MEMORIE VAN TOELICHTING

Nadere regelgeving:
- Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten
- Uitvoeringsbesluit Tijdelijke wet pilot loondispensatie (vervallen)
- Uitvoeringsregeling Tijdelijke wet pilot loondispensatie (vervallen)

Relevante overige regelgeving:
- Wet investeren in jongeren (vervallen)
- Wet sociale werkvoorziening
- Wet werk en bijstand

 

 

Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2009-2010, 32 165.
Handelingen II 2009-2010, blz. 3933-3942, 4116-4130, 4172-4172.
Kamerstukken I 2009-2010, 32 165 (A, B, C, D, E, F).
Handelingen I 2009-2010, blz. 1222-1228, 1246-1254.

Geschiedenis:
Staatsblad 2010, 216Staatsblad 2011, 650Staatsblad 2010, 216.

 

 

WET van 20 mei 2010, Stb. 2010, 216, houdende tijdelijke regels voor een pilot ter bevordering van de participatie van personen met een arbeidsbeperking met behulp van loondispensatie (Tijdelijke wet pilot loondispensatie). Inwerkingtreding: 9 juni 2010 (Stb. 2010, 217).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om een pilot mogelijk te maken met het oog op het onderzoeken van de mogelijkheid om met behulp van het instrument loondispensatie de participatie te bevorderen van personen met een arbeidsbeperking die daardoor niet in staat zijn het wettelijk minimumloon te verdienen;
     Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2011, 650Stb. 2010, 216]
In deze wet wordt verstaan onder:
a. arbeidsbeperking: het vanwege structurele lichamelijke, verstandelijke, psychische of psychosociale beperkingen niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel tot ten minste 20% daarvan;
b. college: het college van burgemeester en wethouders van een aan de pilot deelnemende gemeente;
c. kring: inwoners van een aan de pilot deelnemende gemeente die ten minste 23 jaar oud zijn en algemene bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen socialezekerheidswet;
d. dienstbetrekking: een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking;
e. doelgroep: personen uit de kring die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking behoren tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening en die niet werkzaam zijn in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen 2 en 7 van die wet, alsmede personen uit de kring van wie met toepassing van artikel 4, eerste lid, is vastgesteld dat zij een arbeidsbeperking hebben;
f. loonwaarde: door het college vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de door een persoon met een arbeidsbeperking verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring die geen arbeidsbeperking heeft;
g. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
h. werknemer: persoon uit de doelgroep die een dienstbetrekking is aangegaan onder toepassing van artikel 7.

 

Art. 2. Doel pilot  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
In de periode vanaf de inwerkingtreding van deze wet tot de datum waarop deze vervalt, vindt, met het oog op het nemen van een gefundeerde beslissing over het al dan niet landelijk invoeren van het instrument loondispensatie voor mensen met een arbeidsbeperking, een pilot plaats waarmee wordt beoogd inzicht te verkrijgen in de mate waarin de inzet van het instrument, bedoeld in artikel 7, eerste lid, en de wijze waarop dit instrument wordt ingezet in combinatie met een aanvulling op de inkomsten uit arbeid in dienstbetrekking de arbeidsinschakeling van personen uit de doelgroep in een dienstbetrekking verhoogt, alsmede in daarmee samenhangende vraagstukken en eventuele onvoorziene neveneffecten.

 

Art. 3. Deelname gemeenten  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
Onze Minister kan op hun verzoek gemeenten aanwijzen die deelnemen aan de pilot.

 

Art. 4. Toegangstoets  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
-1. Het college kan met het oog op de toepassing van deze wet inwoners die behoren tot de kring en die niet blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking behoren tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening, verplichten mee te werken aan een onderzoek naar het al dan niet bestaan van een arbeidsbeperking.
-2. Indien op grond van het eerste lid wordt vastgesteld dat de inwoner een arbeidsbeperking heeft, heeft het college een inspanningsverplichting om met behulp van de toepassing van de instrumenten die hem ter beschikking staan ervoor zorg te dragen dat aan die inwoner een dienstbetrekking wordt aangeboden.

 

Art. 5. Re-integratieplicht Wsw-geïndiceerde  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
Artikel 9, vijfde lid, van de Wet werk en bijstand en overeenkomstige bepalingen uit een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen wet als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, zijn niet van toepassing op personen uit de doelgroep.

 

Art. 6. Werkzaamheden met behoud van uitkering  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
Het college kan zijn inwoner die behoort tot de doelgroep, gedurende maximaal drie maanden bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden laten verrichten met het oog op een reële vaststelling van de arbeidsprestatie, indien de werkgever voor wie de werkzaamheden worden verricht een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten behoeve van die inwoner heeft afgesloten.

 

Art. 7. Loondispensatie  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
-1. Indien een werkgever voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon uit de doelgroep teneinde werkzaamheden in een bepaalde functie te verrichten en door het college van de gemeente waarvan die persoon inwoner is, is vastgesteld dat de arbeidsprestatie van die persoon in die functie ten gevolge van zijn arbeidsbeperking minder zal zijn dan de arbeidsprestatie die een geldelijke beloning van het voor hem geldende wettelijk minimumloon rechtvaardigt, vermindert dat college de hoogte van de aanspraak van die persoon op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid tot de loonwaarde, in afwijking van hetgeen bij en krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is bepaald.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien:
a. de arbeid wordt verricht in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen 2 en 7 van de Wet sociale werkvoorziening; of
b. met betrekking tot de dienstbetrekking een proeftijd geldt.
-3. Het college, bedoeld in het eerste lid, stelt na aanvang van de dienstbetrekking telkens binnen een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen periode vast of nog sprake is van een arbeidsprestatie als bedoeld in het eerste lid alsmede wat de loonwaarde is. [UT]
-4. Vanaf het moment dat de op grond van het eerste of derde lid vastgestelde loonwaarde van een persoon meer bedraagt dan het wettelijk minimumloon, dan wel minder bedraagt dan 20% van het wettelijk minimumloon, zijn de artikelen 4, tweede lid, en 6 alsmede het eerste tot en met derde lid niet langer op hem van toepassing.
-5. De verlaging van de loonwaarde die voortvloeit uit een door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep vindt niet eerder plaats dan de dag volgend op die waarop tegen de beslissing op bezwaar geen rechtsmiddelen meer openstaan of de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het bezwaar of beroep omdat het college geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan het bezwaar of beroep van de werkgever.
-6. Het college vergoedt aan de werkgever het verschil tussen de loonkosten die hij als gevolg van de toepassing van het vijfde lid heeft gehad en de loonkosten die hij zou hebben gehad als de verlaging van de loonwaarde plaats zou hebben gevonden met ingang van de eerste dag waarop de vernietigde of ingetrokken beschikking ziet.

 

Art. 8. Aanvullende uitkering  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2011, 650Stb. 2010, 216]
-1. Zolang de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid onder toepassing van artikel 7, eerste lid, is verminderd, verstrekt het college aan de werknemer een aanvullende uitkering.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de berekening van de hoogte van de aanvullende uitkering. [Ais] [UT]
-3. Voor de toepassing van andere wetten en de daarop berustende bepalingen wordt een aanvullende uitkering op grond van deze wet aangemerkt als een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand.

 

Art. 9. Voorzieningen  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
-1. Het college verstrekt de persoon die onder toepassing van artikel 6 onbeloonde werkzaamheden verricht of gaat verrichten respectievelijk onder toepassing van artikel 7, eerste of derde lid, arbeid in een dienstbetrekking verricht of gaat verrichten, de voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het verrichten van die arbeid.
-2. Op de persoon, bedoeld in het eerste lid, is artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen niet van toepassing.
-3. Op de werkgever van de persoon, bedoeld in het eerste lid, is artikel 36 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen niet van toepassing.

 

Art. 10. Behoud indicatie en inspanningsverplichting op grond van de Wsw  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
-1. In afwijking van artikel 12, vierde lid, onderdeel a, van de Wet sociale werkvoorziening behoudt een persoon die onder toepassing van artikel 7, eerste lid, arbeid in een dienstbetrekking aanvaardt zijn indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking in de zin van die wet gedurende de periode dat de hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar evenredigheid is verminderd.
-2. Indien een dienstbetrekking is aangegaan onder toepassing van artikel 7, eerste lid, en de werknemer met inachtneming van artikel 12 van de Wet sociale werkvoorziening en de daarop berustende bepalingen recht heeft op aanbieding van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van die wet, spant het college zich in om de bestaande dienstbetrekking om te zetten in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening. Indien het college daar niet in slaagt, biedt het de werknemer een dienstbetrekking aan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening. Indien de werknemer dat aanbod niet aanvaardt, vervalt, in afwijking van het eerste lid, de indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking.

 

Art. 11. Bekostiging pilot  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
-1. Onze Minister verstrekt aan het college een tegemoetkoming in de kosten ter uitvoering van de pilot.
-2. Indien de deelname van een gemeente aan de pilot eindigt vóór 31 december 2012 dan wel indien op grond van artikel 12, eerste lid, de pilot eerder eindigt dan die datum, kan Onze Minister de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, lager vaststellen en hetgeen onverschuldigd is betaald, terugvorderen of verrekenen.

 

Art. 12. Beëindiging pilot of beëindiging deelname gemeente aan pilot  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
-1. Indien de tussentijdse resultaten of de uitwerking in de praktijk daartoe redelijkerwijs aanleiding geeft, kan Onze Minister besluiten de pilot te beëindigen vóór 31 december 2012.
-2. In geval van voortijdige beëindiging van de pilot op grond van het eerste lid blijven de artikelen 7 tot en met 11 en 14 en de daarop berustende bepalingen van toepassing tot en met 31 december 2012 met betrekking tot degenen die vóór de datum van beëindiging onder toepassing van artikel 7, eerste lid, een dienstbetrekking zijn aangegaan.
-3. Indien de deelname van een gemeente eindigt vóór de datum waarop deze wet vervalt, blijven de artikelen 7 tot en met 11 en 14 en de daarop berustende bepalingen van toepassing tot de datum waarop deze wet vervalt met betrekking tot degenen uit de doelgroep van de desbetreffende gemeente die vóór de datum van beëindiging onder toepassing van artikel 7, eerste lid, een dienstbetrekking zijn aangegaan.

 

Art. 13. Evaluatiebepaling  [Geschiedenisversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
-1. Onze Minister zendt uiterlijk 31 oktober 2012 aan de Staten-Generaal een verslag over het inzicht dat de toepassing van deze wet heeft verschaft in:
a. de mate waarin de inzet van het instrument, bedoeld in artikel 7, eerste lid, en de wijze waarop dit instrument wordt ingezet in combinatie met een aanvulling op de inkomsten uit arbeid in dienstbetrekking de arbeidsinschakeling van personen uit de doelgroep in een dienstbetrekking verhoogt;
b. de overige met onderdeel a samenhangende vraagstukken die zijn onderzocht; en
c. eventuele onvoorziene neveneffecten.
-2. Indien de pilot onder toepassing van artikel 12, eerste lid, eerder wordt beëindigd dan 31 augustus 2012, zendt Onze Minister, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van de pilot het verslag, bedoeld in het eerste lid, aan de Staten-Generaal.

 

Art. 14. Lagere regelgeving [UT]  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
-1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter uitvoering van deze wet.
-2. De regels, bedoeld in het eerste lid, betreffen in ieder geval regels met betrekking tot de toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 3, het onderzoek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, de vaststelling van de loonwaarde, bedoeld in de artikelen 6 en 7, en de berekening van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 11, eerste lid.
-3. Een voordracht voor een op grond van het eerste lid, artikel 1, onderdeel c, artikel 7, derde lid, of artikel 8, tweede lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan na vier weken nadat het ontwerp daarvan aan beide kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.

 

Art. 14a.¹ Wijziging van de Beroepswet  [Geschiedenisversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
37. Tijdelijke wet pilot loondispensatie.

1. Volgens de redactie dient artikel 14a te luiden als volgt:
Art. 14a. Wijziging van de Beroepswet
In de bijlage bij de Beroepswet wordt in onderdeel C na onderdeel 36 ingevoegd:
37. Tijdelijke wet pilot loondispensatie.

 

Art. 15. Citeertitel  [Geschiedenisversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke wet pilot loondispensatie.

 

Art. 16. Inwerkingtreding  [GeschiedenisMvTversie 20 mei 2010Stb. 2010, 216]
-1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vervalt met ingang van 1 januari 2013.¹
-2. Indien vóór 1 januari 2013 een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om de pilot om te zetten in een structurele wettelijke regeling, vervalt, in afwijking van het eerste lid, deze wet met ingang van de datum waarop dat voorstel van wet, nadat het tot wet is verheven, in werking treedt.²

1. Bij Besluit van 28 mei 2010, Stb. 2010, 217, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 9 juni 2010, red.
2. Omdat het niet is gelukt om vóór 1 januari 2013 de pilot om te zetten in een structurele wettelijke regeling, blijft volgens de toelichting bij de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 februari 2013, 2013-0000005741, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Tijdelijke wet pilot loondispensatie (Stcrt. 2013, 4582) de Tijdelijke wet pilot loondispensatie langer bestaan. Ingevolge artikel 10d van de Participatiewet is met ingang van 1 januari 2015 (enig artikel, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit van 4 juli 2014, Stb. 2014, 271) het instrument loondispensatie vervangen door het insrument loonkostensubsidie, waardoor de grondslag van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie is komen te vervallen (zie ook de vierde nota van wijziging bij de Invoeringswet Participatiewet (Kamerstukken II 2013-2014, 33 161, nr. 107, blz. 119, onder onderdeel 19)), red.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te ’s-Gravenhage, 20 mei 2010

 

BEATRIX

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner

 

Uitgegeven de achtste juni 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin