Nederlandse vertaling:

 

Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek India

 

     Het Koninkrijk der Nederlanden

     en

     de Republiek India

     (hierna te noemen "de verdragsluitende staten"),

     Geleid door de wens de betrekkingen tussen beide landen op het gebied van sociale zekerheid te regelen; en

     Geleid door de wens het Verdrag op basis van wederkerigheid te sluiten;

     Dubbele verzekering en onverzekerdheid onder de stelsels voor sociale zekerheid van beide landen te voorkomen respectievelijk te vermijden voor personen die zich verplaatsen tussen of werken op hun onderscheiden grondgebieden;

     Te voorzien in de export van socialezekerheidsuitkeringen;

     Te waarborgen dat onderdanen van de ene verdragsluitende staat en onderdanen van de andere verdragsluitende staat op dezelfde wijze worden behandeld uit hoofde van de onderscheiden wetgeving van beide landen; en

     De samenwerking tussen de twee verdragsluitende staten te regelen ter waarborging van de handhaving van de wetgeving van het ene land in het andere;

     Zijn het volgende overeengekomen:

 

DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

    • a. „India” de Republiek India, en

      „Nederland” het Koninkrijk der Nederlanden;

    • b. „grondgebied”:

      • i. wat India betreft, het grondgebied van de Republiek India, en

      • ii. wat Nederland betreft, het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa;

    • c. „onderdaan”:

      • i. wat India betreft, een persoon met de Indiase nationaliteit, en

      • ii. wat Nederland betreft, een persoon met de Nederlandse nationaliteit;

    • d. „bevoegde autoriteit”:

      • i. wat India betreft, de minister van Indiase Zaken in het Buitenland, en

      • ii. wat Nederland betreft, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

    • e. „bevoegd orgaan”:

    • f. „wetgeving” de wet- en regelgeving omschreven in artikel 2;

    • g. „werknemer” een persoon die in dienstbetrekking staat tot een werkgever alsmede iedere persoon die krachtens de toegepaste wetgeving wordt aangemerkt als werknemer;

    • h. „uitkering” elk pensioen of elke uitkering in geld, met inbegrip van alle aanvullingen of verhogingen die van toepassing zijn uit hoofde van de wetgeving omschreven in artikel 2;

    • i. „gezinslid” iedere persoon die als zodanig wordt omschreven of aangemerkt door de van toepassing zijnde wetgeving;

    • j. „woonplaats” de woonplaats die als zodanig wordt omschreven of aangemerkt door de van toepassing zijnde wetgeving.

  • 2 Elke uitdrukking die niet wordt omschreven in het eerste lid van dit artikel heeft de betekenis die eraan wordt gegeven in de van toepassing zijnde wetgeving.

Artikel 2. Materiële werkingssfeer

Dit Verdrag is van toepassing,

  • a. wat India betreft, op alle wetgeving inzake:

    • i. ouderdoms- en nabestaandenpensioenen voor werknemers;

    • ii. het vaste pensioen bij volledige arbeidsongeschiktheid voor werknemers;

      en, uitsluitend wat betreft Deel II, de wetgeving inzake:

    • iii. de sociale zekerheid voor werknemers,

    en

  • b. wat Nederland betreft, op alle socialezekerheidswetgeving inzake:

    • i. ouderdom;

    • ii. arbeidsongeschiktheid;

    • iii. nabestaanden;

      en wat Deel II betreft, in aanvulling op socialezekerheidswetgeving inzake:

    • iv. ziekte (met inbegrip van de regeling inzake de aansprakelijkheid van een werkgever en uitkeringen in natura);

    • v. moederschap;

    • vi. werkloosheid;

    • vii. kinderbijslagen.

Artikel 3. Personele werkingssfeer

Tenzij anders aangegeven is dit Verdrag van toepassing op alle personen die onderworpen zijn of zijn geweest aan de wetgeving van een verdragsluitende staat alsmede op andere personen die rechten ontlenen aan deze personen.

Artikel 4. Gelijkheid van behandeling

Tenzij anders voorzien in dit Verdrag worden de personen omschreven in artikel 3, die gewoonlijk wonen op het grondgebied van een verdragsluitende staat bij de toepassing van de wetgeving van die verdragsluitende staat op dezelfde wijze behandeld als onderdanen van die verdragsluitende staat.

Artikel 5. Betaling van uitkeringen in het buitenland

  • 1 Tenzij anders voorzien in dit Verdrag beperkt of wijzigt een verdragsluitende staat uitkeringen die uit hoofde van zijn wetgeving zijn verworven niet uitsluitend op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van de andere verdragsluitende staat verblijft of woont.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de Nederlandse Toeslagenwet van 6 november 1986 en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten van 24 april 1997.

  • 3 Uitkeringen die uit hoofde van de wetgeving van een verdragsluitende staat betaalbaar worden gesteld, worden aan onderdanen van de andere verdragsluitende staat die wonen of verblijven op het grondgebied van een derde staat betaalbaar gesteld, onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde mate als aan onderdanen van de eerstgenoemde verdragsluitende staat die wonen of verblijven op het grondgebied van een derde staat.

DEEL II. VASTSTELLING VAN DE VAN TOEPASSING ZIJNDE WETGEVING

Artikel 6. Algemene bepalingen

Tenzij anders voorzien in dit Verdrag:

 

 

 

 

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.