MEMORIE VAN TOELICHTING (Wajong en Wet Wajong)

- Wajong zoals deze luidde op 31 december 2009
- Wet Wajong zoals deze luidde op 31 december 2014

Nadere regelgeving:
- Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten
- Beleidsregel betaling zonder machtiging aan het Zorginstituut Nederland en het CAK
- Beleidsregel boete werknemer 2010
- Beleidsregel boete werknemer 2017
- Beleidsregel kostenvergoeding UWV
- Beleidsregel maatregelen UWV
- Beleidsregel Protocol Jobcoach UWV 2016
- Beleidsregels buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid
- Beleidsregels proefplaatsing UWV 2013
- Beleidsregels Scholing 2016
- Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006
- Beleidsregels uitbetaling arbeidsongeschiktheidsuitkering bij inkomsten uit arbeid
- Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2008
- Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2009
- Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2010
- Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2011
- Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2012
- Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2013
- Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2014
- Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2017
- Beleidsregels UWV opschorting betaling bij vertrek naar onbekende bestemming
- Beleidsregels vergoeding hoorhulpmiddelen
- Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland
- Beleidsregel terug- en invordering
- Beleidsregel uurloonschatting 2008
- Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid
- Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit beleid toetsing verblijfstitel
- Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten
- Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong 1999
- Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Besluit loondispensatie Wajong
- Besluit loon- en inkomenssuppletie
- Besluit ontheffing verplichtingen socialezekerheidswetten
- Besluit uitbreiding en beperking kring ingezetenen Wajong
- Besluit uitbreiding kring studerenden Wajong
- Besluit uniformering loonkundige component arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
- Besluit uurloonschatting 1999
- Besluit voorkoming of beperking samenloop AAW-uitkering met uitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere mogendheid
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Controlevoorschriften arbeidsongeschiktheidswetten 2006
- Controlevoorschriften buitenland arbeidsongeschiktheidswetten 2006
- Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
- Regeling afwijking datum Besluit eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten
- Regeling herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering zonder wachttijd
- Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden
- Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen
- Regeling subsidieplafond scholingsinstellingen 2006 tot en met 2008
- Regeling subsidieplafond scholingsinstellingen 2007 tot en met 2009
- Regeling subsidieplafond scholingsinstellingen 2008 tot en met 2010
- Regeling subsidieplafond scholingsinstellingen 2009 tot en met juli 2012/2010 tot en met juli 2013
- Regeling subsidieplafond scholingsinstellingen 2011 tot en met juli 2016
- Regeling subsidieplafond scholingsinstellingen 2014-2020
- Regeling tegemoetkoming Wajong-ers
- Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen
- Regeling terugvordering geringe bedragen
- Regeling uitzondering toepassingstermijn anticumulatie
- Regeling vrijstelling verplichtingen socialezekerheidswetten
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- Reïntegratiebesluit
- Reïntegratieregeling
- Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
- Subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen

Vervallen nadere regelgeving:
- Beleidsregel afbakening maatregel en boete (vervallen)
- Beleidsregel betaling zonder machtiging aan het Zorginstituut Nederland (vervallen)
- Beleidsregel boete werknemer (vervallen)
- Beleidsregel boete werknemer 2013 (vervallen)
- Beleidsregel Protocol Jobcoach UWV 2014 (vervallen)
- Beleidsregels Protocol Jobcoach (vervallen)
- Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2006 (vervallen)
- Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2007 (vervallen)
- Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2015 (vervallen)
- Beleidsregels UWV Protocol Jobcoach 2012 (vervallen)
- Beleidsregel zwijgrecht (vervallen)
- Besluit afstemming boete werknemers (vervallen)
- Besluit afwijking herbeoordelingstermijnen WAO, WAZ en Wajong 2003 (vervallen)
- Besluit beleidsregels uurloonschatting 2004 (vervallen)
- Besluit beoordelingskader loonkostensubsidie (vervallen)
- Besluit betaling zonder machtiging aan de Ziekenfondsraad (vervallen)
- Besluit betaling zonder machtiging aan het College voor zorgverzekeringen (vervallen)
- Besluit bevoegde uitvoeringsinstelling Wajong-uitkeringen (vervallen)
- Besluit buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid (WAO, WAZ en Wajong) (vervallen)
- Besluit herziening en intrekking uitkeringen (vervallen)
- Besluit kostenvergoedingen arbeidsongeschiktheidswetten (vervallen)
- Besluit maatschappelijke ondersteuning (vervallen)
- Besluit verhoging arbeidsongeschiktheidsuitkering bij hulpbehoevendheid (WAO, WAZ en Wajong) 1999 (vervallen)
- Besluit verrekeningen Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen en Arbeidsongeschiktheidskas met de uitvoeringsinstellingen (vervallen)
- Besluit waarschuwing (vervallen)
- Controlevoorschriften buitenland WAO, WAZ en Wajong (vervallen)
- Controlevoorschriften WAO, WAZ en Wajong 2001 (vervallen)
- Inkomensbesluit Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (vervallen)
- Maatregelenbesluit Tica (vervallen)
- Maatregelenbesluit UWV (vervallen)
- Overgangsregeling Rea-scholingsinstituten (vervallen)
- Regeling aanwijzing uitvoeringsinstelling verplichte verzekeringen 2000 (vervallen)
- Regeling afwijkende regels omtrent de uitbetaling van de vakantie-uitkering op grond van de WAO en de Wet WIA (vervallen)
- Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen (vervallen)
- Regeling klokuren 1998 (vervallen)
- Regeling klokuren 2010 (vervallen)
- Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen (vervallen)
- Regeling tegemoetkoming Wajong-ers (vervallen)
- Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten (vervallen)

Relevante overige regelgeving:
- Beleidsregels Protocol Huisbezoeken Handhaving UWV
- Beleidsregels Protocol Scholing 2008 (vervallen)
- Beleidsregels Protocol Scholing 2012 (vervallen)
- Beleidsregels Protocol Scholing 2014 (vervallen)
- Beleidsregels Protocol zeer moeilijk plaatsbaar (vervallen)
- Beleidsregels Protocol zeer moeilijk plaatsbaar 2011
- Besluit schadebeleid
- Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
- Regeling inzage- en correctierecht UWV
- Regeling subsidieplafond en tijdstip indiening aanvraag brugbanen uitkeringsgerechtigden (vervallen)
- Reglement behandeling bezwaarschriften UWV 2014
- Tijdelijk besluit brugbanen herbeoordeelden (vervallen)
- Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering (vervallen)
- Wet beslistermijnen sociale verzekeringen

 

 

Inhoudsopgave Wajong

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen artt. 1:1 - 1:4
Hoofdstuk 1a Arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten artt. 1a:1 - 1a:12
§ 1x Jonggehandicapte art. 1a:1
§ 2x Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering artt. 1a:2 - 1a:12
Hoofdstuk 2 Arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten ingestroomd van 2010 tot en met 2014 artt. 2:1 - 2:69
Afdeling 1x Algemene bepalingen artt. 2:1 - 2:6
Afdeling 2x Algemene plichten jonggehandicapten artt. 2:7 - 2:10
Afdeling 3x Uitsluitingsgronden voor het recht op arbeidsondersteuning artt. 2:11 - 2:14
Afdeling 4x Recht op arbeidsondersteuning artt. 2:15 - 2:17
Afdeling 5x Re-integratie en arbeidsondersteuning artt. 2:18 - 2:30
Afdeling 6x Plichten in verband met het recht op arbeidsondersteuning artt. 2:31 - 2:38
§ 1x Verplichtingen van de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning artt. 2:31 - 2:34
§ 2x Bevoegdheden en plichten Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen artt. 2:35 - 2:38
Afdeling 7x Inkomensvoorzieningen artt. 2:39 - 2:46
§ 1x Inkomensondersteuning werkregeling artt. 2:39 - 2:42
§ 2x Inkomensondersteuning tijdens studie of scholing artt. 2:43 - 2:44
§ 3x Uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten artt. 2:45 - 2:46
Afdeling 8x Aanvraag en betaling artt. 2:47 - 2:66
§ 1x De aanvraag van arbeidsondersteuning artt. 2:47 - 2:48
§ 2x Betaling artt. 2:49 - 2:66
Afdeling 9x Sancties artt. 2:67 - 2:69
Hoofdstuk 3 Arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten ingestroomd vóór 2010 artt. 3:1 - 3:74
Afdeling 1x Algemeen artt. 3:1 - 3:2
Afdeling 2x Het recht op en de hoogte van de uitkering artt. 3:3 - 3:26
§ 1x De arbeidsongeschiktheidsuitkering artt. 3:3 - 3:23b
§ 2x Vakantie-uitkering artt. 3:24 - 3:26
Afdeling 3x Het geldend maken van het recht op uitkering artt. 3:27 - 3:44a
§ 1x Melding art. 3:27
§ 2x Toekenning artt. 3:28 - 3:36
§ 3x Maatregelen en bestuurlijke boeten artt. 3:37 - 3:44a
Afdeling 4x De betaling van de uitkering artt. 3:45 - 3:62
Afdeling 5x Reïntegratie-instrumenten artt. 3:63 - 3:73a
Afdeling 6x Het verstrekken van inlichtingen art. 3:74
Hoofdstuk 3a Tegemoetkoming arbeidsongeschikten art. 3:75
Hoofdstuk 4 De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht artt. 4:1 - 4:2
Hoofdstuk 5 Financiering artt. 5:1 - 5:4
Hoofdstuk 6 Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie artt. 6:1 - 6:6
Hoofdstuk 7 Strafbepalingen artt. 7:1 - 7:2
Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen artt. 8:1 - 8:12
xxxxxxxxxxxr   xxxxxxxxxxxxxxx

Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 760.
Handelingen II 1996-1997, blz. 1658-1708, 1757-1784, 1931-1974, 2185, 2187.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 760 (95, 95a, 95b, 95c, 95d, 95e).
Handelingen I 1996-1997, zie vergaderingen d.d. 15 en 22 april 1997.

Geschiedenis:
Staatsblad 1996, 478 Staatsblad 1997, 177Staatsblad 1997, 465Staatsblad 1997, 660 Staatsblad 1997, 773Staatsblad 1997, 789Staatsblad 1997, 794 Staatsblad 1998, 278Staatsblad 1998, 290Staatsblad 1998, 742 Staatsblad 1999, 25Staatsblad 1999, 185Staatsblad 1999, 564 Staatsblad 1999, 595Staatsblad  2000, 286Staatsblad 2000, 496Staatsblad 2000, 627 Staatsblad 2001, 212Staatsblad 2001, 225Staatsblad 2001, 481 Staatsblad 2001, 568Staatsblad 2001, 625Staatsblad 2001, 628 Staatsblad 2002, 395Staatsblad 2003, 376Staatsblad 2003, 544 Staatsblad 2004, 306Staatsblad 2004, 324Staatsblad 2004, 416 Staatsblad 2005, 37Staatsblad 2004, 717Staatsblad 2005, 65 Staatsblad 2005, 382Staatsblad 2005, 525Staatsblad 2005, 530 Staatsblad 2005, 573Staatsblad 2005, 624Staatsblad 2005, 710Staatsblad 2005, 708 Staatsblad 2005, 713Staatsblad 2006, 223Staatsblad 2006, 703 Staatsblad 2007, 305Staatsblad 2007, 551Staatsblad 2007, 555 Staatsblad 2007, 564Staatsblad 2007, 567Staatsblad 2008, 199 Staatsblad 2008, 510Staatsblad 2008, 590Staatsblad 2008, 598 Staatsblad 2008, 600Staatsblad 2009, 384Staatsblad 2009, 265 Staatsblad 2009, 390Staatsblad 2009, 282Staatsblad 2009, 318 Staatsblad 2009, 542Staatsblad 2009, 580Staatsblad 2009, 589 Staatsblad 2009, 582Staatsblad 2009, 596Staatsblad 2010, 228 Staatsblad 2010, 350Staatsblad 2010, 840Staatsblad 2010, 830Staatsblad 2010, 838Staatsblad 2010, 867 Staatsblad 2011, 288Staatsblad 2011, 618Staatsblad 2011, 608Staatsblad 2012, 2Staatsblad 2011, 645 Staatsblad 2011, 650Staatsblad 2012, 224Staatsblad 2012, 361Staatsblad 2012, 657Staatsblad 2012, 462 Staatsblad 2012, 464Staatsblad 2012, 544Staatsblad 2012, 562Staatsblad 2012, 682 Staatsblad 2013, 115Staatsblad 2013, 236Staatsblad 2013, 405Staatsblad 2013, 578Staatsblad 2014, 259Staatsblad 2014, 226Staatsblad 2014, 227Staatsblad 2014, 269Staatsblad 2014, 270Staatsblad 2014, 442Staatscourant 2014, 34507 Staatsblad 2014, 504 Staatsblad 2014, 494Staatsblad 2015, 203 Staatscourant 2015, 41467Staatsblad 2015, 464Staatsblad 2016, 206Staatsblad 2016, 318Staatsblad 2016, 471Staatsblad 2016, 444 Staatscourant 2016, 65678Staatsblad 2017, 78Staatsblad 2017, 24 Staatsblad 2017, 110Staatsblad 2017, 323.

 

 

WET van 24 april 1997, Stb. 1997, 177, houdende voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten).¹ Laatste tekstplaatsing: Stb. 2009, 582. Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb. 1997, 391).

1. Redactie: Ingevolge artikel I, onderdeel W, van de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning (Stb. 2009, 580) is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten met ingang van 1 januari 2010 voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Ingevolge artikel III, onderdeel W, van de Invoeringswet Participatiewet is de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten met ingang van 1 januari 2015 voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de intrekking van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemene bepalingen

 

Art. 1:1. Algemene begrippen (1-oud)  [Geschiedenisversie 24 april 1997 Stb. 1997, 660 + bis Stb. 1997, 678Stb. 1997, 794 + bis Stb. 1998, 742versie 1 januari 1999Stb. 1999, 595 Stb. 2000, 496Stb. 2001, 625Stb. 2004, 306Stb. 2005, 573versie 31 december 2009Stb. 2009, 580 + bisStb. 2009, 589versie 1 januari 2010 Stb. 2009, 596 + bisStb. 2010, 838Stb. 2014, 270Stb. 2014, 442Stb. 2016, 444Stb. 2017, 78 + bisStb. 2017, 24 + bis]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten: het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, bedoeld in artikel 5:1;
d. jonggehandicapte: de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 1a:1, 2:3 of 3:2;
e. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;
f. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de situaties, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
g. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
h. re-integratiebedrijf: een natuurlijk persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert;
i. resterende verdiencapaciteit: het inkomen dat de jonggehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van deze wet nog met arbeid kan verdienen en dat bij of krachtens artikel 2:5 of 3:1 is vastgesteld;
j. werknemer: een werknemer in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
k. werkgever: een werkgever in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
l. inkomensvoorziening: inkomensondersteuning als bedoeld in de artikelen 2:40, 2:41, 2:42 of 2:43, of een uitkering als bedoeld in artikel 2:45;
m. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een persoon jonger dan 22 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van die wet;
n. participatieplan: het participatieplan, bedoeld in artikel 2:18, eerste lid;
o. recht op arbeidsondersteuning: het recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2;
p. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 1a of 3;
q. zelfstandige: de persoon die, anders dan in dienstbetrekking, arbeid in eigen bedrijf verricht of een beroep uitoefent, teneinde daarmee inkomen te verwerven;
r. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht, behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d[Bargh98]
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind voor wie de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg of de Jeugdwet of kinderbijslag ontving op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.

 

Art. 1:2. Ingezetene (3-oud)  [GeschiedenisMvTversie 24 april 1997Stb. 1997, 794versie 1 januari 1999versie 31 december 2009Stb. 2009, 580versie 1 januari 2010]
-1. Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon die in Nederland woont.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan het begrip ingezetene. [BubkiW]
-3. Voor de persoon die op grond van het tweede lid als ingezetene wordt aangemerkt, doch buiten Nederland woont, gelden de bepalingen van deze wet, met inachtneming van de specifieke regels die in deze wet ten aanzien van deze persoon zijn gesteld.

 

Art. 1:3. Woonplaats (4-oud)  [GeschiedenisMvTversie 24 april 1997versie 1 januari 1999versie 31 december 2009 Stb. 2009, 580versie 1 januari 2010Stb. 2010, 350 Stb. 2010, 830Stb. 2011, 618]
-1. Waar een natuurlijk persoon woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. De persoon die Nederland metterwoon heeft verlaten en binnen één jaar nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of op het grondgebied van een andere mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond.

 

Art. 1:4. Studerenden (5-oud)  [GeschiedenisMvTversie 24 april 1997Stb. 1998, 742versie 1 januari 1999Stb. 2000, 286 Stb. 2001, 225versie 31 december 2009Stb. 2009, 580 + bisversie 1 januari 2010 Stb. 2010, 228Stb. 2012, 657Stb. 2013, 115Stb. 2013, 236 + bisStb. 2014, 227]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als studerende aangemerkt de persoon:
a. die studiefinanciering ontvangt op grond van de Wet studiefinanciering 2000;
b. die een financiële voorziening ontvangt als bedoeld in artikel 7.51, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. die een tegemoetkoming ontvangt op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
d. voor wie de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag ontvangt op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a of b, van die wet;
e. die, hoewel hij niet op grond van de onderdelen a tot en met d als studerende wordt aangemerkt, niettemin in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt gedurende gemiddeld ten minste 213 klokuren per kwartaal, voor zolang hij de leeftijd van 30 jaar nog niet heeft bereikt.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ook andere dan de in het eerste lid bedoelde personen als studerende worden aangemerkt. [BuksW]

 

 

HOOFDSTUK  1A

Arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten

 

§ 1.  Jonggehandicapte

 

Art. 1a:1. Jonggehandicapte  [GeschiedenisStb. 2014, 270Stb. 2014, 504]
-1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij 18 jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden gedurende ten minste zes maanden studerende was.
-2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
-3. De ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, wordt alsnog jonggehandicapte indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.
-4. Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een periodieke herbeoordeling om vast te stellen of betrokkene duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.
-6. De beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.
-7. Bij de beoordeling, bedoeld in het zesde lid, maakt de verzekeringsarts zoveel mogelijk gebruik van wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie kunnen ondersteunen.
-8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste, vierde en zesde lid nadere regels worden gesteld. [Sa]
-9. De voordracht van een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, onderscheidenlijk de vaststelling van een ministeriële regeling op grond van het achtste lid, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

 

 

§ 2.  Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering

 

Art. 1a:2. Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering  [GeschiedenisStb. 2014, 270]
-1. De jonggehandicapte heeft recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk, tenzij op hem een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 1a:6, eerste lid, van toepassing is.
-2. De persoon die recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2 of recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 heeft of heeft gehad, heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk.

 

Art. 1a:3. Later ontstaan recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering  [GeschiedenisStb. 2014, 270]
-1. Indien is vastgesteld dat de ingezetene geen jonggehandicapte is, heeft de ingezetene die alsnog wordt aangemerkt als jonggehandicapte op grond van artikel 1a:1, tweede lid, niet eerder dan twaalf maanden na de dag waarop voor het laatst werd vastgesteld dat de ingezetene geen jonggehandicapte was recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Indien geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat omdat op de jonggehandicapte één of meer uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 1a:6, eerste lid, van toepassing zijn, heeft de jonggehandicapte alsnog recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf de dag dat zich geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet.

 

Art. 1a:4. Hoogte arbeidsongeschiktheidsuitkering  [GeschiedenisStb. 2014, 270Stb. 2016, 471]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag van het minimumloon per maand gedeeld door 21,75.
-2. De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag 75% van de grondslag.
-3. Inkomen wordt volledig op de arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen per dag in de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene, in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. [Ais]

 

Art. 1a:5. Verhoging bij hulpbehoevendheid  [GeschiedenisStb. 2014, 270]
Indien de jonggehandicapte verkeert in een blijvende of voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de duur van die hulpbehoevendheid verhoogd tot ten hoogste de grondslag. De eerste zin vindt geen toepassing indien de jonggehandicapte in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering inzake ziektekosten komen.

 

Art. 1a:6. Uitsluitingsgronden  [GeschiedenisStb. 2014, 270Stb. 2017, 78]
-1. Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:
a. studerende zijn;
b. het rechtens zijn vrijheid zijn ontnomen;
c. het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
d. het niet in Nederland wonen;
e. het als vreemdeling niet rechtmatig verblijf houden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;
f. het bereiken of bereikt hebben van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de uitsluitingsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, niet geldt ten aanzien van vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.

 

Art. 1a:7. Nadere bepalingen met betrekking tot vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen  [GeschiedenisStb. 2014, 270]
-1. In afwijking van de artikelen 1a:2, eerste lid, en 1a:9 is artikel 1a:6, eerste lid, onderdeel b, eerst van toepassing met ingang van de dag dat de persoon één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, tenzij op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht bestaat op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 1a:6, eerste lid, onderdeel c.
-2. Artikel 1a:6, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een justitiële inrichting.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

 

Art. 1a:8. Niet in Nederland wonen  [GeschiedenisStb. 2014, 270]
-1. In afwijking van de artikelen 1a:2, eerste lid, en 1a:9 is artikel 1a:6, eerste lid, onderdeel d, eerst van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen.
-2. Het eerste lid is tevens van toepassing op de jonggehandicapte die buiten Nederland is gaan wonen en op wie artikel 1:2, derde lid, van toepassing is.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan artikel 1a:6, eerste lid, onderdeel d, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

 

Art. 1a:9. Einde van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering  [GeschiedenisStb. 2014, 270]
Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:
a. wanneer de jonggehandicapte mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in artikel 1a:1 heeft, met ingang van de dag aangegeven in de daartoe strekkende beschikking van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
b. op de dag dat er op de jonggehandicapte een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 1a:6, eerste lid, van toepassing is;
c. indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daartoe op verzoek van de jonggehandicapte besluit; of
d. indien de jonggehandicapte overlijdt.

 

Art. 1a:10. Herleving van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering  [GeschiedenisStb. 2014, 270Stb. 2017, 78]
-1. Indien op grond van artikel 1a:9, onderdeel a, het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd, herleeft het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering als de jonggehandicapte binnen vijf jaar na de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in artikel 1a:1 heeft en dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering had.
-2. Indien op grond van artikel 1a:9, onderdeel b, het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd omdat op de persoon die recht had op arbeidsongeschiktheidsuitkering één of meer uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 1a:6, eerste lid, onderdeel a tot en met e, van toepassing waren, herleeft het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering wanneer zich geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet.
-3. Indien op grond van artikel 1a:9, onderdeel c, het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd, herleeft het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien zich geen uitsluitingsgrond als bedoeld in aartikel 1a:6, eerste lid, voordoet. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering herleeft niet eerder dan één jaar na de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd.

 

Art. 1a:11. Aanvraag recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering  [GeschiedenisStb. 2014, 270]
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt op aanvraag vast of recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk bestaat.
-2. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk ontstaat op de dag waarop de aanvraag, bedoeld in dit artikel, werd ingediend, met dien verstande dat dit recht niet eerder kan ontstaan dan de dag waarop de betrokkene 18 jaar wordt.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die door de jonggehandicapte bij de aanvraag worden verstrekt.
-4. Indien de toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ambtshalve toe te kennen.

 

Art. 1a:12. Overeenkomstige toepasselijkheid bepalingen hoofdstuk 3  [GeschiedenisStb. 2014, 270Stb. 2015, 464]
-1. Met betrekking tot de jonggehandicapte en het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk zijn de volgende artikelen en daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing:
a. ter zake van onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie: de artikelen 3:12, 3:33, eerste lid, onderdeel b, tweede en derde lid, 3:34 en 3:36;
b. ter zake van de verplichtingen van de jonggehandicapte: de artikelen 3:35, eerste lid, en 3:74, eerste en tweede lid;
c. ter zake van maatregelen: de artikelen 3:37, 33:38, onderdeel a tot en met e en k, en 3:39, met dien verstande dat het tweede lid van overeenkomstige toepassing is voor zover het ziet op het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 3:74;
d. ter zake van bestuurlijke boeten: de artikelen 3:40, 3:43 en 3:44;
e. ter zake van de grondslag van de uitkering: artikel 3:7, derde en vierde lid;
f. ter zake van de tegemoetkoming in aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering: de artikelen 3:10 en 3:53;
g. ter zake van de vakantie-uitkering: de artikelen 3:24, 3:25, eerste, derde en vierde lid, 3:26, 3:32 en 3:52;
h. ter zake van de overlijdensuitkering: artikel 3:54;
i. ter zake van de betaling van de uitkering: de artikelen 3:45, eerste tot en met vierde lid, 3:47, 3:47a en 3:55;
j. ter zake van herziening of intrekking: artikel 3:18;
k. ter zake van terugvordering: de artikelen 3:56, 3:57, 3:58, 3:59 en 3:60;
l. ter zake van vervreemding, verpanding en volmacht tot ontvangst: de artikelen 3:61 en 3:62.
-2. De strafbepaling van artikel 84, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is van overeenkomstige toepassing.

 

 

HOOFDSTUK  2

Arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten ingestroomd van 2010 tot en met 2014

 

AFDELING  1

Algemene bepalingen

 

Art. 2:1. Algemene bepaling (5.1.1)  [GeschiedenisMvT Stb. 2009, 580 + bisversie 1 januari 2010]
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder grondslag: het minimumloon gedeeld door 21,75.

 

Art. 2:2. Maatmaninkomen (5.1.2) [Bu08]  [GeschiedenisMvT Stb. 2009, 580 + bisversie 1 januari 2010Stb. 2010, 840]
-1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder maatmaninkomen: het inkomen dat gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar de jonggehandicapte woont of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen, waarbij, zoveel doenlijk, rekening wordt gehouden met door de jonggehandicapte verkregen nieuwe bekwaamheden.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald hoe het maatmaninkomen, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld. [Sa]

 

Art. 2:3. Jonggehandicapte (5.1.3)  [GeschiedenisMvT Stb. 2009, 580 + bisversie 1 januari 2010]
-1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk is de ingezetene die:

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.