Geschiedenis van deze regeling:

Datum inwerkingtreding Terugwerkende kracht t/m Betreft Bekendmaking regeling Bekendmaking inwerkingtreding
30-03-2001   Intrekking Stb. 2001, 151 Stb. 2001, 151
31-12-1997   Nieuwe regeling Stcrt. 1997, 249 Stb. 1997, 804

 

 

REGELING tot het verstrekken van subsidie ter stimulering van samenwerkingsverbanden werk en inkomen (Stimuleringsregeling SWI)

18 december 1997/nr. SWI/97/172

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 3 van de Kaderwet SZW-subsidies;

     Besluiten:

 

 

Art. 1. [Definities]
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. samenwerkingsovereenkomst: een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het Samenwerkingsbesluit SWI (Stb. 1997, 804) die voldoet aan de bij of krachtens dat besluit gestelde eisen;
b. samenwerkende partijen: de partijen bij een samenwerkingsovereenkomst;
c. SWI-centrum: een SWI-centrum als bedoeld in het Samenwerkingsbesluit SWI dat voldoet aan de bij of krachtens dat besluit gestelde eisen;
d. voorbereidingskosten: de eenmalige kosten die in de periode voorafgaande aan de operationele start van het SWI-centrum worden gemaakt en die niet terugkomen in de jaarlijkse exploitatie van het SWI-centrum;
e. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Art. 2. [Subsidieaanvraag]
-1. De minister kan op aanvraag een subsidie verstrekken ter stimulering van de totstandkoming van SWI-centra.
-2. De subsidie wordt aangevraagd door een daartoe door de samenwerkende partijen aangewezen rechtspersoon.
-3. De subsidie wordt verstrekt aan de subsidieaanvrager.
-4. Voorafgaand aan de subsidievaststelling wordt geen beschikking tot subsidieverlening gegeven.
-5. De Algemene Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing.

 

Art. 3. [Bij subsidieaanvraag te overleggen stukken en gegevens | Indieningstermijn]
-1. Bij de aanvraag om subsidievaststelling dient te worden overgelegd:
a. een door de samenwerkende partijen ondertekend document waaruit blijkt dat de rechtspersoon die de subsidie aanvraagt daartoe door hen is aangewezen;
b. een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst;
c. een activiteitenplan en een daarbij behorende postgewijze begroting van de voorbereidingskosten;
d. gespecificeerde gegevens over het aantal inwoners van 15 tot en met 64 jaar en over de grondoppervlakte, zoals dat per 1 januari 1997 met betrekking tot de aan de samenwerkingsovereenkomst deelnemende gemeenten in CBS-statistieken is geregistreerd.
-2. De aanvraag wordt ingediend uiterlijk op 31 december 1999.

 

Art. 4. [Vorm en hoogte subsidie]
-1. De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een lumpsumbedrag.
-2. De hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van het aantal inwoners van 15 tot en met 64 jaar en van de grondoppervlakte, zoals dat per 1 januari 1997 met betrekking tot de aan de samenwerkingsovereenkomst deelnemende gemeenten in CBS-statistieken is geregistreerd, en bedraagt ƒ5,65 per persoon en ƒ295,14 per km².
-3. Het aantal inwoners en de grondoppervlakte van de deelnemende gemeente(n) zijn slechts eenmaal bepalend voor de hoogte van de subsidie.

 

Art. 5. [Verslag activiteiten en voorbereidingskosten | Indieningstermijn]
Uiterlijk vier maanden nadat de samenwerking binnen het SWI-centrum overeenkomstig de samenwerkingsovereenkomst operationeel is geworden, maar uiterlijk vóór 1 mei 2001, zendt de subsidieontvanger aan de minister een verslag waarin inzicht wordt geboden in de ontplooide activiteiten ten behoeve van de totstandkoming van het SWI-centrum en de daarmee gemoeide voorbereidingskosten. Dit verslag sluit aan bij het activiteitenplan en de begroting, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c.

 

Art. 6. [Overleggen verslag met subsidieaanvraag]
Indien de samenwerking binnen een SWI-centrum overeenkomstig een samenwerkingsovereenkomst operationeel is geworden vóór het tijdstip van de aanvraag, wordt het in artikel 5 bedoelde verslag bij de aanvraag overgelegd en zijn artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en artikel 5, tweede volzin, niet van toepassing.

 

Art. 7. [Inwerkingtreding en citeertitel]
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop het Samenwerkingsbesluit SWI in werking treedt.
-2. Deze regeling wordt aangehaald als: Stimuleringsregeling SWI.

 

 

's-Gravenhage, 18 december 1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
's-Gravenhage, 18 december 1997.
De Staatssecretaris voornoemd,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

TOELICHTING
[18 december 1997]

 


     Gemeenten, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.] en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] hebben op grond van de Algemene bijstandswet, de Ioaw, de Ioaz, de Arbeidsvoorzieningswet 1996, de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en de Wet inschakeling werkzoekenden de verplichting samen te werken om de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen. Op grond van het Samenwerkingsbesluit SWI, dat gelijktijdig met onderhavige regeling in werking treedt, worden werkzaamheden van genoemde instanties vastgesteld die onder gezamenlijke afstemming worden gebracht en verplicht in een SWI-centrum [zie Centrum voor werk en inkomen (CWI), red.] worden uitgevoerd. Tevens is daarbij bepaald dat eind 1998 sprake moet zijn van een landelijk dekkend netwerk aan samenwerkingsafspraken (in de vorm van samenwerkingsovereenkomsten die voldoen aan de eisen van genoemd besluit) en dat uiterlijk 31 december 2000 alle geplande SWI-centra ook operationeel dienen te zijn. Het Samenwerkingsbesluit SWI brengt geen wijziging in wettelijk geregelde taken en bevoegdheden van gemeenten, Lisv en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Ook de rol en positie van het toezicht op de drie kolommen blijft ongewijzigd. Wel zal afstemming plaatsvinden tussen de diverse toezichthouders onderling om het toezicht op de samenwerking efficiënt en compleet te kunnen uitvoeren, alsmede met het SWI-procesmanagement, dat onder verantwoordelijkheid van de Minister van SZW opereert en een stimulerende, begeleidende en signalerende functie vervult met betrekking tot het samenwerkingsproces.
     Het tot stand brengen van SWI-centra vergt een zorgvuldige afweging tussen de eisen van bereikbaarheid/klantvriendelijkheid enerzijds en efficiency en kostenbeheersing anderzijds. De termijn om SWI-centra tot stand te brengen biedt de mogelijkheid aan partijen om geleidelijk te groeien naar de gewenste samenwerking in de SWI-centra, daarbij zoveel mogelijk gebruik makend van bestaande accommodaties teneinde onnodige logistieke en andere frictiekosten te voorkomen.
     Aangezien de werkzaamheden die (minimaal moeten) worden verricht in SWI-centra tot de kerntaken van gemeenten, uitvoeringsinstellingen en Arbeidsvoorziening behoren, zijn deze instanties zelf verantwoordelijk voor de beheersing en financiering van de kosten die gemoeid zijn met de totstandkoming en exploitatie van de SWI-centra.
     Op grond van onderhavige regeling, die gelijktijdig met het Samenwerkingsbesluit SWI in werking treedt, kunnen samenwerkingspartners een beroep doen op het Rijk voor een (eenmalige) financiële bijdrage in de voorbereidingskosten. Doel van deze regeling is om de totstandkoming van SWI-centra te stimuleren door het verstrekken van een financiële tegemoetkoming in de voorbereidingskosten. Als basis voor de subsidie geldt een samenwerkingsovereenkomst die voldoet aan de eisen van het Samenwerkingsbesluit SWI. Ook bestaande SWI-centra kunnen, mits zij voldoen aan de voorwaarde van een valide samenwerkingsovereenkomst, aanspraak maken op een dergelijke bijdrage. Elke samenwerkingsovereenkomst wordt krachtens het Samenwerkingsbesluit SWI gedeponeerd bij het ministerie van SZW en wordt aldaar beoordeeld op conformiteit met de bij en krachtens dat besluit gestelde regels. Dat oordeel is zowel in procedurele als inhoudelijke zin een basisvoorwaarde voor de verdere afhandeling van de subsidieaanvraag.
     Subsidiëring vindt plaats op lumpsumbasis; het subsidiebedrag wordt vastgesteld aan de hand van vooraf kenbare objectieve factoren en niet gekoppeld aan begrote of gerealiseerde activiteitenkosten; de subsidie kan dan ook meteen worden vastgesteld en uitbetaald (één beslismoment). Op deze wijze blijven de uitvoeringslasten voor zowel de subsidieontvangers als de subsidiegever beperkt. De verantwoording achteraf beperkt zich tot een verslag van activiteiten en daarbij gemaakte kosten in het kader van de totstandkoming van de SWI-centra. Hierop wordt niet afgerekend; bij het achterwege blijven van deze voor het beleid noodzakelijk geachte informatie kan de minister alsnog tot terugvordering van de subsidie overgaan. Om de kwaliteit van de in deze regeling (vooraf en achteraf) verplicht gestelde informatie te waarborgen zijn modellen beschikbaar.

 

Artikel 1

     In dit artikel worden de subsidiabele voorbereidingskosten nader omschreven als de eenmalige kosten die in de periode voorafgaande aan de operationele start van het SWI-centrum worden gemaakt en die niet terugkomen in de jaarlijkse exploitatie van het SWI-centrum (zie onderdeel d); het betreft kosten voor projectmanagement en voorlichting/opening (die per definitie een eenmalig karakter hebben), alsmede eenmalige kosten voor opleiding en aanpassing van huisvesting en automatisering, die niet (via afschrijvingen) op de structurele exploitatie van het SWI-centrum drukken. De voorbereidingskosten worden onderscheiden van andere frictiekosten, zoals aanloop- en ontvlechtingskosten, die zich manifesteren na het operationeel worden van SWI-centra, mede als gevolg van (tijdelijke) inefficiënties in verband met de overgang van de stand-alonesituatie naar de gezamenlijke lokatie.

 

Artikel 2

     Bij een samenwerkingsovereenkomst zijn het Lisv, één of meer gemeenten en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de partijen. Dezen dienen een rechtspersoon aan te wijzen, die de subsidie aanvraagt en ontvangt. Deze aangewezen rechtspersoon kan één der deelnemende partijen zijn, maar ook een derde, bijvoorbeeld een door de gezamenlijke partijen opgerichte beheersstichting voor het SWI-centrum (zonder publiekrechtelijke bevoegdheden). Dit geeft de samenwerkende partijen de nodige ruimte in hun onderlinge afspraken met betrekking tot organisatie en financiering van de samenwerking en biedt anderzijds helderheid voor de minister bij de subsidiëring. In verband met dit laatste is krachtens artikel 3, eerste lid, een door alle partijen ondertekend document verplicht gesteld waaruit blijkt wie als rechtspersoon namens alle partijen de subsidie aanvraagt. In die gevallen waarin dat gegeven ondubbelzinnig uit de samenwerkingsovereenkomst kan worden afgeleid, is een apart document niet nodig. In het vierde lid wordt bepaald dat er niet twee beslismomenten zijn (een subsidietoekenning vooraf en een subsidievaststelling achteraf), maar dat de subsidie meteen bij een beschikking tot subsidievaststelling wordt vastgesteld. Krachtens artikel 4:52 Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de vastgestelde subsidie binnen vier weken na de vaststelling betaald; gelet op het gehanteerde eenvoudige subsidiesysteem is geen bevoorschotting nodig, maar kan meteen tot betaling worden overgegaan.
     De algemene regels met betrekking tot subsidieverstrekking, zoals die zijn neergelegd in de Algemene Regeling SZW-subsidies, zijn op het gehanteerde lumpsumsysteem minder goed toepasbaar; daarom is die regeling niet van toepassing verklaard.

 

Artikel 3

     Het activiteitenplan en de begroting van de voorbereidingskosten, die bij de subsidieaanvraag moeten worden overgelegd, dienen als beleidsinformatie voor het procesmanagement, teneinde het realiteitsgehalte van de planvorming te kunnen beoordelen; de inhoud van dit oordeel speelt bij de subsidietoekenning geen rol. Het ontbreken van deze informatie is evenwel reden tot weigering.
     Om de kwaliteit van deze informatie te waarborgen, is een model beschikbaar. Voorts is voor subsidiëring krachtens deze regeling een voorwaarde dat er een samenwerkingsovereenkomst is die voldoet aan de daaromtrent bij of krachtens het Samenwerkingsbesluit SWI gestelde normen en dat de in deze regeling voorgeschreven informatie wordt verstrekt.
     Ingevolge artikel 4:13 e.v. van de Awb wordt in beginsel binnen acht weken na de aanvraag een beschikking gegeven; als dat niet mogelijk is, wordt aan de aanvrager een andere redelijke beslistermijn meegedeeld. De aanvrager krijgt daaraan voorafgaande een ontvangstbevestiging met eventuele ingebrekestelling voor de nog ontbrekende, in de regeling verplicht gestelde informatie.
     Het moment waarop genoemde termijn van acht weken in werking treedt, start in principe op het moment van ontvangst van de volledige aanvraag bij het departement. De beslistermijn is mede afhankelijk van de vraag of reeds een oordeel is geveld over de samenwerkingsovereenkomst. Deze beoordeling zal volgen op deponering van de samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Samenwerkingsbesluit SWI. Het gevormde oordeel wordt schriftelijk kenbaar gemaakt aan betrokken partijen. Indien dit laatste nog niet heeft plaatsgevonden op het moment van subsidieaanvraag en ook niet binnen de beslistermijn kan worden afgewikkeld, zal conform het bovenstaande aan de aanvrager een andere beslistermijn worden meegedeeld.
     De uiterste termijn waarop subsidieaanvragen kunnen worden ingediend, is bepaald op 31 december 1999, gelet op enerzijds de datum waarop volgens het Samenwerkingsbesluit SWI in het hele land samenwerkingsafspraken moeten zijn gemaakt (31 december 1998) en anderzijds de in dat besluit genoemde datum 31 december 2000 waarop de SWI-centra operationeel moeten zijn. De aanvragen worden gericht aan de Minister van SZW en kunnen worden verzonden naar het Procesmanagement SWI, postbus 556, 2501 CN Den Haag.

 

Artikel 4

     De subsidiemaatstaf is in technische zin gerelateerd aan een tweetal gegevens die betrekking hebben op de aan de samenwerkingsovereenkomst deelnemende gemeenten, namelijk het aantal inwoners tussen de 15 en 64 jaar enerzijds en de grondoppervlakte (exclusief water) van de samenwerkende gemeenten anderzijds (beide op 1 januari 1997). Deze informatie, afgeleid uit de GBA (gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens), is objectief verifieerbaar aan de hand van de CBS-statistieken [CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek, red.]: inwoners en oppervlakte per gemeenten (sector Bevolking) per genoemde datum. Door deze maatstaven wordt rekening gehouden met het aantal potentiële "klanten" van de samenwerkende partijen (de maximale workload van het SWI-centrum) enerzijds en anderzijds de bevolkingsdichtheid in het betreffende bedieningsgebied. Dit laatste is nodig omdat in dunbevolkte gebieden extra voorzieningen dienen te worden getroffen omwille van de bereikbaarheid.
     Het bedrag van de subsidiemaatstaf is afgestemd op de te verwachten voorbereidingskosten van SWI-centra, op basis van een in 1997 gehouden onderzoek naar de totale verwachte frictiekosten van SWI-centra bij verschillende schaalgrootte en activiteitenpakket. Bij de concrete maatstaf is uitgegaan van het minimumpakket aan activiteiten dat op grond van het Samenwerkingsbesluit SWI is voorgeschreven. Daarbij zijn de extra kosten als gevolg van de potentiële inefficiency van samenwerking op kleinere schaal niet meegenomen.
     De hoogte van het subsidiebedrag wordt berekend op basis van de volgende formule: subsidiebedrag = ƒ5,65 x aantal inwoners 15/64 jaar + ƒ295,14 x aantal km². Deze formule impliceert een maximaal budgettair beslag op landelijk niveau van ƒ70 miljoen.
     In het derde lid van artikel 4 is bepaald dat het inwonertal en de grondoppervlakte slechts eenmaal bepalend zijn voor de subsidiehoogte. Deze bepaling is met name relevant voor die gevallen waarbij het gebied waarvoor de samenwerkingsovereenkomst is gesloten niet samenvalt met de gemeentelijke grenzen volgens de hierboven genoemde CBS-statistieken. Deze situatie kan het gevolg zijn van gemeentelijke herindeling na die datum, dan wel van de keuze in SWI-verband om de grens van het samenwerkingsgebied niet met de gemeentegrens te laten samenvallen. In die gevallen is de informatie van de aanvrager over de daarmee corresponderende aantallen inwoners en grondoppervlakte niet alleen een formeel verplicht, maar ook in materiële zin onmisbaar gegeven voor een zorgvuldige afhandeling van de subsidieaanvraag. Bij toekenning van subsidie op basis van een deel van het aantal inwoners en/of de grondoppervlakte van een gemeente zal ook worden aangegeven voor welk restant van beide er door de betreffende gemeente nog aanspraak bestaat voor deelname aan andere samenwerkingsovereenkomsten.

 

Artikel 5

     De over te leggen gegevens zijn bedoeld om beleidsinformatie te bieden en worden voor de subsidiëring niet inhoudelijk beoordeeld. Het niet voldoen aan deze informatieplicht kan wel reden zijn tot terugvordering van de reeds eerder vastgestelde subsidie. Om de kwaliteit van deze informatie te waarborgen, is een model beschikbaar.

 

Artikel 6

     Ook deSWI-centra die reeds operationeel zijn op het tijdstip van indiening van de aanvraag komen voor subsidie in aanmerking, mits er een samenwerkingsovereenkomst is gesloten die voldoet aan de bij of krachtens het Samenwerkingsbesluit SWI gestelde eisen. Het verslag van activiteiten en gemaakte kosten is in dat geval reeds bij de subsidieaanvraag vereist, zonder dat dit echter inhoudelijk een rol speelt bij de subsidietoekenning. Om de kwaliteit van deze informatie te waarborgen, is een model beschikbaar.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.