de instroom en een stijging van het aantal beëindigingen van het uitkeringsrecht, maar het aantal toekenningen overtreft het aantal beëindigingen met meer dan 20 000 personen. Ook het aantal uitkeringsjaren is in 1991 verder toegenomen. De omvang van de groei neemt echter af in

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.