1. Redactie: ingevolge artikel I, onderdeel P, van de Regeling van 21 december 2009, Stcrt. 2010, 34, is de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 met ingang van 1 april 2010 voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen.

 

 

 

Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2015   Intrekking Stb. 2014, 229 Stb. 2014, 271
01-11-2012   Wijziging Stcrt. 2011, 22458 Stcrt. 2011, 22458
26-07-2012 18-04-2011 Wijziging Stcrt. 2012, 14470 Stcrt. 2012, 14470
samen met
Stb. 2011, 516
01-07-2012   Wijziging Stcrt. 2012, 12825 Stcrt. 2012, 12825
01-01-2012   Wijziging Stcrt. 2011, 22477 Stcrt. 2011, 22477
  Wijziging Stcrt. 2011, 22458 Stcrt. 2011, 22458
01-09-2011 01-01-2011
art. 6
Wijziging Stcrt. 2011, 15683 Stcrt. 2011, 15683
01-04-2011   Wijziging Stcrt. 2010, 20388 Stcrt. 2010, 20388
01-02-2011   Wijziging Stcrt. 2010, 20388 Stcrt. 2010, 20388
01-01-2011   Wijziging Stcrt. 2010, 20388 Stcrt. 2010, 20388
  Wijziging Stcrt. 2010, 14890 Stcrt. 2010, 14890
24-12-2010 01-01-2010 Wijziging Stcrt. 2010, 20894 Stcrt. 2010, 20894
28-09-2010 01-04-2010
art. 2
Wijziging Stcrt. 2010, 14890 Stcrt. 2010, 14890
05-06-2010 01-04-2010 Wijziging Stcrt. 2010, 8248 Stcrt. 2010, 8248
01-04-2010 01-01-2010
art. 5a
Wijziging Stcrt. 2010, 34
Rectificatie in
Stcrt. 2010, 34R
Stcrt. 2010, 34
01-01-2009   Wijziging Stcrt. 2008, 253
(= 2732)
Stcrt. 2008, 253
(= 2732)
  Wijziging Stcrt. 2008, 249
(= 2383)
Stcrt. 2008, 249
(= 2383)
07-09-2008   Wijziging Stcrt. 2008, 172 Stcrt. 2008, 172
01-07-2008   Wijziging Stcrt. 2008, 113 Stcrt. 2008, 113
01-07-2007   Wijziging Stcrt. 2007, 122 Stcrt. 2007, 122
01-01-2007   Wijziging Stcrt. 2006, 248 Stcrt. 2006, 248
01-07-2006   Wijziging Stcrt. 2006, 105 Stcrt. 2006, 105
01-01-2006   Wijziging Stcrt. 2005, 249 Stcrt. 2005, 249
01-01-2005
art. 10g
Wijziging Stcrt. 2005, 246 Stcrt. 2005, 246
01-07-2003   Wijziging Stcrt. 2003, 122 Stcrt. 2003, 122
01-01-2003   Wijziging Stcrt. 2002, 246 Stcrt. 2002, 246
01-07-2002   Wijziging Stcrt. 2002, 116 Stcrt. 2002, 116
23-02-2002 01-01-2002 Wijziging Stcrt. 2002, 37 Stcrt. 2002, 37
01-01-2002   Wijziging Stcrt. 2001, 237 Stcrt. 2001, 237
01-07-2001   Wijziging Stcrt. 2001, 114 Stcrt. 2001, 114
  Wijziging Stcrt. 2001, 74 Stb. 2001, 317
19-04-2001 01-01-2001
artt. 8 en 8a
29-12-2000
art. 9
Wijziging Stcrt. 2001, 74 Stcrt. 2001, 74
01-04-2001   Wijziging Stcrt. 2001, 63 Stb. 2001, 144
01-01-2001   Wijziging Stcrt. 2000, 243 Stcrt. 2000, 243
01-07-2000   Wijziging Stcrt. 2000, 117 Stcrt. 2000, 117
01-01-2000   Nieuwe regeling Stcrt. 1999, 249 Stcrt. 1999, 249

 

 

20 december 1999/nr. SV/VP/99/78881
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
     Gelet op artikel 3, eerste lid, juncto artikel 9 Kaderwet SZW-subsidies en de artikelen 25, eerste lid, onderdeel f, 28, vijfde lid, en 86 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

     Besluit:

 

 

§ 1.  Algemene bepalingen

 

Art. 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
- AKW: Algemene Kinderbijslagwet;
- AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
- indicatiebesluit: een besluit van een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de AWBZ, onderscheidenlijk van de stichting, bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de AWBZ, waarbij beoordeeld wordt of en in welke omvang een zorgvrager ten behoeve van wie een aanvraag om een indicatiebesluit is ingediend, is aangewezen op één of meer vormen van zorg als bedoeld in artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit, onderscheidenlijk artikel 9, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg;
- kind: het kind, bedoeld in artikel 2;
- Minister van SZW: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- overige posten met betrekking tot de uitvoering van deze regeling: de uitgaven en ontvangsten met betrekking tot de interesten en ontvangsten;
- peildag: de eerste dag van een kwartaal zijnde 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober;
- SVB: Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- valutadag: de op de rekening-courantafschriften aangegeven dag van betaling;
- vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;
- Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

 

Art. 2. Kind
-1. Kind is de persoon die de leeftijd van 3 jaar maar nog niet die van 18 jaar heeft bereikt en die blijkens een geldig indicatiebesluit is aangewezen op tien of meer uren per week zorg als bedoeld in de artikelen 4, 5, 6, 8, 9 en 13 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, waarbij voor behandeling, begeleiding, verblijf of voortgezet verblijf een dagdeel geldt als vier uren en een etmaal als 24 uren.
-2. Met een indicatiebesluit als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een medisch advies van een door de SVB aan te wijzen onafhankelijke en daartoe deskundige organisatie, waaruit blijkt dat een persoon die de leeftijd van 3 jaar maar nog niet die van 18 jaar heeft bereikt en die in het buitenland woont, een vergelijkbare zorgbehoefte heeft als de persoon, bedoeld in het eerste lid.
-3. Met een indicatiebesluit als bedoeld in het eerste lid wordt wat betreft de zorg als bedoeld in artikel 8 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ die in verband met een zintuiglijke handicap wordt verleend, gelijkgesteld een verklaring afgegeven door een toegelaten ZG-zorgaanbieder met erkende deskundigheid, waaruit blijkt dat een persoon die de leeftijd van 3 jaar maar nog niet die van 18 jaar heeft bereikt, al dan niet in combinatie met een indicatiebesluit als bedoeld in het eerste lid, is aangewezen op tien of meer uren per week zorg als bedoeld in het eerste lid.

 

Art. 3. Vervallen.

 

 

§ 2.  Het recht op en de hoogte van een tegemoetkoming

 

Art. 4. Het recht op een tegemoetkoming
-1. De natuurlijke persoon die hier te lande woont en tot wiens huishouden het kind hier te lande op de peildag behoort, heeft over dat kwartaal recht op een tegemoetkoming ten behoeve van dat kind op grond van deze regeling, mits in dat kwartaal met betrekking tot het desbetreffende kind een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 2 geldt.
-2. Waar de natuurlijke persoon woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-3. Geen recht op een tegemoetkoming heeft de persoon:
a. die ten behoeve van het kind een Nederlandse of buitenlandse vergoeding ontvangt die qua doelstelling en hoogte vergelijkbaar is met de tegemoetkoming, bedoeld in deze regeling;
b.in wiens huishouden het kind op commerciële basis is opgenomen.in wiens huishouden het kind op commerciële basis is opgenomen.
-4. Geen recht op een tegemoetkoming heeft de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.
-5. In afwijking van het vierde lid heeft wel recht op een tegemoetkoming de vreemdeling die na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:
a. vóór de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.
-6. Het recht op een tegemoetkoming aan de vreemdeling, bedoeld in het vijfde lid, eindigt met ingang van de dag waarop:
a. onherroepelijk voor de vreemdeling negatief op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting op grond van de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

 

Art. 5. De hoogte van een tegemoetkoming
De tegemoetkoming voor het kind bedraagt €|215,80 per kwartaal.

 

Art. 5a. Extra tegemoetkoming
-1. Indien een persoon:
a. over de vier kwartalen van een kalenderjaar gerekend vanaf 1 januari 2010 recht heeft gehad op een tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5;
b. met betrekking tot dat kalenderjaar een partner heeft als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en
c. deze persoon of diens partner in dat kalenderjaar belastbare winst uit één of meer ondernemingen als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, belastbaar loon als bedoeld in artikel 3.80 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of belastbaar resultaat uit één of meer werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft genoten ¹ niet meer is dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
heeft deze persoon in aanvulling op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5, recht op een extra tegemoetkoming van €|1460,00 over dat kalenderjaar.
-2. Indien een persoon of diens partner voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, en recht heeft op meer dan één tegemoetkoming als bedoeld in artikel 5, heeft hij dan wel zijn partner recht op ten hoogste een extra tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid.
-3. De SVB betaalt de in het eerste lid bedoelde extra tegemoetkoming zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarover recht op de desbetreffende extra tegemoetkoming bestaat.

1. Volgens de redactie dient na "genoten" te worden ingevoegd: dat.

 

 

§ 3.  Het geldend maken van het recht op een tegemoetkoming

 

Art. 6. De aanvraag [BbS06] [BbS07] [BbS08] [BbS09] [BbS10] [BbS11] [BbS13] [BbS14]
-1. De SVB stelt op aanvraag vast of recht op een tegemoetkoming bestaat.
-2. De aanvraag wordt ingediend door middel van een door de SVB beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
-3. Bij de aanvraag wordt het indicatiebesluit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, overgelegd, tenzij de SVB het medisch advies, bedoeld in artikel 2, tweede lid, inwint.
-4. De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt mede op grond van de door een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de AWBZ, onderscheidenlijk een stichting als bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de AWBZ, aan de SVB verstrekte gegevens indien dat wettelijk is toegestaan. In dat geval wordt bij de aanvraag het indicatiebesluit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, overgelegd indien de SVB daarom verzoekt.
-5. De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5, kan niet eerder ingaan dan de eerste dag van het kwartaal tijdens welk de aanvraag om een tegemoetkoming werd ingediend. De SVB is bevoegd in bijzondere gevallen van de eerste zin af te wijken.
-6. Indien de SVB medisch advies als bedoeld in artikel 2, tweede lid, inwint, geschiedt de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van het vierde lid mede op grond van dit advies. Het derde en vijfde lid zijn niet van toepassing.
-7. De aanvraag om de extra tegemoetkoming wordt ingediend vóór 1 december van het kalenderjaar na het kalenderjaar waarover recht op de extra tegemoetkoming bestaat.

 

Art. 7. Vervallen.

 

Art. 8. Wetsbepalingen van overeenkomstige toepassing [BbS06] [BbS07] [BbS08] [BbS09] [BbS10] [BbS11] [BbS13] [BbS14]
-1. De artikelen 14a tot en met 16, 18, 19, 19a, 20, 21a, 22 tot en met 24, 24a, eerste lid, 24b, 24c, 24d, 29d, 30 en 31 van de AKW en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de tegemoetkomingen, bedoeld in de artikelen 5 en 5a, met dien verstande dat in artikel 18, eerste lid, van de AKW met betrekking tot de extra tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5a, voor het kwartaal wordt gelezen: het kalenderjaar.
-2. De artikelen 35, zesde lid, 38, tweede lid, 46, 48, 49 en hoofdstuk 9 van de Wet SUWI en artikel 121 van de Wet financiering sociale verzekeringen zijn van overeenkomstige toepassing bij de uitvoering van deze regeling.

 

Art. 8a. Beslistermijn [BbS06] [BbS07] [BbS08] [BbS09] [BbS10] [BbS11] [BbS13] [BbS14]
-1. De SVB stelt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag vast of recht op een tegemoetkoming bestaat.
-2. Indien de SVB niet in staat is tijdig een besluit te nemen, stelt de SVB de aanvrager daarvan in kennis en kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste vier weken worden verlengd.

 

Art. 9. Verrekening
De SVB kan een aan een persoon ten onrechte betaalde tegemoetkoming als bedoeld in de artikelen 5 en 5a, verrekenen met een andere tegemoetkoming of met de kinderbijslag die die persoon of een andere persoon die tot dat huishouden behoort voor een kind ontvangt. [BbS06] [BbS07] [BbS08] [BbS09] [BbS10] [BbS11] [BbS13] [BbS14]

 

 

§ 4.  De financiering

 

Art. 10. Algemene bepalingen
-1. In de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling wordt voorzien door het Rijk.
-2. De SVB beheert en administreert afzonderlijk de middelen, bedoeld in het eerste lid.
-3. Met inachtneming van artikel 10a, eerste lid, brengt de SVB de uitgaven voor de tegemoetkomingen en de uitvoeringskosten van de SVB in rekening bij de Minister van SZW.

 

Art. 10a. Raming baten en lasten
-1. Vóór 1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB aan de Minister van SZW in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot deze regeling, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.
-2. De uitkeringslasten in de opgave, bedoeld in het eerste lid, worden gespecificeerd naar tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 5 en extra tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 5a.

 

Art. 10aa. Vervallen.

 

Art. 10b. Betaling voorschot
-1. De Minister van SZW stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, van de Regeling Wfsv, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 10a, van:
a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de eerste dag van elke maand; en
b. een twaalfde deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
-2. De Minister van SZW kan, na overleg met het SVB, van de in het eerste lid, onderdeel a en b, bedoelde bedragen afwijken.

 

Art. 10c. Vervallen.

 

Art. 10d. Vervallen.

 

Art. 10e. Afrekening
-1. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, uitgesplitst naar tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 5 en extra tegemoetkomingen als bedoeld in artikel artikel 5a en uitvoeringskosten, met betrekking tot deze regeling opgenomen.
-2. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van SZW de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.

 

Art. 10f. Vervallen.

 

Art. 10g. Accountantsverklaring
Artikel 16, eerste lid, van de Algemene Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing op verstrekking van tegemoetkomingen krachtens deze regeling.

 

 

§ 5.  Overgangs- en slotbepalingen

 

Art. 11. Wijziging wettelijke grondslag
Deze regeling berust mede op de artikelen 121, tweede lid, en 122 van de Wet financiering sociale verzekeringen.

 

Art. 12. Overgangsrecht
-1. Tot 1 oktober 2010 wordt onder kind mede verstaan de persoon die de leeftijd van 3 jaar maar nog niet die van 18 jaar heeft bereikt en ten behoeve van wie over het eerste kwartaal van 2010 op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 recht op tegemoetkoming bestond en ten behoeve van wie dat recht niet met ingang van 1 april 2010 op grond van genoemde regeling is beëindigd. Voorts wordt tot 1 oktober 2010 onder kind verstaan de persoon die de leeftijd van 3 jaar maar nog niet die van 18 jaar heeft bereikt en ten behoeve van wie in het vierde kwartaal van 2009 of in het eerste kwartaal van 2010 is bepaald dat met ingang van 1 april 2010 recht bestaat op een tegemoetkoming op grond van genoemde regeling.
-2. De persoon tot wiens huishouden een kind behoort en ten behoeve van welk kind over het eerste kwartaal van 2010 recht op tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 bestond, maar ten behoeve van wie geen recht op tegemoetkoming bestaat over het vierde kwartaal van 2010 omdat er in dat kwartaal geen indicatiebesluit geldt als bedoeld in artikel 2, heeft over het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2011 recht op een uitkering die per kwartaal de helft bedraagt van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5.
-3. Indien een persoon recht heeft op een uitkering als bedoeld in het tweede lid en met ingang van 1 januari 2011 recht heeft op een tegemoetkoming, heeft, in afwijking van het tweede lid, over dat kwartaal geen recht op uitkering.
-4. Voor de toepassing van de paragrafen 3 en 4 wordt de uitkering, bedoeld in het tweede lid, gelijkgesteld met de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 5.
-5. Paragraaf 4 van deze regeling, zoals die luidde op de dag vóór inwerkingtreding van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor Jeugd en Gezin tot wijziging van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 in verband met de wijziging van de indicatiestelling en de invoering van een extra tegemoetkoming voor alleenverdieners, blijft van toepassing met betrekking tot tegemoetkomingen die in 2009 en in het eerste kwartaal van 2010 zijn verstrekt.

 

Art. 12a. Overgangsrecht artikel 2, derde lid
-1. De tegemoetkoming die wordt toegekend naar aanleiding van een aanvraag waarbij een verklaring als bedoeld in artikel 2, derde lid, wordt overgelegd, kan, in afwijking van artikel 6, vijfde lid, ingaan vanaf de eerste dag van het tweede kwartaal 2011.
-2. De aanvraag om een tegemoetkoming waarbij een verklaring als bedoeld in artikel 2, derde lid, wordt overgelegd en die met terugwerkende kracht betrekking heeft op kwartalen vanaf het tweede kwartaal 2011 wordt ingediend vóór 1 januari 2013.

 

Art. 13. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2000. [BbS02] [BbS03] [BbS04] [BbS05]

 

Art. 14. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen.

 

 

's-Gravenhage, 20 december 1999.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

TOELICHTING
[20 december 1999]

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Deze regeling dient ter vervanging van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen (TOG). Aanleiding hiervoor zijn de resultaten van de evaluatie van de TOG.
     De TOG kwam in 1997 tot stand na een al jaren durende discussie over de hoge kosten van onderhoud waarmee ouders die een gehandicapt kind thuis verzorgen, worden geconfronteerd. Op 23 februari 1995 werd in dit verband unaniem door de Tweede Kamer een motie aanvaard (motie-Giskes, Kamerstukken II 1994-1995, 23 795, nr. 7), waarin kort samengevat de regering gevraagd werd de financiële positie van ouders met thuiswonende gehandicapte kinderen te bezien en met conclusies en voorstellen te komen. Een werkgroep onder de verantwoordelijkheid van de destijds zogeheten Interdepartementale Stuurgroep Gehandicaptenbeleid (ISG) werd verzocht om na te gaan of, en zo ja, welke mogelijkheden er waren om ouders met een thuiswonend gehandicapt kind tegemoet te komen. De werkgroep concludeerde dat bestaande wet- en regelgeving onvoldoende mogelijkheden voor een regeling bood en formuleerde vervolgens een aantal uitgangspunten waaraan een eventueel te treffen regeling zou moeten voldoen. Deze uitgangspunten werden in een advies van de ISG aan de Staatssecretarissen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) opgenomen. Dit advies vormde de basis voor de TOG.
     De ISG adviseerde ook met de start van de regeling een evaluatieonderzoek te starten bij de gezinnen die er gebruik van zouden maken. De verplichting voor deze evaluatie werd opgenomen in artikel 13 van de TOG. Gedurende het jaar 1998 heeft onderzoeksbureau Research voor Beleid te Leiden de doeltreffendheid en effecten van de regeling in de praktijk onderzocht. Op 27 januari 1999 werd het eindrapport van het onderzoek uitgebracht. Bij brief van 20 mei 1999 heb ik de Tweede Kamer het eindrapport aangeboden, vergezeld van een kabinetsstandpunt naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek. Daarin werd een aanpassing van de TOG aangekondigd.
     De Tweede Kamer heeft met het uitgebrachte kabinetsstandpunt ingestemd (Kamerstukken II 1998-1999, 24 170, nr. 44).
     Uit de resultaten van de evaluatie is gebleken dat de TOG door de aanvragers als een zinvolle financiële tegemoetkoming (de eerste doelstelling van de TOG) wordt ervaren. Verder is gebleken dat de regeling positief wordt ervaren als maatschappelijke waardering voor de verleende thuiszorg (de tweede doelstelling van de TOG). De regeling blijkt duidelijk in een behoefte te voorzien. Eind 1998 waren ruim 11 000 aanvragen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) geregistreerd. In verband daarmee wenst het kabinet de TOG een definitief karakter te geven. Gelet hierop zou het voor de hand gelegen hebben (zoals ook reeds werd gesuggereerd in de toelichting bij artikel 13 van de TOG) als de regeling in een formele wet zou worden vastgelegd. Op initiatief van de Staatssecretaris van VWS is recentelijk echter een interdepartementaal onderzoek gestart naar de mogelijkheden van het introduceren van een zogenaamde integratietegemoetkoming in Nederland. De integratietegemoetkoming zou moeten dienen ter ondersteuning van gehandicapten en chronisch zieken in hun dagelijks bestaan. De vraag of een dergelijke tegemoetkoming een meerwaarde kan hebben, raakt ook het terrein van de TOG. Het kabinet wil met de besluitvorming omtrent het niveau van regelgeving van de TOG niet vooruitlopen op besluitvorming omtrent een integratietegemoetkoming. Vooralsnog wordt de nieuwe TOG derhalve ook een ministeriële regeling, gebaseerd op de Kaderwet SZW-subsidies.
     De doelstelling van de TOG blijft ten eerste het bieden van een financiële tegemoetkoming in de kosten van het thuis verzorgen van een gehandicapt kind en ten tweede het geven van een blijk van waardering voor die thuiszorg.
     De belangrijkste wijzigingen in de TOG als gevolg van de onderzoeksresultaten betreffen de doelgroep en de medische voorwaarden die worden gesteld om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Dit zijn dermate essentiële onderdelen van de TOG dat ervoor gekozen is de TOG in zijn geheel te vervangen door onderhavige regeling.
     Alvorens op de nieuwe regeling zelf in te gaan, worden in het navolgende de belangrijkste inhoudelijke resultaten van de evaluatie weergegeven.

 

2. Onderzoeksresultaten met betrekking tot de uitvoering en inhoud van de TOG


2.1. Criteria TOG


     Zowel aanvragers als uitvoerders hadden kritiek op de indeling in categorieën gehandicapten en de criteria die op grond van de regeling daaraan werden gesteld.
     De kritiek kwam samengevat op het volgende neer:
- Het onderscheid in twee categorieën, met een hoog en een laag niveau van tegemoetkoming, werd onrechtvaardig gevonden. De kosten voor het verzorgen van meervoudig gehandicapten zouden niet per definitie hoger zijn dan voor ernstig lichamelijk gehandicapten en chronisch zieken.
- Niet alle gehandicapte kinderen zouden in één van de twee categorieën te plaatsen zijn, terwijl zij volgens de geest van de regeling wel tot de doelgroep zouden moeten behoren. Verstandelijk gehandicapten waren per definitie uitgesloten van het recht op een tegemoetkoming ingevolge de TOG, maar een aantal van deze kinderen zou minstens zo hulpbehoevend zijn als meervoudig of ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen.
- De voorwaarde dat het kind op grond van zijn beperkingen aanspraak zou kunnen maken op opname in een in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of in de daarop berustende bepalingen geregelde intramurale inrichting, bleek in de praktijk nauwelijks invloed te hebben op het al dan niet toekennen van een aanvraag. Daarentegen werden in de praktijk ook geen negatieve gevolgen van deze bepaling ondervonden.
- Sommige criteria werden door de uitvoerders multi-interpretabel genoemd. Zij zouden ruimte laten voor subjectiviteit van de (indicerend) arts.
- De criteria, vooral de aanvullende criteria, werden als streng aangemerkt.

 

2.2. Uitvoering en indicatiestelling


     Een meerderheid van zowel de toegewezen als de afgewezen aanvragers beoordeelde de wijze van uitvoering van de TOG door de SVB en de indicatiestelling door het orgaan waarmee de SVB in verband hiermee een contract heeft afgesloten, positief.

 

3. Een nieuwe regeling naar aanleiding van de resultaten van de evaluatie


     De kritiek van aanvragers en uitvoerders op de indeling in categorieën gehandicapten en de criteria die daaraan werden gesteld, hebben aanleiding gegeven voor een nieuwe regeling. In de navolgende onderdelen wordt op de inhoud van de nieuwe regeling ingegaan.

 

3.1. Doelgroep


     Evenals dat in de oorspronkelijke regeling het geval was, zal de nieuwe regeling van toepassing zijn op kinderen die gelet op hun beperkingen aanspraak kunnen maken op opname in een in de AWBZ of in de daarop berustende bepalingen geregelde intramurale inrichting. Uit het evaluatieonderzoek is weliswaar gebleken dat deze voorwaarde in de praktijk nauwelijks invloed had op het al dan niet toekennen van een aanvraag. Daarentegen werden ook geen negatieve gevolgen van deze bepaling ondervonden. De bepaling is wederom in de regeling opgenomen, omdat hiermee de substituutwerking van de TOG-regeling voor opname in een AWBZ-inrichting tot uitdrukking blijft komen. De sociale factoren die meespelen bij de indicatie voor opname in een intramurale voorziening spelen, evenmin als dat bij de oorspronkelijke TOG het geval was, een rol.
     Op grond van de oorspronkelijke TOG-regeling bestond voor kinderen met alleen een stoornis van verstandelijke of geestelijke aard geen recht op een tegemoetkoming. Een aantal van deze kinderen blijkt echter minstens zo hulpbehoevend of zorgafhankelijk te zijn als de kinderen waarvoor wel recht op een tegemoetkoming bestond. Het kabinet heeft gelet hierop gemeend tot een andere omschrijving van de doelgroep te moeten komen. In de nieuwe omschrijving van de doelgroep wordt geen onderscheid gemaakt naar de aard van de ziekte of stoornis. Het uitgangspunt in de nieuwe regeling is een bepaalde mate van zorgafhankelijkheid als gevolg van de beperkingen in het dagelijks functioneren die veroorzaakt worden door een ziekte of stoornis, ongeacht de aard van die ziekte of stoornis. Anders gezegd houdt dit in dat de regeling in beginsel toegankelijk is voor ouders of verzorgers van een kind dat ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard, waardoor het in een bepaalde mate zorgafhankelijk is. Een dergelijke omschrijving van de doelgroep bevat begrippen die thans reeds in andere wetten (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen (WAZ) en Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)) worden gehanteerd en waarover duidelijkheid in de uitvoering bestaat.
     Het gaat ook in de TOG 2000 met nadruk om ernstig gehandicapte kinderen die zeer veel extra inzet van de ouders of verzorgers vragen. Deze extra inzet komt tot uitdrukking in de vorm van daadwerkelijk meer hulp (in vergelijking met gezonde leeftijdsgenoten) bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen of min of meer continu toezicht.
     De handicap dient blijvend of voorlopig blijvend te zijn. De handicap kan weliswaar op termijn, bijvoorbeeld door gevolgde therapieën, verminderen. Het gevolg hiervan kan zijn dat bij een nieuwe medische indicatie een negatief advies wordt uitgebracht met als gevolg dat het recht op tegemoetkoming wordt beëindigd. De SVB kan op grond van artikel 7 een nieuw medisch advies inwinnen.

 

3.2. Voorwaarden


     Aan de hand van de begrippen "geregelde verzorging" en "geregelde oppassing" - begrippen die ook in WAO, WAZ en Wajong worden gebruikt bij de toepassing van de verhoging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij zorgafhankelijkheid - wordt de mate van zorgafhankelijkheid beoordeeld. Deze beoordeling zal plaatsvinden aan de hand van een methode van vaststelling van de graad van zelfredzaamheid dan wel zorgafhankelijkheid waarvoor het Belgische integratietegemoetkomingenstelsel als voorbeeld heeft gediend. Of sprake is van "geregelde verzorging" of "geregelde oppassing" wordt aan de hand van beoordelingsthema’s vastgesteld. Zo wordt voor "geregelde verzorging" nagegaan of en in welke mate het kind afhankelijk is van verzorging op het terrein van lichaamshygiëne, zindelijkheid, eten en drinken, mobiliteit (uit hoofde van motorische of energetische beperkingen) en noodzakelijk te verrichten medische handelingen. Voor "geregelde oppassing" wordt nagegaan of en in welke mate noodzaak tot oppassing bestaat in verband met gedrag, communicatie, alleen thuis kunnen zijn, begeleiding buitenshuis en het zichzelf bezig kunnen houden.
     Voor elk van de beoordelingsthema’s wordt beoordeeld of het kind in sterke mate, in lichte mate, dan wel niet afhankelijk is van hulp. De som van deze beoordeling per thema leidt tot een totaalbeeld van de mate van zorgafhankelijkheid.
     De concrete uitwerking van de begrippen wordt overgelaten aan de SVB (de SVB zal aan de hand van de gegeven criteria beleidsregels vaststellen) en de organisatie die de SVB van medisch advies dient.
     Bij de uitwerking wordt ernaar gestreefd de kans op interpretatieverschillen tussen individuele artsen - één van de kritiekpunten die uit de evaluatie van de oorspronkelijke TOG-regeling naar voren kwam - tot een minimum te beperken.
     De leeftijdsgrenzen van het gehandicapte kind zijn in de nieuwe regeling niet veranderd ten opzichte van de oude regeling. Het gaat derhalve nog steeds om kinderen van 3 tot 18 jaar. De grens van 18 jaar komt overeen met de minimumleeftijdsgrens die wordt aangehouden voor het recht op een Wajong-uitkering. De ondergrens van 3 jaar is gesteld, omdat kan worden aangenomen dat kinderen tot 3 jaar, ook als zij volledig gezond zijn, in het algemeen afhankelijk zijn van oppassing en verzorging. Dit wordt dan niet veroorzaakt door een handicap, maar door de leeftijd van het kind. Van een kind jonger dan 3 jaar kan bovendien niet in alle gevallen al bepaald worden of het behoort tot de doelgroep.
     Nieuw in de TOG 2000 is de vergelijking met een gezond kind van dezelfde leeftijd in artikel 3. Niet ondenkbaar is immers dat een volledig gezond kind van bijvoorbeeld 3 of 4 jaar ook nog volledig afhankelijk is van oppassing en verzorging door een derde. In de vergelijking wordt aangegeven dat het te beoordelen kind veel afhankelijker moet zijn van geregelde oppassing of verzorging door een derde dan een gezonde leeftijdsgenoot om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen.
     Indien in een gezin meerdere kinderen voorkomen die voldoen aan de in deze regeling genoemde voorwaarden, bestaat voor ieder kind recht op de tegemoetkoming.

 

3.3. Eén uitkeringsniveau


     In de oorspronkelijke TOG-regeling werden twee doelgroepcategorieën onderscheiden, met een hoge en een lagere tegemoetkoming. Verondersteld werd dat - gelet op de ernst van de handicap - de ene categorie in sterkere mate met extra kosten werd geconfronteerd dan de andere categorie, hetgeen een verschil in niveau van tegemoetkoming zou rechtvaardigen.
     Uit de evaluatie is gebleken dat de veronderstelling niet juist is geweest. De kosten voor de ene categorie liggen niet per definitie hoger dan voor de andere categorie. In verband hiermee is het onderscheid in categorieën in voorliggende regeling komen te vervallen. Voorts heeft het kabinet gemeend uit oogpunt van eenvoud ook geen andere differentiatie in deze regeling te moeten aanbrengen. In deze regeling is slechts één uitkeringsniveau opgenomen, het in de vorige regeling hoogste niveau. Het bedrag wordt op dezelfde wijze en op dezelfde momenten als dat ten behoeve van de kinderbijslag op grond van artikel 13, eerste en tweede lid, van de AKW gebeurt, aangepast aan de ontwikkeling van het algemene prijsniveau. Dit gebeurt door middel van een ministeriële regeling waarin artikel 5 wordt gewijzigd.

 

4. Uitvoering


     De uitvoering van de regeling wordt verzorgd door de SVB. De SVB stelt op aanvraag vast of recht op een tegemoetkoming ingevolge deze regeling bestaat. De aanvraagformulieren worden door de SVB beschikbaar gesteld.
     Voor de vaststelling van de mate van zorgafhankelijkheid, de indicatie, wint de SVB medisch advies in bij een externe organisatie. Ten behoeve van de medische advisering heeft de SVB een contract afgesloten met een landelijk opererende, onafhankelijke en deskundige organisatie. Deze organisatie heeft de instemming van de Minister van VWS, die als deskundige en voor dit onderdeel verantwoordelijke bewindspersoon ook de kosten voor de indicering draagt.
     De gunstige onderzoeksresultaten op het gebied van de wijze van uitvoering van de TOG hebben geen aanleiding gegeven hierin in deze nieuwe regeling een verandering aan te brengen.

 

5. Handhaafbaarheid/Toezicht


     Voor een aantal bepalingen, zoals de toetsing van de rechtmatigheid van de uitgaven in het kader van deze regeling, wordt een relatie gelegd met de Osv 1997 [zie Wet SUWI, red.]. Onderhavige regeling is mede gebaseerd op artikel 25, eerste lid, onderdeel f, van de Osv 1997 [zie artikel 34, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI, red.]. Als gevolg hiervan is de SVB bevoegd deze regeling uit te voeren. Hiermee is tevens geregeld dat het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) [zie Inspectie Werk en Inkomen (IWI), red.] toezicht uitoefent op de uitvoering van deze regeling.
     De bepalingen van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) zijn wat betreft de handhaving en het toezicht van overeenkomstige toepassing op de regeling. In grote lijnen zal het toezicht dan ook op dezelfde wijze geschieden als met betrekking tot de AKW het geval is.

 

6. Belastingvrije tegemoetkoming


     De tegemoetkoming is uitgezonderd van het inkomensbegrip van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 [zie Wet inkomstenbelasting 2001, red.].
     Voorts wordt de tegemoetkoming voor de toepassing van andere wetten ook niet als inkomen aangemerkt. De tegemoetkoming dient immers ter (gedeeltelijke) bestrijding van de extra kosten die ouders hebben in verband met de zorg voor een gehandicapt kind.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1. Definities

     Het eerste artikel van deze regeling geeft een aantal definities van termen die in deze regeling worden gebruikt. Anders dan in de AKW is in deze regeling de term peildag opgenomen. Doel hiervan is expliciet duidelijk te maken dat de eerste dag van een kalenderkwartaal bepalend is voor het recht op een tegemoetkoming. Impliciet blijkt hieruit dat de tegemoetkoming een kalenderkwartaalsystematiek kent.

 

Artikelen 2 en 3. Kind en gehandicapt

     In artikel 2 wordt gedefinieerd wat voor de toepassing van deze regeling onder kind wordt verstaan. Hiertoe zijn een tweetal vereisten van belang. Ten eerste de leeftijd en ten tweede het feit dat er sprake moet zijn van het ernstig beperkt zijn in het dagelijks functioneren van het kind als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard waardoor het kind blijvend of voorlopig blijvend gehandicapt is.
     Ten aanzien van de leeftijdseisen wordt voor een nadere toelichting verwezen naar punt 3.2 van het algemeen deel van deze toelichting.
     In aanvulling op hetgeen reeds is opgemerkt in punt 3.2 van het algemeen deel van deze toelichting wordt ten aanzien van de tweede voorwaarde nog het volgende opgemerkt: Onder "beperkt in het dagelijks functioneren" wordt hier (zoals internationaal te doen gebruikelijk is) in deze regeling verstaan: iedere vermindering of afwezigheid van de mogelijkheid tot een voor de mens normale activiteit wat betreft basisvaardigheden (bijvoorbeeld zitten, lopen of staan) en wat betreft meer complexe vaardigheden. Dergelijke beperkingen leiden tot de handicap, dat wil zeggen de nadelige positie van iemand waardoor de normale rolvervulling (gelet op zijn leeftijd, geslacht, sociaal-culturele achtergrond) wordt begrensd of verhinderd.
     Voor het recht op een tegemoetkoming op grond van deze regeling wordt, zoals al eerder opgemerkt, om te beoordelen of een kind gehandicapt is, met name gelet op het afhankelijk zijn van geregelde verzorging (bijvoorbeeld op het terrein van: lichaamshygiëne, zindelijkheid, eten en drinken, mobiliteit en noodzakelijk te verrichten medische handelingen) en de noodzaak tot oppassing (bijvoorbeeld in verband met gedrag, communicatie, alleen thuis kunnen zijn, begeleiding buitenshuis en het zichzelf bezig kunnen houden) van het kind in vergelijking met kinderen van dezelfde leeftijd. Dergelijke beoordelingen zijn zeer casuïstisch en lenen zich niet goed om in wetgeving vast te leggen. Daarom zullen door de SVB, aan de hand van de gegeven criteria, beleidsregels worden vastgesteld.
     Ten slotte is naast het feit dat het kind afhankelijk is van geregelde verzorging of oppassing, om te bepalen of het blijvend of voorlopig blijvend gehandicapt is, van belang of het kind gelet op zijn beperkingen aanspraak kan maken op opname in een in de AWBZ of in de daarop berustende bepalingen geregelde intramurale instelling.

 

Artikel 4. Het recht op een tegemoetkoming


Eerste en tweede lid

     Zoals al eerder is opgemerkt, is deze regeling onder andere bedoeld om personen (zowel ouders als verzorgers) die ervoor kiezen hun gehandicapte kind thuis groot te brengen in plaats van te doen opnemen of die in afwachting zijn van een plaats in een op grond van de AWBZ gefinancierde instelling, tegemoet te komen in de extra onderhouds- en verzorgingskosten van dat kind. Om daarvoor in aanmerking te komen, zal het kind vanzelfsprekend tot de huishouding van die persoon moeten behoren. Met de term "tot de huishouding behoren" is aansluiting gezocht bij artikel 7 van de AKW, waar deze term onder andere bepalend is voor de hoogte van de kinderbijslag.
     In afwijking van de AKW is echter in deze regeling bepalend of de persoon én het kind in Nederland woonachtig zijn. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt aan de hand van de omstandigheden bepaald waar de persoon woont.
     Of daadwerkelijk aanspraak bestaat op een tegemoetkoming wordt bepaald aan de hand van de situatie op de eerste dag van een kalenderkwartaal. Heeft men op de eerste dag van een kalenderkwartaal aanspraak, dan heeft men over dat gehele kalenderkwartaal aanspraak op de tegemoetkoming. Hieraan zij toegevoegd dat de persoon die aanspraak heeft op een tegemoetkoming op grond van deze regeling, als gevolg van het (op grond van artikel 8) van overeenkomstige toepassing zijn van artikel 15 van de AKW verplicht is aan de SVB op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op de tegemoetkoming, de hoogte van de tegemoetkoming, het geldend maken van het recht op de tegemoetkoming of het bedrag van de tegemoetkoming. Deze bepaling zorgt ervoor dat, zonder een dergelijke mededeling, het recht op de tegemoetkoming in beginsel automatisch het daaropvolgende kalenderkwartaal wordt verlengd.


Derde lid

     Het derde lid van artikel 4 heeft, in de onderdelen a en b, betrekking op de situatie dat een kind (de gehele week of een deel van de week) bij een pleeggezin verblijft. Op grond van dit lid bestaat voor personen die deel uitmaken van het pleeggezin geen aanspraak op een tegemoetkoming op grond van deze regeling indien het pleeggezin voor dat pleegkind in het betreffende kalenderkwartaal naast een subsidie als bedoeld in de artikelen 39 en 40 Wet op de jeugdhulpverlening een toelage ontvangt (op basis van het tweede lid van artikel 40 van die wet) omdat het een jeugdige betreft met een geestelijke of lichamelijke handicap.
     Naast de genoemde vergoedingen op grond van de Wet op de jeugdhulpverlening blijkt in de praktijk dat er ten gunste van kinderen die in een ander gezin worden opgenomen ook andere financiële tegemoetkomingen kunnen worden ontvangen door het "ontvangende" gezin (door bijvoorbeeld Nederlandse of buitenlandse (particuliere) stichtingen). Indien deze tegemoetkoming qua doelstelling en hoogte vergelijkbaar is met de tegemoetkoming bedoeld in deze regeling, ontstaat geen recht op een tegemoetkoming op grond van deze regeling.
     Desalniettemin is het mogelijk dat voor eenzelfde kind zowel aanspraak bestaat op een tegemoetkoming als op een pleeggeldvergoeding. Deze situatie doet zich voor in het geval het kind bijvoorbeeld op de doordeweekse dagen tot het huishouden van zijn ouders behoort en in het weekend of voor een incidentele, korte periode bij een pleeggezin verblijft. De ouders kunnen dan, ervan uitgaande dat het kind tot hun huishouden wordt gerekend, aanspraak maken op een tegemoetkoming op grond van deze regeling, terwijl personen die deel uitmaken van een pleeggezin aanspraak zullen kunnen maken op een subsidie op grond van de Wet op de jeugdhulpverlening.
     Indien voor het kind geen subsidie op grond van de Wet op de jeugdhulpverlening wordt verleend (omdat deze bijvoorbeeld niet is aangevraagd), kan, indien aan de voorwaarden wordt voldaan (ook in de gevallen waarin geen aanspraak bestaat op kinderbijslag), aanspraak bestaan op een tegemoetkoming.
     Onderdeel c van het derde lid van artikel 4 ziet op zorg op commerciële basis. Het komt voor dat personen, tegen ontvangst van een salaris, kinderen in hun huis opnemen. In een aantal gevallen gebeurt dit in het kader van vernieuwingsexperimenten op basis van de AWBZ. Ook in dat geval bestaat er geen aanspraak op een tegemoetkoming.


Vierde, vijfde en zesde lid

     Het vierde, vijfde en zesde lid beogen in deze regeling bepalingen op te nemen zoals deze ten aanzien van het al dan niet verzekerd zijn van vreemdelingen in en op basis van andere socialezekerheidswetten inzake sociale voorzieningen zijn opgenomen (met name artikel 10 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999). Het recht op een tegemoetkoming wordt hierbij gekoppeld aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland.

 

Artikel 5. De hoogte van de tegemoetkoming

     Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar punt 3.3 van het algemeen gedeelte van deze toelichting.

 

Artikel 6. De aanvraag

     Artikel 6 van deze regeling komt vrijwel overeen met artikel 14 van de AKW. Het eerste lid van artikel 6 voorziet in de aanwijzing van de SVB als uitvoerder van deze regeling op grond van artikel 25, eerste lid, onderdeel f, van de Osv 1997 [zie artikel 34, eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI, red.].
     Het tweede lid van artikel 6 stelt dat de tegemoetkoming dient te worden aangevraagd.
     Net als in de AKW bestaat (op grond van het derde lid van artikel 6) geen recht op een tegemoetkoming over perioden gelegen vóór één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om de tegemoetkoming werd ingediend. Met de uitdrukking "bijzondere gevallen" in de tweede volzin worden dezelfde situaties bedoeld als bij overeenkomstige bepalingen in de volksverzekeringswetten.

 

Artikel 7. Medisch advies

     Zoals reeds ter sprake is gekomen, zal de SVB deze regeling uitvoeren. Om te bepalen of een kind gehandicapt is of dat nog steeds is, zijn er instanties die daartoe beter zijn uitgerust dan de SVB. Om deze reden zal de SVB advies inwinnen (eerste lid).
     Het tweede lid van artikel 7 biedt de SVB de mogelijkheid op gezette tijden een nieuw medisch advies in te winnen (en zo nodig het recht op de tegemoetkoming opnieuw te bezien). Wanneer een nieuw medisch onderzoek zal worden ingesteld, zal door de SVB in beleidsregels worden vastgelegd. Een nieuw medisch onderzoek kan noodzakelijk zijn omdat zich (tussen het derde en achttiende levensjaar) ontwikkelingen in de handicap kunnen voordoen.
     Ten behoeve van de eenvormigheid van deze adviezen bepaalt het derde lid van artikel 7 dat de SVB dit advies dient in te winnen bij een landelijk opererende, onafhankelijke en daartoe deskundige organisatie. In verband met de verdeling van de kosten die de uitvoering van deze regeling met zich brengt tussen de Minister van VWS (wat betreft de indicatie) en de Minister van SZW (wat betreft de uitvoerings- en uitkeringskosten) behoeft de organisatie die de SVB van advies zal dienen de goedkeuring van de Minister van VWS.
     Het hiervoor bedoelde, niet-bindende advies zal door de SVB marginaal worden getoetst.

 

Artikel 8. Wetsbepalingen van overeenkomstige toepassing

     Zoals al eerder is opgemerkt is er, gemakshalve, voor gekozen deze regeling zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de AKW. In een aantal gevallen, en daarin voorziet het eerste lid, kunnen een groot aantal AKW-bepalingen van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de tegemoetkoming. Kort gezegd ziet de in het eerste lid aangehaalde bepaling op AKW-bepalingen inzake bijvoorbeeld de inachtneming van beslistermijnen (artikel 5b AKW en daarmee artikel 14 van het Besluit beslistermijnen socialeverzekeringswetten [zie Wet beslistermijnen sociale verzekeringen, red.]) herziening, intrekking of weigering van de tegemoetkoming (artikel 14a), mededelingsplicht (artikel 15), controlevoorschriften van de SVB (artikel 16), de betaling en betaalbaarstelling van de tegemoetkoming (18 tot en met 20 en 22), bezwaar en beroep (artikel 30 en 31).
     Het tweede lid van artikel 8 stelt dat de artikelen 27 tot en met 29 van de Osv 1997 van overeenkomstige toepassing zijn. Hierdoor wordt bereikt dat de SVB ter zake van de uitvoering van deze regeling zo nauw mogelijk kan aansluiten bij de werkwijze die wordt gevolgd bij de uitvoering van andere wetten.
     In het tweede lid worden tevens (op basis van artikel 86 van de Osv 1997) de artikelen 70 en 74 alsmede de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 5 van de Osv 1997 van overeenkomstige toepassing verklaard in verband met de uitvoering van deze regeling. Dit betekent dat het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) als toezichthouder op de SVB (op grond van artikel 10 van de Osv 1997) een rechtmatigheidstoets uitvoert met betrekking tot deze onderwerpen.
     De van overeenkomstige toepassing van artikel 70 van de Osv 1997 regelt dat de SVB jaarlijks voor de uitvoering van deze regeling aan Onze Minister en het Ctsv onder meer een begroting van de te verwachten uitgaven in het eerstvolgende kalenderjaar doet toekomen.
     De verklaring van overeenkomstige toepassing van artikel 74 van de Osv 1997 regelt dat het Ctsv toeziet op een juiste belasting van de middelen ten behoeve van de uitvoering van deze regeling.
     De verklaring van overeenkomstige toepassing van artikel 89 van de Osv 1997 ten slotte geeft de SVB de mogelijkheid gegevens bij derden op te vragen inzake bijvoorbeeld een pleeggeldvergoeding, daarmee vergelijkbare andere vergoedingen of gegevens om te kunnen beoordelen of een kind op commerciële basis in een huishouden is opgenomen (zie artikel 4, derde lid, van deze regeling). Dit kan relevant zijn bij de beoordeling of (nog) aanspraak bestaat op een tegemoetkoming.

 

Artikel 9. Verrekening

     In dit artikel wordt de SVB de mogelijkheid geboden te veel betaalde tegemoetkomingen te verrekenen met kinderbijslag. Deze situatie kan zich met name voordoen in de situatie dat een kind op de peildag voor de tegemoetkoming niet meer thuiswonend blijkt te zijn, maar is opgenomen in een (AWBZ-)instelling. In dat geval kan de tegemoetkoming abusievelijk nog een kwartaal zijn doorbetaald, terwijl anderzijds aanspraak kan bestaan op dubbele kinderbijslag in verband met het feit dat het kind uitwonend is.

 

Artikel 10. Financiering

     In dit artikel worden regels gesteld met betrekking tot de financiering door het Rijk (de Minister van SZW en van VWS) van deze regeling. Deze sluiten grotendeels aan bij de financieringsregels zoals die voor de AKW gelden.
     In aanvulling op die regels wordt in het tweede lid vastgelegd dat ook de Minister van VWS een rapportage en een begroting krijgt als bedoeld in artikel 70 van de Osv 1997. De SVB zal de Minister van VWS deze stukken doen toekomen. De overige van belang zijnde stukken zal de Minister van VWS door tussenkomst van Onze Minister ontvangen (tiende lid).
     In het zesde lid is rekening gehouden met de mogelijkheid dat in incidentele gevallen sprake kan zijn van ontvangsten, bijvoorbeeld in verband met rentebaten die ten gunste van het Rijk komen.
     Voor de volledigheid zij hier nog opgemerkt dat de kosten verbonden aan het medisch advies ook tot de uitvoeringskosten van de SVB worden gerekend.

 

Artikel 12. Overgangsrecht

     De bedoeling is dat deze nieuwe regeling zoveel mogelijk naadloos aansluit bij de TOG. Om deze reden wordt in dit artikel vastgelegd dat personen die aanspraak op een tegemoetkoming hadden op grond van de TOG, indien ten minste aan de (grotendeels gelijkluidende) voorwaarden van deze nieuwe regeling wordt voldaan, aanspraak hebben op een tegemoetkoming op grond van deze nieuwe regeling. Om te voorkomen dat opnieuw in alle gevallen een medisch advies moet worden vastgesteld (omdat deze voorwaarde wel gewijzigd is ten opzichte van de TOG), wordt in de tweede zin bepaald dat indien het kind op de dag vóór inwerkingtreding van deze regeling meervoudig gehandicapt dan wel ernstig lichamelijk gehandicapt of chronisch ziek is in de zin van de TOG, dit kind als gehandicapt als bedoeld in artikel 3 van deze regeling wordt aangemerkt.
     De zinsnede "overeenkomstig de bepalingen van deze regeling" voegt hier aan toe dat men nadien wel aan de voorwaarden van de nieuwe regeling moet voldoen. Dit betekent dat de SVB op grond van artikel 7, tweede lid, aan de hand van de criteria van artikel 2 en 3 van dit (nieuwe) besluit deze kinderen op gezette tijden aan een medisch onderzoek kan doen onderwerpen om te bezien of het kind nog steeds blijvend of voorlopig blijvend gehandicapt is. Indien dit niet meer het geval is, kan het recht op een tegemoetkoming worden beëindigd.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.