Geschiedenis van dit besluit:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
01-01-2002   Intrekking Stb. 1995, 199,
samen met
Stb. 1999, 355
Stb. 1995, 201
27-08-1999   Wijziging Stb. 1999, 355 Stb. 1999, 355
01-01-1996   Nieuwe regeling Stb. 1995, 317 Stb. 1995, 201

 

 

BESLUIT van 3 juni 1995, houdende regels met betrekking tot de criteria voor de aanwijzing van gemeenten die deelnemen aan experimenten op grond van de Abw

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 maart 1995, Directie Bijstandszaken, nr. BZ/VOL/95/657;
     Gelet op artikel 144, tweede lid, van de Algemene bijstandswet;
     De Raad van State gehoord (advies van 25 april 1995, nr. W12.95.0143.);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 mei 1995, Directie Bijstandszaken nr. BZ/VOL/1596/I;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1. [Inachtneming bepalingen m.b.t. aanwijzing]
Onze Minister neemt bij de aanwijzing van gemeenten op grond van artikel 144, eerste lid, van de Algemene bijstandswet de bepalingen van dit besluit in acht.

 

Art. 2. [Voorwaarden aanwijzing]
Onze Minister kan verzoeken tot aanwijzing slechts inwilligen, indien:
a. de uit te voeren experimenten naar zijn oordeel in voldoende mate zullen bijdragen aan een meer doelmatige bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening en van sociale activering, alsmede aan de oordeelsvorming over wijziging van de regelgeving ter zake;
b. een experiment naar zijn oordeel qua aard en inhoud voldoende bijdraagt aan een meer doelmatige bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening en van sociale activering ten opzichte van andere experimenten;
c. de uit te voeren experimenten betrekking hebben op personen die sedert één jaar of langer geen arbeid in dienstbetrekking of in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hebben verricht;
d. de experimenten door de gemeenten zijn omgeven met maatregelen ten behoeve van een goede uitvoering, begeleiding en informatievoorziening voor de evaluatie;
e. door de gemeenten is voorzien in voorlichting aan belanghebbenden omtrent hun rechten en plichten;
f. het verzoek de voortzetting van een experiment waarvoor de gemeente op grond van artikel 144, eerste lid, van de Algemene bijstandswet is aangewezen betreft.

 

Art. 2a. [Opschorting vervaldatum experimenteerartikel] ¹
De periode, genoemd in artikel 147, eerste lid, van de Algemene bijstandswet, wordt met twee jaar verlengd.

1. Zie Besluit van 28 juli 1999, Stb. 1999, 355, red.

 

Art. 3. [Waarborgen tegen verdringing en doorkruising]
Door aan te wijzen gemeenten uit te voeren experimenten bevatten waarborgen tegen:
a. onaanvaardbare verdringing van andere arbeid;
b. onaanvaardbare doorkruising van hetgeen overigens geldt met betrekking tot de bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening;
c. onaanvaardbare doorkruising van andere maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid;
d. oneerlijke mededinging jegens derden.

 

Art. 4. [Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Algemene bijstandswet in werking treedt.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 3 juni 1995

 

BEATRIX

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert

 

Uitgegeven de tweeëntwintigste juni 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[3 juni 1995]

 


     De algemene maatregel van bestuur stelt regels met betrekking tot de beleidsinhoudelijke criteria voor de aanwijzing van gemeenten tot deelname aan experimenten op grond van artikel 144 van de Algemene bijstandswet (Abw). Regels voor wat betreft criteria betrekking hebbend op de vorm van en de te volgen procedures bij de experimenten kunnen, indien daar aanleiding toe bestaat, worden gesteld bij ministeriële regeling overeenkomstig artikel 144, zevende lid, van de Abw [zie Regeling verzoek tot aanwijzing als experimenteergemeente, red.]. De daadwerkelijke aanwijzing tot experimenteergemeente vindt plaats bij ministeriële beschikking. Gemeenten kunnen slechts voor aanwijzing in aanmerking komen op hun verzoek en op basis van door de gemeente zelf in te dienen voorstellen voor experimenten die de activerende werking van de bijstand kunnen vergroten. Hierbij gaan de gedachten uit naar het op experimentele basis uittesten van alternatieve maatregelen waardoor bepaalde personen die geen recente band met de arbeidsmarkt hebben én die niet of nauwelijks kansen hebben op de arbeidsmarkt toch voor enigerlei vorm van activering in aanmerking komen. Het uitgangspunt van de experimentsvoorstellen van de gemeenten moet zijn dat daarmee enige verbetering in de situatie van uitkeringsgerechtigden gerealiseerd zal worden, geredeneerd vanuit de betrokken uitkeringsgerechtigden zelf.

     Artikel 144 heeft tot doel het bij wijze van experiment wegnemen van de wettelijke belemmeringen tegen het werken of ondernemen van activiteiten met behoud van uitkering teneinde de haalbaarheid te onderzoeken van de sociale activering. Aangewezen gemeenten mogen dan bij wijze van experiment afwijken van bepaalde artikelen van de Abw. Voorbeelden van mogelijke afwijkingen van de Abw zijn onder andere: het verlenen van ontheffing van de sollicitatie- en arbeidsplicht, de verplichting tot deelname aan dienstverlenende activiteiten anders dan die rechtstreeks tot doel hebben inschakeling in het arbeidsproces of tot vermindering of beëindiging van de uitkering, de uitbetaling van de uitkering via andere organisaties, het vrijlaten van premies voor andere activiteiten dan arbeid in loondienst, het inschakelen van andere bemiddelende instanties dan Arbeidsvoorziening [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.] en ruimere mogelijkheden ten aanzien van de bijstandverlening aan zelfstandigen.

     Overigens voorziet het experimenteerartikel niet in financiering van welke kosten van de experimenten dan ook, zodat hierin noch in deze algemene maatregel van bestuur, noch in de eventuele ministeriële regeling uitwerking wordt gegeven. Daarbij onderscheiden deze experimenten zich van de experimenten met de inzet van uitkeringsgelden.

     De experimentsvoorstellen van gemeenten kunnen zich onder meer richten op het stimuleren van uitkeringsgerechtigden in een kansarme of kansloze arbeidsmarktsituatie tot deelname aan buurtgerichte activiteiten, aanvullende activiteiten in de toezichtsfeer en andere vormen van dienstverlening met behoud van uitkering.

     Door vanuit de gemeenten een traject ter stimulering tot deelname aan onbeloonde activiteiten met behoud van uitkering open te stellen, kunnen twee doelen nagestreefd worden. Enerzijds kan hierdoor een proces van toeleiding naar de arbeidsmarkt worden ingezet. In dit geval gaat het om een voorbereidingsfase voor eventuele vervolgtoeleidingstrajecten, als onderdeel van een individueel begeleidingstraject dat gericht is op het zoveel mogelijk verbeteren van de arbeidsmarktkansen van betrokkene, ook al is dit op langere termijn. Via stageachtige activiteiten kan deze weer wennen aan arbeidsritme en het werken in teamverband. De nog aanwezige arbeidscapaciteit kan op deze manier in stand worden gehouden en er vindt in elk geval geen verdere achteruitgang plaats van die arbeidscapaciteit. Artikel 144 biedt daartoe aangewezen gemeenten tijdelijk de mogelijkheid om bij wijze van experiment deelname aan bedoelde dienstverlenende activiteiten aan bepaalde personen als verplichting op te leggen. Dit kan echter alleen als onderdeel van een individueel trajectplan in de richting van een zelfstandige bestaansvoorziening. Het kabinet meent dat er aanleiding is om bij wijze van experiment vast te stellen in welke mate ook dit voor een meer algemene toepassing in de toekomst een redelijke invulling is van de verplichting voor uitkeringsgerechtigden om al het mogelijke te doen om uit de uitkeringssituatie te geraken, ook wanneer dit een verder liggend perspectief is.

     Anderzijds, voor diegenen van wie verwacht kan worden dat toeleidingstrajecten in welke vorm dan ook niet op afzienbare termijn tot uitstroom zullen leiden, kan deelname aan maatschappelijk nuttige activiteiten bijdragen aan het voorkomen en bestrijden van sociale uitsluiting. Het gaat er daarbij om dat de bijstandsgerechtigde ingeschakeld wordt bij activiteiten die kunnen bijdragen aan het voorkomen en het bestrijden van sociale uitsluiting en het doorbreken van sociaal isolement. Gezien de geringe kans op zelfstandige bestaansvoorziening ligt het in de rede om in deze situaties slechts tot vrijwillige deelname te stimuleren. Een verplichtstelling is hierbij derhalve niet aan de orde.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting


Artikel 1

     In verband met de vele onzekerheden omtrent de aard, hoeveelheid en inhoud van de te ontvangen voorstellen voor experimenten en in verband met de voor experimenten noodzakelijke flexibiliteit wordt volstaan met algemene voorwaarden en regels met betrekking tot de inhoud van de voorstellen. De voorwaarden en regels zijn bepalend bij het selectie- en beoordelingsproces van de experimentsvoorstellen.

 

Artikel 2

     Onderdeel a: met de bepaling dat de aangewezen experimenten naar verwachting in voldoende mate bij dienen te dragen aan een meer doelmatige bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening en van sociale activering, alsmede aan de oordeelsvorming over wijziging van de regelgeving ter zake, wordt beoogd dat experimenten getoetst zullen worden op eventuele nationale toepasbaarheid in een later stadium. Experimenten waarvan al op voorhand vaststaat dat ze, vanwege de omvang of aard van de activeringsmaatregelen, niet voor definitieve toepassing geschikt kunnen zijn, zullen derhalve niet worden geselecteerd.
     Met onderdeel b wordt beoogd een zodanige diversiteit in de inhoud van het totaal van experimenten te bewerkstelligen dat een te eenzijdig experimenteren wordt voorkomen.
     De bepaling onder onderdeel c heeft betrekking op de doelgroep van de activeringsexperimenten. Hierbij is bepaald dat experimenten niet alleen betrekking kunnen hebben op bijstandsgerechtigden aan wie op grond van de Abw de arbeidsverplichting is opgelegd, maar dat ook andere bijstandsgerechtigden, die niet of nauwelijks kansen hebben op de arbeidsmarkt, toch voor enigerlei vorm van activering in aanmerking komen, onafhankelijk van de duur van de uitkeringstermijn. Hieronder kunnen dus eveneens worden begrepen bijstandsgerechtigden die nog geen jaar bijstandsafhankelijk zijn, maar wel minimaal één jaar geen arbeid in dienstbetrekking of in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hebben verricht. Het is van belang dat experimentsvoorstellen duidelijk aangeven op welke doelgroepen de verschillende activeringsinstrumenten van toepassing zullen zijn.
     Onderdeel d bevat de voorwaarde dat bij experimentsvoorstellen moet vaststaan op welke wijze invulling is gegeven aan het beheer en de uitvoering van het experiment en de voor (interim) eventuele noodzakelijke informatievoorziening. Het is duidelijk dat een doorzichtige beheersstructuur van groot belang is teneinde de experimenten te kunnen beoordelen en evalueren. Overigens geldt hierbij dat in een deugdelijke evaluatie voorzien zal worden van rijkswege. Onderdeel e heeft betrekking op de voorlichting die verstrekt dient te worden aan de betrokken personen inzake hun rechten en plichten uit hoofde van de activeringsmaatregelen. Bij de beoordeling van voorstellen zal hiermee rekening gehouden worden.

     In principe zullen de vier grote steden, als cumulatiegebieden van achterstands- en werkloosheidsproblemen die zeer urgent tot oplossingen dwingen, op hun verzoek bij voorrang in aanmerking komen voor experimenten. Daarnaast kunnen ook andere gemeenten voorstellen tot experimenteren indienen. Criteria die dan een rol spelen bij de beoordeling van voorstellen betrekking hebbend op kleinere gemeenten zijn een gewenste mate van regionale spreiding en spreiding naar inwonertal in relatie tot de schaalgrootte van het experiment. Dit is bepaald in artikel 2, tweede lid. Hiermee wordt echter de mogelijkheid tot experimenteren in gemeenten met een geringe regionale afstand tot elkaar óf met een vergelijkbaar inwonertal niet op voorhand uitgesloten als diversiteit in aard en inhoud van het experiment toch aanleiding geven tot simultane selectie. De aard en inhoud van het experiment zijn in dat geval dan zwaarwegender criteria dan de regionale spreiding en het inwonertal.

 

Artikel 3

     De voorstellen zullen in de eerste plaats beoordeeld worden op de wijze waarop in het experiment waarborgen ingebouwd gaan worden tegen onaanvaardbare verdringing van andere arbeid. Hierbij kan dan, los van de verdringing van reguliere arbeid, eveneens gedacht worden aan de verdringing van onbetaalde of gesubsidieerde arbeid. Het is niet de bedoeling dat vrijwilligers af moeten zien van hun onbetaalde werkzaamheden als gevolg van de inzet van de uitkeringsgerechtigden op hun posities. Ook zal onaanvaardbare vervalsing van het gemeentebudget als gevolg van de inzet van uitkeringsgerechtigden bij onbeloonde activiteiten met behoud van uitkering vermeden dienen te worden. Het gaat hierbij dan om activiteiten die voorheen uit het gemeentebudget werden gefinancierd, maar als gevolg van bezuinigingsronden en taakstellingen uit het gemeentelijk takenpakket verdwenen zijn. De experimentsvoorstellen zullen aanwijzingen moeten bevatten omtrent de wijze van aanpak ter voorkoming van de budgetvervalsing. Ook zullen gemeenten aan moeten geven hoe strijdigheid tussen experiment en ander werkgelegenheidsbeleid inclusief de concurrentie met andere instrumenten ter bevordering van de werkgelegenheid wordt voorkomen. Het uitgangspunt blijft dat de prioriteit ligt bij uitstroom naar in de eerste plaats reguliere arbeid, waaronder de in de regeringsverklaring aangekondigde 40 000 extra arbeidsplaatsen [zie Regeling in- en doorstroombanen langdurig werklozen, red.]. In de tweede plaats bij inschakeling in additionele arbeid. Ook dienen de voorstellen gegevens te bevatten omtrent de wijze waarop concurrentievervalsing jegens derden zal worden tegengaan.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert