MEMORIE VAN TOELICHTING

Enkele nadere regelgeving:
- Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (vervallen voor de Wmo)
- Besluit maatschappelijke ondersteuning (vervallen)
- Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (vervallen)
- Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
- Regeling maatschappelijke ondersteuning (vervallen)
- Regeling tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (vervallen)
- Uitvoeringsbesluit Wmo 2015

Vervallen nadere regelgeving:
- Besluit bekendmaking regels ter uitvoering van het mantelzorgcompliment 2007 (vervallen)
- Regeling experimenten Wmo (vervallen)

Relevante overige regelgeving:
- Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (vervallen)
- Welzijnswet 1994 (vervallen)
- Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
- Wet voorzieningen gehandicapten (vervallen)

 

 

Inhoudsopgave Wmo

xx§ 1x Algemene bepalingen artt. 1 - 2
xx§ 2x Gemeenteraad en college van burgemeester en wethouders artt. 3 - 12
xx§ 2ax Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling artt. 12a - 12j
xx§ 2bx Kwaliteit en rechtspositie artt. 12k - 12n
xx§ 2cx Toezicht en handhaving artt. 12o - 12q
xx§ 3x Provinciale staten en gedeputeerde staten artt. 13 - 14
xx§ 5x Financiële tegemoetkomingen art. 19
xx§ 6x Uitkering aan mantelzorgers artt. 19a - 19b
xx§ 7x Specifieke uitkeringen art. 20
xx§ 8x Stimuleringsuitkeringen art. 21
xx§ 8ax Huishoudelijke verzorging artt. 21a
xx§ 8bx Steunpunt huiselijk geweld artt. 21b - 21j
xx§ 9x Gegevensverstrekking artt. 22 - 23
xx§ 10x Evaluatiebepaling art. 24
xx§ 11x Overige bepalingen artt. 25 - 26
xx§ 12x Wijziging van andere wetten artt. 27 - 37
xx§ 13x Overgangs- en slotbepalingen artt. 38 - 43
xxxxxxxx   xxxxxxxxxxxxr

Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2004-2005, 2005-2006, 30 131.
Handelingen II 2005-2006, blz. 2768-2801, 2993-3013, 3053-3056, 3056-3058, 3243-3244.
Kamerstukken I 2005-2006, 30 131 (A, B, C, C, E, F).
Handelingen I 2005-2006, blz. 1550-1573, 1589-1615, 1635-1654.

Geschiedenis:
Staatsblad 2006, 351Staatsblad 2006, 644Staatsblad 2008, 164Staatsblad 2009, 229Staatsblad 2009, 346Staatsblad 2010, 269Staatsblad 2011, 561Staatsblad 2012, 226Staatsblad 2012, 310Staatsblad 2012, 547Staatsblad 2013, 142Staatsblad 2013, 202Staatsblad 2013, 316Staatsblad 2014, 105Staatsblad 2014, 259Staatsblad 2014, 280Staatsblad 2014, 442.

 

 

WET van 29 juni 2006, Stb. 2006, 351, houdende nieuwe regels betreffende maatschappelijke ondersteuning (Wet maatschappelijke ondersteuning). Inwerkingtreding: 1 januari 2007.

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regels te stellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en daarbij de rol van de gemeente te versterken;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

§ 1.  Algemene bepalingen

 

Art. 1. [Begripsbepalingen]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2011, 561Stb. 2013, 142Stb. 2013, 202Stb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;
c. maatschappelijke opvang: het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door één of meer problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;
d. vrouwenopvang: het tijdelijk bieden van onderdak en begeleiding aan vrouwen die, al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben verlaten in verband met problemen van relationele aard of geweld;
e. openbare geestelijke gezondheidszorg: het signaleren en bestrijden van risicofactoren op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg, het bereiken en begeleiden van kwetsbare personen en risicogroepen, het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis of dreiging van crisis bij kwetsbare personen en risicogroepen en het tot stand brengen van afspraken tussen betrokken organisaties over de uitvoering van de openbare geestelijke gezondheidszorg;
f. verslavingsbeleid: maatschappelijke zorg gericht op verslaafden, alle individuele geneeskundige verslavingszorg daaronder niet begrepen, en preventie van verslavingsproblemen, met inbegrip van activiteiten in het kader van de bestrijding van overlast door verslaving;
g. maatschappelijke ondersteuning:
1º. het bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten;
2º. op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden;
3º. het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning;
4º. het ondersteunen van mantelzorgers, daar onder begrepen steun bij het vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken tijdelijk niet kunnen waarnemen, alsmede het ondersteunen van vrijwilligers;
5º. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;
6º. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer;
7º. het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang en het voeren van beleid ter bestrijding van geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is gepleegd;
8º. het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen;
9º. het bevorderen van verslavingsbeleid;
h. huishoudelijke verzorging: het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort;
i. steunfunctiewerk: activiteiten die het uitvoeren of voorbereiden daarvan ondersteunen van het door de gemeente te voeren beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning;
j. het CAK: het CAK, genoemd in artikel 48, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
k. huiselijk geweld: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld of bedreiging daarmee door iemand uit de huiselijke kring;
l. kindermishandeling: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg;
m. steunpunt huiselijk geweld: Steunpunt Huiselijk Geweld als bedoeld in artikel 21b;
n. advies- en meldpunt kindermishandeling: stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel e, van die wet;
o. persoonsgegevens, verwerking van persoonsgegevens, verantwoordelijke, onderscheidenlijk betrokkene: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens;
p. Richtlijn 2004/38/EG: Richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158).
-2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d. [Bmo]
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.

 

Art. 2. [Uitsluiting bij voorliggende voorziening]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.

 

 

§ 2.  Gemeenteraad en college van burgemeester en wethouders

 

Art. 3. [Beleidsplan gemeenteraad]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]
-1. De gemeenteraad stelt één of meer plannen vast die richting geven aan de door de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders te nemen beslissingen betreffende maatschappelijke ondersteuning.
-2. De gemeenteraad stelt het plan telkens voor een periode van ten hoogste vier jaren vast. Het plan kan tussentijds gewijzigd worden.
-3. Het plan bevat de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning.
-4. In het plan wordt in ieder geval aangegeven:
a. wat de gemeentelijke doelstellingen zijn op de verschillende in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, genoemde onderdelen van maatschappelijke ondersteuning;
b. hoe het samenhangende beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning zal worden uitgevoerd en welke acties in de door het plan bestreken periode zullen worden ondernomen;
c. welke resultaten de gemeente in de door het plan bestreken periode wenst te behalen;
d. welke maatregelen de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders nemen om de kwaliteit te borgen van de wijze waarop de maatschappelijke ondersteuning wordt uitgevoerd;
e. welke maatregelen de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders nemen om voor degene aan wie maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 2º, 5º en 6º, wordt verleend keuzevrijheid te bieden met betrekking tot de activiteiten van maatschappelijke ondersteuning;
f. op welke wijze de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders zich hebben vergewist van de behoeften van kleine doelgroepen.

 

Art. 4. [Voorzieningen voor zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2009, 346Stb. 2014, 280]
-1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 4º, 5º en 6º, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:
a. een huishouden te voeren;
b. zich te verplaatsen in en om de woning;
c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;
d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.
-2. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

 

Art. 4a. [Tegemoetkoming voor participatie en zelfstandig functioneren]  [GeschiedenisStb. 2014, 259Stb. 2014, 280]
Indien de verordening, bedoeld in artikel 5, eerste lid, daarin voorziet, verstrekt het college van burgemeester en wethouders aan personen met een beperking, chronisch psychisch of psychosociaal probleem en daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten een tegemoetkoming ter bevordering van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren.

 

Art. 5. [Verordening individuele voorzieningen]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2009, 346Stb. 2014, 259Stb. 2014, 280]
-1. De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet regels over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en over de voorwaarden waaronder personen die een aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
-2. De verordening, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste de bepaling:
a. op welke wijze de toegang tot het aanvragen van individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld;
b. op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend afgestemd op de situatie van de aanvrager worden bepaald.
-3. De verordening, bedoeld in het eerste lid, bevat tevens regels over de toepassing van artikel 4a.

 

Art. 6. [Keuzevrijheid PGB of voorziening in natura]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2009, 346Stb. 2014, 280]
-1. Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.
-2. Indien een persoon gekozen heeft voor een individuele voorziening in natura, dan wordt hem deze voorziening door of namens het college van burgemeester en wethouders verstrekt. Het college van burgemeester en wethouders laat de voorziening in natura zoveel mogelijk door derden verrichten. Indien een derde de voorziening in natura verricht, draagt het college van burgemeester en wethouders er zorg voor dat op de persoon die de voorziening in natura ontvangt geen werkgevers- of opdrachtgeversverplichtingen komen te rusten.
-3. Het persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt door het college van burgemeester en wethouders als bedrag aan de persoon die aanspraak heeft op een individuele voorziening verstrekt.

 

Art. 6a. [Inlichtingenverstrekking B&W over aanspraken]  [GeschiedenisStb. 2009, 346Stb. 2014, 280]
-1. Het college van burgemeester en wethouders licht de personen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, vooraf in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen in over de gevolgen van de keuze voor een individuele voorziening in natura, een persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, of een financiële tegemoetkoming.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop een persoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, door het college van burgemeester en wethouders geïnformeerd wordt over de keuze die deze persoon heeft tussen de individuele voorziening in natura, een persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, of een financiële tegemoetkoming.

 

Art. 7. [Buitentoepassingverklaring subsidiebepalingen Awb | Woningaanpassing]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2009, 346Stb. 2014, 280]
-1. Op het persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, en de financiële tegemoetkomingen is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
-2. Een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 8. [Individuele voorzieningen voor vreemdelingen]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2009, 229Stb. 2013, 202Stb. 2014, 280]
-1. Een vreemdeling kan voor het verlenen van een individuele voorziening, vrouwenopvang of het verstrekken van een uitkering als bedoeld in artikel 19a slechts in aanmerking komen indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
-2. Een vreemdeling kan voor het verlenen van maatschappelijke opvang slechts in aanmerking komen indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.
-3. In afwijking van het eerste of het tweede lid kunnen in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te noemen gevallen, zo nodig in afwijking van artikel 10 Vreemdelingenwet 2000, bij of krachtens die maatregel aan te geven categorieën niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen geheel of gedeeltelijk in aanmerking komen voor bij die maatregel aan te geven voorzieningen of voor een uitkering als bedoeld in artikel 19a. Het in aanmerking komen voor een voorziening of uitkering als bedoeld in artikel 19a geeft een vreemdeling geen recht op rechtmatig verblijf. [Bmo]
-4. In de in het derde lid genoemde maatregel kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders zorg draagt voor het verlenen van bij die maatregel aangewezen voorzieningen.

 

Art. 9. [Publicatie klanttevredenheidsonderzoek en prestatiegegevens]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
-1. Het college van burgemeester en wethouders publiceert jaarlijks vóór 1 juli:
a. de uitkomsten van onderzoek naar de tevredenheid van vragers van maatschappelijke ondersteuning over de uitvoering van de wet, die verkregen zijn volgens een methode die na overleg met representatieve organisaties op het gebied van maatschappelijke ondersteuning tot stand is gekomen; en
b. bij ministeriële regeling aangewezen gegevens over de prestaties van gemeenten op het gebied van maatschappelijke ondersteuning betreffende het voorgaande kalenderjaar. [Rmo]
-2. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt jaarlijks vóór 1 juli aan Onze Minister of een door Onze Minister aangewezen instelling de in het eerste lid omschreven gegevens.
-3. Onze Minister draagt er zorg voor dat op basis van de door de gemeente verstrekte gegevens vóór 1 januari volgend op de in het tweede lid genoemde datum een rapportage wordt opgesteld en gepubliceerd waarin de gegevens van de gemeenten worden vergeleken.

 

Art. 9a. [Kwaliteit en continuïteit maatschappelijke ondersteuning]  [GeschiedenisStb. 2012, 310Stb. 2014, 280]
-1. Het college van burgemeester en wethouders draagt voortdurend zorg voor de kwaliteit en de continuïteit van de maatschappelijke ondersteuning.
-2. Indien het college van burgemeester en wethouders het verlenen van maatschappelijke ondersteuning door derden laat verrichten of van derden zaken betrekt die in het kader van het verlenen van maatschappelijke ondersteuning aan een persoon in eigendom worden overgedragen of in bruikleen worden gegeven, waarborgt hij daarbij de kwaliteit en de continuïteit van de maatschappelijke ondersteuning.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verplichtingen van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in het eerste en tweede lid.

 

Art. 10. [Uitvoering en levering door derden]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2012, 310Stb. 2014, 280]
-1. Het college van burgemeester en wethouders laat het verlenen van maatschappelijke ondersteuning zoveel mogelijk verrichten door derden.
-2. Het college van burgemeester en wethouders betrekt zaken die in het kader van het verlenen van maatschappelijke ondersteuning aan een persoon in eigendom worden overgedragen of in bruikleen worden gegeven, van derden, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.
-3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het verlenen van huishoudelijke verzorging. Indien het college van burgemeester en wethouders evenwel besluit het verlenen van huishoudelijke verzorging door derden te laten verrichten, vindt dit plaats in de vorm die het college passend acht. Het college is daarbij niet verplicht tot het uitschrijven van een aanbesteding.

 

Art. 10a. [Overleg overname personeel door nieuwe aanbieder]  [GeschiedenisStb. 2009, 346Stb. 2014, 280]
-1. Degene die in opdracht van het college van burgemeester en wethouders huishoudelijke verzorging gaat verlenen aan personen die daarop aanspraak hebben, treedt met degenen die vóór hem in opdracht van het college van burgemeester en wethouders huishoudelijke verzorging hebben verleend in overleg over de overname van het betrokken personeel.
-2. Het college van burgemeester en wethouders ziet erop toe dat het in het eerste lid bedoelde overleg plaatsvindt.

 

Art. 10b. [Toezicht meldcode]  [GeschiedenisStb. 2013, 142Stb. 2014, 280]
-1. Het college van burgemeester en wethouders ziet erop toe dat:
a. een derde die maatschappelijke ondersteuning verleent als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 2º, 3º, 5º, 6º of 7º, een meldcode vaststelt, waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden;
b. indien een derde als bedoeld in het eerste lid beschikt over personeel, hij de kennis en het gebruik van die meldcode onder het personeel bevordert.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat. [Bvmhgk]

 

Art. 11. [Betrekking ingezetenen en belanghebbenden bij beleidsvoorbereiding]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
-1. Het college van burgemeester en wethouders betrekt de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.
-2. Het college van burgemeester en wethouders stelt ingezetenen van de gemeente en in de gemeente belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen vroegtijdig in de gelegenheid zelfstandig voorstellen voor het beleid inzake maatschappelijke ondersteuning te doen.
-3. Het college van burgemeester en wethouders verschaft informatie die nodig is ter uitvoering van het bepaalde in het eerste en tweede lid.
-4. Onverminderd het eerste lid vergewist het college van burgemeester en wethouders zich bij de voorbereiding van het beleid tevens van de belangen en behoeften van ingezetenen die hun belangen en behoeften niet goed kenbaar kunnen maken.

 

Art. 12. [Verplichte beleidsadvisering door vertegenwoordigers van vragers]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2009, 229Stb. 2014, 280]
-1. Alvorens een voordracht tot vaststelling door de gemeenteraad te doen, vraagt het college van burgemeester en wethouders over het ontwerpplan advies aan de gezamenlijke vertegenwoordigers van representatieve organisaties van de kant van vragers op het gebied van maatschappelijke ondersteuning.
-2. Het college van burgemeester en wethouders voegt bij de voordracht tot vaststelling door de gemeenteraad tevens een motivering hoe het de belangen en behoeften van personen als bedoeld in artikel 11, vierde lid, heeft gewogen.

 

 

§ 2a.  Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling

 

Art. 12a. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12b. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12c. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12d. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12e. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12f. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12g. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12h. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12i. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12j. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

 

§ 2b.  Kwaliteit en rechtspositie

 

Art. 12k. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12l. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12m. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12n. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

 

§ 2c.  Toezicht en handhaving

 

Art. 12o. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12p. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

Art. 12q. Treedt niet in werking[GeschiedenisStb. 2014, 105Stb. 2014, 280Stb. 2014, 442]

 

 

§ 3.  Provinciale staten en gedeputeerde staten

 

Art. 13. [Provinciaal beleid steunfunctiewerk]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
Provinciale staten onderscheidenlijk gedeputeerde staten dragen zorg voor het voeren van beleid betreffende het steunfunctiewerk.

 

Art. 14. [Gelijkstelling met provincie t.a.v. beleid steunfunctiewerk]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
-1. De gemeenteraad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht worden voor de toepassing van artikel 13 gelijkgesteld met provinciale staten onderscheidenlijk gedeputeerde staten.
-2. De in het eerste lid genoemde gemeenten worden ten aanzien van het beleid inzake steunfunctiewerk voor minderheden niet gelijk gesteld met een provincie.

 

 

§ 4.  Eigen bijdrage

 

Art. 15. [Eigen bijdrage]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2009, 346Stb. 2012, 547Stb. 2013, 202Stb. 2014, 280]
-1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een persoon van 18 jaar of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend een eigen bijdrage verschuldigd is:
a. voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, Wet op de loonbelasting 1964, en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming;
b. voor zover de ondersteuning bestaat uit maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang.
-2. De hoogte van de eigen bijdrage kan voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de eigen bijdrage. [Bmo] [Btczg] [UW]
-4. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid die betrekking heeft op het in het tweede lid bedoelde vermogen wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien één der kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt er geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na het besluit van die kamer der Staten-Generaal een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd.

 

Art. 16. [Vaststelling en inning eigen bijdrage door CAK]  [Geschiedenisversie 29 juni 2006Stb. 2011, 561Stb. 2013, 202Stb. 2014, 280]
Een eigen bijdrage wordt, met uitzondering van die voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang, vastgesteld en geïnd door het CAK. [Rmo]

 

Art. 17. Vervallen[Geschiedenisversie 29 juni 2006Stb. 2011, 561]

 

Art. 18. [Gebruik BSN bij eigen bijdrage]  [Geschiedenisversie 29 juni 2006Stb. 2008, 164Stb. 2013, 316Stb. 2014, 280]
Bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen personen en instellingen kunnen het burgerservicenummer van een persoon die een eigen bijdrage verschuldigd is, gebruiken voor zover dat noodzakelijk is ter uitvoering van de artikelen 16 en 19, waarbij eveneens van dat nummer gebruik kan worden gemaakt:
a. in het verkeer met de persoon op wie het nummer betrekking heeft; en
b. in hun contacten met de personen en instanties voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het gebruik van het nummer.

 

 

§ 5.  Financiële tegemoetkomingen

 

Art. 19. [Hoogte financiële tegemoetkomingen]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2012, 547Stb. 2014, 280]
-1. De hoogte van de financiële tegemoetkomingen kan voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de financiële tegemoetkomingen. [Bmo] [UW]
-3. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede lid die betrekking heeft op het in het eerste lid bedoelde vermogen wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien één der kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt er geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na het besluit van die kamer der Staten-Generaal een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd.

 

 

§ 6.  Uitkering aan mantelzorgers

 

Art. 19a. [Mantelzorguitkering] [Rmo]  [Geschiedenis: Stb. 2009, 229 + bisStb. 2014, 280]
-1. Onze Minister kan aan een persoon die mantelzorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, verleent, ter waardering van zijn werk een uitkering verstrekken.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verstrekken van een uitkering. In ieder geval worden regels gesteld met betrekking tot:
a. het bedrag van de uitkering;
b. de aanvraag van de uitkering;
c. de criteria die voor de verstrekking van de uitkering worden gesteld;
d. de betaling van de uitkering.
-3. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid delegeren aan een ander bestuursorgaan.
-4. Bij ministeriële regeling worden in geval van toepassing van het derde lid regels gesteld voor de uitvoering door het bestuursorgaan, de vergoeding van de kosten voor de uitvoering, de begroting van de uitgaven en kosten, de verantwoording van de uitgaven door het bestuursorgaan, de inrichting van de administratie en het verstrekken van inlichtingen door het bestuursorgaan aan Onze Minister.

 

Art. 19b. [Verstrekking persoonsgegevens mantelzorgers aan minister of bestuursorgaan]  [Geschiedenis: Stb. 2009, 229Stb. 2014, 105Stb. 2014, 280]
De Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg en een stichting als bedoeld in artikel 4 van de Wet op de jeugdzorg verstrekken aan Onze Minister of in geval van toepassing van artikel 19a, derde lid, aan het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 19a, derde lid, de persoonsgegevens die voor Onze Minister, respectievelijk het bestuursorgaan, noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 19a.

 

 

§ 7.  Specifieke uitkeringen

 

Art. 20. [Specifieke uitkering voor aangewezen gemeenten]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
-1. Onze Minister kan aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gemeenten een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van beleid op het terrein van openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid. [Bbdsiv] [Bmo]
-2. Onze Minister kan aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gemeenten een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van beleid op het terrein van vrouwenopvang. [Bbdsiv] [Bmo]
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van: [Bmo]
a. het bedrag van de uitkering dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
b. de aanvraag van een uitkering en de besluitvorming daarover;
c. de aan de verlening van een uitkering verbonden verplichtingen;
d. de vaststelling van de uitkering;
e. de intrekking of wijziging van de beschikking tot verlening en vaststelling van de uitkering;
f. de betaling, de terugvordering van de uitkering alsmede het verlenen van voorschotten op de uitkering.
-4. Een gemeente waaraan een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verstrekt en die financiële middelen verstrekt aan instellingen, draagt er zorg voor dat die instellingen overeenkomstig door Onze Minister bij ministeriële regeling te stellen regels hun werkzaamheden registreren en de geregistreerde gegevens verstrekken aan een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling. [Rmo]
-5. Een gemeente die een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid ontvangt, overlegt over de besteding van die uitkering met de omringende gemeenten.
-6. De door gemeenten ingevolge het eerste en tweede lid bekostigde voorzieningen op het terrein van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid zijn toegankelijk voor iedereen die in Nederland woont.

 

 

§ 8.  Stimuleringsuitkeringen

 

Art. 21. [Stimuleringsuitkering] [ReW]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
-1. Onze Minister kan aan gemeenten een uitkering verstrekken ten behoeve van de stimulering van de maatschappelijke ondersteuning.
-2. Artikel 20, derde lid, is van toepassing. [Bmo]

 

 

§ 8a.  Huishoudelijke verzorging

 

Art. 21a. [Basistarieven huishoudelijke verzorging]  [GeschiedenisStb. 2012, 226Stb. 2014, 280]
-1. De gemeenteraad stelt basistarieven vast voor het verlenen van huishoudelijke verzorging.
-2. De basistarieven worden vastgesteld:
a. op basis van reële kostprijzen van de onderscheidenlijke vormen van huishoudelijke verzorging; en
b. uitgaande van inzet van personeel door de aanbieder tegen arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden benodigd voor het leveren van huishoudelijke verzorging.
-3. Het college van burgemeester en wethouders neemt bij het aangaan van overeenkomsten met derden over het verlenen van huishoudelijke verzorging de door de gemeenteraad vastgestelde basistarieven in acht.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde basistarieven en de in het tweede lid bedoelde arbeidsvoorwaarden.
-5. Het ontwerp van een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden gedaan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die termijn door of namens één der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van één der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.

 

 

§ 8b.  Steunpunt huiselijk geweld

 

Art. 21b. [Organisatie en taken SHG]  [GeschiedenisStb. 2012, 226Stb. 2012, 310Stb. 2013, 142Stb. 2014, 280]
-1. Het college van burgemeester en wethouders van elk van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gemeenten draagt zorg voor de organisatie van een steunpunt huiselijk geweld ten behoeve van die gemeente en de omliggende regio.
-2. Een steunpunt huiselijk geweld oefent de volgende taken uit:
a. het fungeren als meldpunt voor gevallen of vermoedens van huiselijk geweld;
b. het in kennis stellen van een instantie die passende professionele hulp kan verlenen bij huiselijk geweld van een melding van huiselijk geweld of een vermoeden daarvan indien het belang van de betrokkene dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft;
c. het in kennis stellen van de politie van een melding van huiselijk geweld of een vermoeden daarvan indien het belang van de betrokkene dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft;
d. het in kennis stellen van het advies- en meldpunt kindermishandeling van een melding van huiselijk geweld of een vermoeden daarvan als er kinderen in het gezin zijn;
e. het op de hoogte stellen van degene die een melding heeft gedaan, van de stappen die naar aanleiding van de melding zijn ondernomen.
-3. Het steunpunt huiselijk geweld verstrekt aan degene die een vermoeden van huiselijk geweld heeft desgevraagd advies over de stappen die in verband daarmee kunnen worden ondernomen en verleent daarbij zo nodig ondersteuning.
-4. Het college van burgemeester en wethouders van elk van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gemeenten bevordert een goede samenwerking tussen het steunpunt huiselijk geweld en het advies- en meldpunt kindermishandeling, de hulpverlenende instanties en de politie.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de werkwijze van een steunpunt huiselijk geweld bij de uitoefening van de taken, bedoeld in het tweede en derde lid, en over de deskundigheid waarover een steunpunt huiselijk geweld moet beschikken om een verantwoorde uitvoering van zijn taken te kunnen realiseren.

 

Art. 21c. [Doel verwerking persoonsgegevens]  [GeschiedenisStb. 2013, 142 + bisStb. 2014, 280]
Het steunpunt huiselijk geweld verwerkt persoonsgegevens ten behoeve van de goede vervulling van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede en derde lid. Het steunpunt huiselijk geweld is de verantwoordelijke voor deze verwerking.

 

Art. 21d. [Verwerking persoonsgegevens zonder toestemming betrokkene]  [GeschiedenisStb. 2013, 142Stb. 2014, 280]
-1. Een steunpunt huiselijk geweld kan zonder toestemming van degene die het betreft persoonsgegevens uitsluitend verwerken indien dit noodzakelijk is te achten voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid.
-2. Een steunpunt huiselijk geweld kan zonder toestemming van degene die het betreft bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens, uitsluitend verwerken indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van huiselijk geweld kan worden afgeleid en dit noodzakelijk is te achten voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid.
-3. Derden die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep tot geheimhouding zijn verplicht, kunnen, zonder toestemming van degene die het betreft, aan een steunpunt huiselijk geweld desgevraagd of uit eigen beweging inlichtingen verstrekken waarover zij beroepshalve beschikken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld te beëindigen of een redelijk vermoeden van huiselijk geweld te onderzoeken.

 

Art. 21e. Vervallen[GeschiedenisStb. 2013, 142Stb. 2013, 316]

 

Art. 21f. [Informeren betrokkene over door een ander verstrekte persoonsgegevens]  [GeschiedenisStb. 2013, 142Stb. 2014, 280]
-1. Indien aan een steunpunt huiselijk geweld bij de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid, persoonsgegevens worden verstrekt door een ander dan de betrokkene, brengt hij, in afwijking van artikel 34, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, de betrokkene hiervan zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na het moment van vastlegging van de hem betreffende gegevens, op de hoogte.
-2. De in het eerste lid genoemde termijn kan door het steunpunt huiselijk geweld telkens met ten hoogste twee weken worden verlengd voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid, en dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken.
-3. In afwijking van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens kan een steunpunt huiselijk geweld de mededeling als bedoeld in dat artikel aan de betrokkene achterwege laten voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin het bekendmaken van de identiteit van de persoon die het huiselijk geweld of het vermoeden daarvan heeft gemeld of van de persoon van wie informatie in het kader van het onderzoek is verkregen, achterwege kan blijven. [Bvmhgk]

 

Art. 21g. [Inzagerecht]  [GeschiedenisStb. 2013, 142Stb. 2014, 280]
-1. Het steunpunt huiselijk geweld verstrekt aan een betrokkene desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden waarover deze met betrekking tot die betrokkene beschikt.
-2. Inzage in of afschrift van de bescheiden wordt aan de betrokkene geweigerd, indien deze:
a. jonger dan 12 jaar is; of
b. de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
-3. Indien de betrokkene jonger is dan 16 jaar of de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden desgevraagd aan de wettelijke vertegenwoordiger inlichtingen dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden verstrekt, tenzij het belang van de betrokkene zich daartegen verzet.
-4. Inlichtingen over, inzage in of afschrift van bescheiden kan worden geweigerd voor zover de persoonlijke levenssfeer van een ander dan de betrokkene daardoor zou worden geschaad dan wel dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid, of om een situatie van huiselijk geweld te beëindigen dan wel een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken.
-5. Voor de verstrekking van een afschrift kan een vergoeding worden gevraagd overeenkomstig de krachtens artikel 39 van de Wet bescherming persoonsgegevens gestelde regels.

 

Art. 21h. [Toestemmingsvereiste inlichtingenverstrekking]  [GeschiedenisStb. 2013, 142Stb. 2014, 280]
-1. Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde verstrekt een steunpunt huiselijk geweld aan anderen dan de betrokkene geen inlichtingen over de betrokkene, dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden, dan met toestemming van de betrokkene.
-2. Indien de betrokkene minderjarig is, is in plaats van diens toestemming de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij:
a. jonger is dan 12 jaar; of
b. de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
-3. Onder anderen dan de betrokkene zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking vereist is bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid, door het steunpunt huiselijk geweld.

 

Art. 21i. [Bewaarplicht]  [GeschiedenisStb. 2013, 142Stb. 2014, 280]
Onverminderd artikel 21j bewaart het steunpunt huiselijk geweld bescheiden die deze met betrekking tot een betrokkene onder zich heeft gedurende vijftien jaren, te rekenen van het tijdstip van ontvangst of waarop zij door het steunpunt huiselijk geweld zijn vervaardigd, of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid, noodzakelijk is.

 

Art. 21j. [Vernietigingsrecht]  [GeschiedenisStb. 2013, 142Stb. 2014, 280]
-1. Het steunpunt huiselijk geweld vernietigt de door hem bewaarde bescheiden binnen drie maanden na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van degene op wie de bescheiden betrekking hebben.
-2. Het eerste lid geldt niet voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet.
-3. Het verzoek wordt niet ingewilligd indien het gedaan is door iemand die:
a. jonger is dan 12 jaar; of
b. minderjarig is en de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
-4. In de gevallen, bedoeld in het derde lid, kan het verzoek door een wettelijke vertegenwoordiger worden gedaan.

 

 

§ 9.  Gegevensverstrekking

 

Art. 22. [Gegevensverstrekking B&W aan minister]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
-1. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze Minister de gegevens die hij met betrekking tot deze wet nodig heeft.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde gegevens.

 

Art. 23. [Gegevensverstrekking Belastingdienst aan B&W en CAK]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2011, 561Stb. 2014, 280]
De rijksbelastingdienst verstrekt:
a. het college van burgemeester en wethouders de persoonsgegevens die voor het college noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 19; en
b. het CAK de persoonsgegevens die voor het CAK noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 16.

 

 

§ 10.  Evaluatiebepaling

 

Art. 24. [Evaluatiebepaling]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

 

 

§ 11.  Overige bepalingen

 

Art. 25. [Onvervreemdbaarheid roerende zaken]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
Roerende zaken voor de aanschaf waarvan krachtens deze wet een financiële tegemoetkoming is verstrekt, die zijn aangeschaft met een persoonsgebonden budget of die krachtens deze wet in eigendom of bruikleen zijn verleend, zijn niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, zolang die roerende zaken voor de rechthebbende op die zaken nodig zijn. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.

 

Art. 26. [Motivering besluit op aanvraag en op bezwaar of administratief beroep]  [Geschiedenisversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
-1. De motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.
-2. Bij een beslissing op het bezwaar als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en een beslissing op het beroep als bedoeld in artikel 7:26 van de Algemene wet bestuursrecht is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

 

 

§ 12.  Wijziging van andere wetten

 

Art. 27. [Wijziging Kaderwet VWS-subsidies]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
De Kaderwet volksgezondheidssubsidies wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT + bis]
In artikel 2 worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:
d. de maatschappelijke zorg, voor zover van landelijke betekenis;
e. de sport, voor zover van landelijke betekenis.
B. [MvT + bis]
Artikel 3 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het tweede lid vervalt onderdeel i en wordt tevens de puntkomma aan het slot van onderdeel h vervangen door een punt.
2. Een derde lid wordt toegevoegd, luidende:
-3. Onze Minister kan de uitvoering van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid, met inbegrip van het nemen van besluiten op grond van deze regels, delegeren aan andere bestuursorganen.
C. [MvT]
Artikel 11 komt te luiden:
Art. 11.
Deze wet wordt aangehaald als: Kaderwet VWS-subsidies.

 

Art. 28. [Wijziging Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
Artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2º, onder b, van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen komt te luiden:
b. door Onze Minister op grond van de Kaderwet VWS-subsidies of een gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning;.

 

Art. 29. [Wijziging Wet klachtrecht cliënten zorgsector]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
De Wet klachtrecht cliënten zorgsector wordt gewijzigd als volgt:
1. Artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, onder b, komt te luiden:
b. maatschappelijke ondersteuning wordt geboden door derden als bedoeld in artikel 10 van de Wet maatschappelijke ondersteuning;.
2. In artikel 1, eerste lid, onderdeel d, tweede en derde lid, wordt "maatschappelijke zorg" telkens vervangen door: maatschappelijke ondersteuning.

 

Art. 30. [Wijziging Wcpv]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
Artikel 2, tweede lid, onderdeel f, van de Wet collectieve preventie volksgezondheid komt te luiden:
f. het bieden van psychosociale hulp bij rampen.

 

Art. 31. [Wijziging Boek 7 BW]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2006, 644Stb. 2014, 280]
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 255 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, vervalt de zinsnede ", als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet voorzieningen gehandicapten,".
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-3. Onder gehandicapte in het eerste lid wordt verstaan een persoon die tengevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt.
B. [MvT]
Artikel 274 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid, onderdeel b, vervalt de zinsnede "als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet voorzieningen gehandicapten".
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-7. Onder gehandicapte in het derde lid wordt verstaan een persoon die tengevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt.

 

Art. 32. [Wijziging Woningwet]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
-1. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet het bij koninklijke boodschap van 5 januari 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Woningwet (Kamerstukken II 2003-2004, 29 392, nrs. 1-2) (verbetering handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving) nog niet tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt artikel 15a van de Woningwet als volgt gewijzigd:
a. In het eerste lid vervalt de zinsnede "in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten".
b. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Onder gehandicapte in het eerste lid wordt verstaan een persoon die tengevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt.
-2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, wordt in het in dat lid genoemde voorstel van wet, nadat dat tot wet is verheven, in artikel I, onderdeel L, in artikel 16 van de Woningwet, "de Wet voorzieningen gehandicapten" vervangen door: de Wet maatschappelijke ondersteuning.

 

Art. 33. [Wijziging Woningwet]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet het bij koninklijke boodschap van 5 januari 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Woningwet (Kamerstukken II 2003-2004, 29 392, nrs. 1-2) (verbetering handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving), na tot wet te zijn verheven, in werking is getreden, wordt in artikel 16 van de Woningwet "de Wet voorzieningen gehandicapten" vervangen door: de Wet maatschappelijke ondersteuning.

 

Art. 34. [Wijziging Wet GBA]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
In artikel 67, vierde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt "2, onderdeel d, van de Welzijnswet 1994 (Stb. 1994, 447)" vervangen door: 1, eerste lid, onderdeel g, onder 7º, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

 

Art. 35. [Wijziging Win]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
Artikel 24, vierde lid, van de Wet inburgering nieuwkomers komt te luiden:
-4. Voor zover deze wet of de Wet educatie en beroepsonderwijs daarin niet voorziet, alsmede indien nodig in afwijking van het bij of krachtens deze wetten bepaalde, worden bij ministeriële regeling regels vastgesteld ten behoeve van een goede invoering van deze wet of de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals gewijzigd door deze wet.

 

Art. 36. [Wijziging Wk]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
De Wet kinderopvang wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 90 komt te luiden:
Art. 90.
-1. Het college van burgemeester en wethouders neemt in het register, bedoeld in artikel 46, de kindercentra en gastouderbureaus op die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang blijkens een door de betrokken gemeente verstrekte verklaring of vergunning voldoen aan de krachtens de Welzijnswet 1994 gestelde eisen met betrekking tot de kwaliteit, zoals die wet luidde vóór 1 januari 2005. Artikel 46 is van toepassing.
-2. Een houder van een kindercentrum of gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid verstrekt desgevraagd aan het college de gegevens, bedoeld in artikel 45, tweede lid. Hoofdstuk 5 is van overeenkomstige toepassing.
-3. Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang werkzaam zijn bij een kindercentrum of bij een gastouderbureau dan wel gastouders die op dat tijdstip gastouderopvang bieden door tussenkomst van een gastouderbureau, leggen aan de houder binnen twee maanden na de inwerkingtreding een verklaring over als bedoeld in artikel 50, tweede lid. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt met een verklaring als bedoeld in artikel 50, tweede lid, gelijkgesteld een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag.
B.
Artikel 97 komt te luiden:
Art. 97.
Ten aanzien van vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang door het Rijk en gemeenten op grond van de Welzijnswet 1994 verleende subsidies en uitkeringen aan kinderopvang, voor zover dat kinderopvang betreft waarop deze wet van toepassing is, blijft het bepaalde bij of krachtens de Welzijnswet 1994, zoals dat laatstelijk vóór 1 januari 2005 luidde, van toepassing op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van die subsidies en uitkeringen.

 

Art. 37. [Wijziging bijlage Bw]  [Geschiedenisversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
In bijlage C van de Beroepswet wordt na onderdeel 24d een onderdeel ingevoegd, luidende als volgt:
24e. Wet maatschappelijke ondersteuning.

 

 

§ 13.  Overgangs- en slotbepalingen

 

Art. 38. [Omhanging lagere regelgeving]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2010, 269Stb. 2014, 280]
Na de inwerkingtreding van artikel 20 van deze wet berust het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid op het eerste en tweede lid van dat artikel.

 

Art. 39. [Intrekking Welzijnswet 1994; overgangsrecht]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
De Welzijnswet 1994 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft:
a. op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van op grond van de Welzijnswet 1994 verleende subsidies en uitkeringen, aangevraagde en aan te vragen subsidies en uitkeringen tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet; ¹
b. in wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten die op grond van de Welzijnswet 1994 zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie.

1. Volgens de redactie dient "de wet" te worden vervangen door: deze wet.

 

Art. 40. [Intrekking Wvg; overgangsrecht]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
-1. De Wet voorzieningen gehandicapten wordt ingetrokken, met dien verstande dat:
a. zij van toepassing blijft op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten verleende uitkeringen, aangevraagde en aan te vragen uitkeringen tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet; ¹
b. artikel 9 van de Wet voorzieningen gehandicapten van toepassing blijft op roerende zaken voor de aanschaf waarvan met toepassing van of krachtens die wet een financiële vergoeding is verleend, dan wel die met toepassing van of krachtens die wet in eigendom of bruikleen zijn verleend;
c. andere rechten en verplichtingen dan die die voortvloeien uit artikel 9 van de Wet voorzieningen gehandicapten als bedoeld onder b, die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot een beschikking waarbij op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten een voorziening is verleend, blijven gelden gedurende de looptijd van de beschikking, doch ten hoogste één jaar na de inwerkingtreding van deze wet;
d. zij van toepassing blijft ten aanzien van een aanvraag om een woonvoorziening, vervoersvoorziening of rolstoel tot drie maanden nadat de gemeenteraad de verordening, bedoeld in artikel 5 van deze wet, heeft vastgesteld, doch uiterlijk tot één jaar na de inwerkingtreding van deze wet.
-2. Indien op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, met toepassing van de Wet voorzieningen gehandicapten bij beschikking een voorziening is verleend, blijven de andere rechten en verplichtingen dan die die voortvloeien uit artikel 9 van die wet als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met betrekking tot die beschikking gelden gedurende de looptijd van de beschikking, doch ten hoogste één jaar na de inwerkingtreding van deze wet.
-3. In wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten die op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, blijven, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie, de regels van toepassing die golden vóór de intrekking van die wet.

1. Volgens de redactie dient "de wet" te worden vervangen door: deze wet.

 

Art. 41. [Overgangsregime huishoudelijke verzorging]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
-1. In afwijking van artikel 1, eerste lid, onderdeel h, wordt in dit artikel verstaan onder huishoudelijke verzorging: het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem die of dat leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort, te verlenen door een instelling.
-2. De aanspraken op zorg, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, omvatten niet huishoudelijke verzorging ten behoeve van het behoud van zelfstandig functioneren of deelname aan het maatschappelijke verkeer.
-3. De rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot huishoudelijke verzorging waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven vóór de inwerkingtreding van deze wet, tenzij de verzekerde in het buitenland woont, blijven gelden gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste één jaar na de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat het college van burgemeester en wethouders in de plaats treedt van de zorgverzekeraar van betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en dat betrokkene de bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, aan het college van burgemeester en wethouders is verschuldigd.
-4. Op een aanvraag om huishoudelijke verzorging wordt door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene woont, tot drie maanden nadat de gemeenteraad de verordening, bedoeld in artikel 5, heeft vastgesteld, doch uiterlijk tot één jaar na de inwerkingtreding van deze wet, een beslissing genomen overeenkomstig de regels zoals die vóór de inwerkingtreding van deze wet op deze verzorging van toepassing waren, met dien verstande dat het college van burgemeester en wethouders optreedt als onafhankelijk indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
-5. Indien op grond van het vierde lid op een aanvraag een indicatiebesluit voor huishoudelijke verzorging is afgegeven, is het derde lid van overeenkomstige toepassing.
-6. In wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten betreffende huishoudelijke verzorging die op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, blijft, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie, het bepaalde bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten van toepassing.

 

Art. 42. [Inwerkingtreding]  [GeschiedenisMvTversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

 

Art. 43. [Citeertitel]  [Geschiedenisversie 29 juni 2006Stb. 2014, 280]
Deze wet wordt aangehaald als: Wet maatschappelijke ondersteuning.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te ’s-Gravenhage, 29 juni 2006

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp

 

Uitgegeven de eerste augustus 2006
De Minister van Justitie a.i.,
S.M. Dekker