Memorie van toelichting Wet wijziging o.m. SZ-wetgeving inzake beëindiging o.m. uitkeringen bij deelname aan terrorische organisatie
   

 

 

 

 

 

 

 blz. 1 

Kamerstukken II 2016-2017, 34 577

Wijziging van de socialezekerheidswetgeving, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de Wet studiefinanciering 2000, de Wet studiefinanciering BES, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in verband met opname van een grondslag voor beëindiging van uitkeringen, studiefinanciering en tegemoetkoming bij deelname aan een terroristische organisatie

 

 

Nr. 3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
1.1 Algemeen
1.2 Het Actieprogramma integrale aanpak jihadisme
1.3 Noodzaak tot het treffen van wettelijke maatregelen
2 Doel van het wetsvoorstel
2.1 Doelstelling wetsvoorstel
2.2 Doelgroep
3 Huidig kader beëindiging uitkeringen, studiefinanciering en toeslagen
3.1 Sociale zekerheid
3.2 Toeslagen
3.3 Studiefinanciering
3.4 Uitvoering
4 Zelfstandige beëindigingsgrond
4.1 Noodzaak zelfstandige beëindigingsgrond
4.2 De vormgeving van de zelfstandige beëindigingsgrond
4.3 De uitvoering van de zelfstandige beëindigingsgrond
5 Overige aspecten
5.1 De positie van achterblijvende partner, gezinsleden of medebewoners
5.2 Terugkeerders
6 Grondrechtelijk kader
6.1 Het ontnemen van (het recht op) een socialezekerheidsuitkering, studiefinanciering en toeslagen
6.2 Discriminatieverbod
6.3 Recht op een eerlijk proces
6.4 Privacyaspecten
7 Financiële effecten
8 Regeldruk en uitvoeringstoetsen
8.1 Regeldrukeffecten
8.2 Uitvoeringstoetsen
xArtikelsgewijs
xxx| Artikelen I t/m XXVII

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


1.1. Algemeen


     Het (mondiale) jihadisme ¹ vormt een substantiële en langdurige bedreiging voor de internationale veiligheid en stabiliteit en voor de nationale veiligheid van Nederland. De opmars van ISIS in Irak en Syrië en het uitroepen van het "kalifaat" vormt een destabiliserende factor, zowel op regionaal als mondiaal niveau. Deze internationale ontwikkelingen hebben hun weerslag op Nederland. Enerzijds doordat uit Nederland afkomstige jihadisten aansluiting zoeken bij internationale terroristische organisaties,² anderzijds doordat aanhangers van het mondiale jihadisme zich ook in ons land openlijk manifesteren. In Nederland is de jihadistische beweging een relatief kleine, maar gevaarlijke groepering die geweld propageert als enig middel om haar doelen te realiseren. Recente  blz. 2  gebeurtenissen, waaronder die in België, Canada, Frankrijk en Denemarken,³ tonen het gebruik van geweld door jihadisten op westers grondgebied.

1. In de internationale wetenschappelijke literatuur wordt deze moderne ideologisch afbakenbare beweging "mondiaal jihadistisch", "salafi-jihadi" of "jihadi-salafi" genoemd. Soms wordt ook over "takfiristen" of "rejectionist-salafi" gesproken, maar het meest gangbaar en geaccepteerd is om te spreken van "jihadisme" en "jihadistisch". Er wordt bewust niet gesproken van het Arabische woord jihad, omdat deze uiteenlopende betekenissen kan hebben in de islam en de interpretatie hiervan aan moslims zelf is. Het gaat hier steeds om de moderne ideologische stroming en beweging, niet om het bredere islamitisch concept zelf waar de beweging zijn naam aan ontleent.
2. Onder een terroristische organisatie wordt in dit verband bedoeld een organisatie die is opgenomen op de lijst van organisaties die een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid (lijst op grond van artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (voorstel van wet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid (Kamerstukken II 2015-2016, 34 356, nr. 2)).
3. De aanslag in het Joods museum in Brussel op 24 mei 2014, de aanslag in het parlementsgebouw in Ottawa op 22 oktober 2014, de aanslag op de uitgever van een satirisch weekblad in Parijs op 7 januari 2015, de gijzeling in een koosjere supermarkt in Parijs op 9 januari 2015, de aanslag op een Zweedse cartoonist in Kopenhagen op 14 februari 2015, de aanslagen in Parijs op onder andere Stade de France en concertzaal Bataclan op 13 november 2015 en de aanslagen in Brussel op het vliegveld Zaventem en metrostation Maalbeek op 22 maart 2016.

     Om de dreiging die uitgaat van het jihadisme te kunnen reduceren, hebben de Ministers van Veiligheid en Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 29 augustus 2014 het Actieprogramma integrale aanpak jihadisme (hierna: het Actieprogramma) vastgesteld.¹ Hiermee is uitvoering gegeven aan de toezeggingen aan de Tweede Kamer om met een actieprogramma te komen voor de aanpak van jihadisme en om te komen met een meerjarenaanpak preventie van maatschappelijke spanningen en radicalisering.²

1. Kamerstukken II 2013-2014, 29 754, nr. 253, met bijlage.
2. Kamerstukken II 2013-2014, 29 754, nr. 251.

 

1.2. Het Actieprogramma integrale aanpak jihadisme


     Met het Actieprogramma geeft het kabinet een additionele impuls aan de reeds eerder ingezette aanpak van het mondiaal jihadisme. Het Actieprogramma beschrijft een combinatie van repressieve en preventieve maatregelen waarmee overheid en maatschappelijke partners (samen)werken aan een weerbare samenleving die in staat is de verhoogde dreiging, nu en in de toekomst het hoofd te bieden en processen die leidden tot radicalisering en spanningen te voorkomen. Ook wordt in het Actieprogramma aangegeven welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de rechtsstaat te versterken en een alliantie te smeden tegen extremisme en haat in onze samenleving.
     Voor de goede orde wordt hier reeds vermeld dat het wetsvoorstel zich niet beperkt tot maatregelen ter voorkoming van financiering van het jihadisme. Ook financiering van andere vormen van terrorisme kan met de voorgestelde maatregelen worden bestreden. Hoewel de dreiging nu primair uitgaat van het jihadisme, kan niet worden uitgesloten dat in de toekomst een vergelijkbare dreiging uitgaat van andere stromingen of groeperingen.

     Eén van de maatregelen uit het eerdergenoemde Actieprogramma ziet op het stopzetten van uitkeringen, toeslagen en studiefinanciering van uitreizigers (maatregel 9). Het gaat hierbij om personen die zijn uitgereisd om zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie. De regering acht het noodzakelijk voor de uitvoering van deze maatregel om in de betreffende wetten een zelfstandige beëindigingsgrond op te nemen om terrorismefinanciering tegen te gaan en de Nederlandse nationale veiligheid te beschermen. Op deze wijze moet duidelijk worden dat een ieder waarvan het gegronde vermoeden bestaat dat hij/zij is uitgereisd met het doel zich aan te sluiten bij een terroristische strijdgroepering zijn/haar recht op financiële ondersteuning vanuit de overheid verliest.
     Voor onderhavig wetsvoorstel zijn naast maatregel 9 ook de maatregelen 7 en 8 van het Actieprogramma van belang. Op grond van maatregel 7 worden van uitreizigers ten aanzien van wie het gegronde vermoeden bestaat van aansluiting bij een terroristische strijdgroepering de Nederlandse reisdocumenten gesignaleerd ter vervallenverklaring of weigering. Het criterium voor het signaleren van een paspoort is het gegronde vermoeden dat de betrokken persoon buiten het Koninkrijk handelingen zal verrichten die een bedreiging vormen voor onder andere  blz. 3  de veiligheid van Nederland. Het opnemen van de gegevens in het Register Paspoortsignalering naar aanleiding van een gegrond vermoeden van een (voorgenomen) uitreis naar jihadistisch strijdgebied heeft tot doel het reizen naar jihadistisch strijdgebied te bemoeilijken, te voorkomen dat er paspoorten worden uitgegeven op Nederlandse posten in het buitenland en de detectiemogelijkheden bij eventuele terugkeer te vergroten.
     Op grond van maatregel 8 worden uitreizigers die zich aansluiten bij een terroristische strijdgroepering geplaatst op de nationale terrorismelijst. Door personen op deze lijst te plaatsen, worden hun financiële tegoeden bevroren en is het verboden aan hen financiële en economische tegoeden of middelen ter beschikking te stellen. De maatregel is erop gericht de dreiging die kan uitgaan van Nederlanders die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie te verminderen.
     De "bevriezingsmaatregel" vindt zijn grondslag in Internationale en Europese regelgeving (waaronder VN-VR-resoluties [resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, red.] 1373 (2001), 1267 (1999) en 2023 (2012)).¹ De maatregel kan worden opgelegd indien er voldoende aanwijzingen zijn dat betrokkenen gerekend kunnen worden tot de kring van personen en organisaties, bedoeld in VN-VR-resolutie 1373. Tot deze kring van personen en organisaties behoren 1) personen die terroristische daden plegen of pogen te plegen, of daaraan deelnemen dan wel het plegen van deze daden vergemakkelijken; 2) groepen en entiteiten die eigendom zijn van dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks door deze personen worden gecontroleerd; 3) personen, groepen en entiteiten die handelen namens of onder leiding van deze personen of entiteiten.
     In het kader van het afzwakken van de jihadistische beweging is de doelstelling van met name de maatregelen 8 en 9 het tegengaan van de financiering van terrorisme en de financiële aanpak van jihadisten. Datzelfde geldt voor de maatregelen 20d en 33 ² uit het Actieprogramma.

1. Aan VN-VR-resolutie 1373 wordt in EU-verband uitvoering gegeven door Gemeenschappelijk Standpunt (GS) nr. 2001/930/GBVB, GS nr. 2001/931/GBVB en Verordening (EG) nr. 2580/2001. Aan VN-VR-resoluties 1267, c.q. 1989, wordt uitvoering gegeven middels Verordening (EU) nr. 881/2002, zoals sindsdien gewijzigd.
2. Maatregel 20d houdt in dat onderkende facilitatoren in hun activiteiten worden verstoord door hen op de nationale terrorismelijst plaatsen. Maatregel 33 betreft de prioritering van de financiële aanpak van mogelijke jihadisten en facilitatoren.

 

1.3. Noodzaak tot het treffen van wettelijke maatregelen


     De regering is van oordeel dat alle financiële middelen die worden ingebracht in of worden meegenomen naar het gebied dat door een terroristische organisatie wordt beheerst, uiteindelijk bijdragen aan het (voort)bestaan van die terroristische organisatie en daarmee dus ook bijdragen aan het voortduren van de dreiging die uitgaat vanuit de organisatie richting het westen, waaronder Nederland. Dit gebeurt door middel van het vrijwillig afdragen van geld ten behoeve van de terroristische strijd, het financieel ondersteunen van strijders en/of hun familieleden in het gebied, maar ook door middel van de "belastingen" die worden geheven door de organisatie.
     Resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) schept bovendien voor VN-lidstaten een internationaal bindende verplichting het financieren van terrorisme te bestrijden en de tegoeden, andere financiële activa of andere economische middelen van personen en organisaties die zich bezighouden met terroristische activiteiten te bevriezen. Maar door deze bevriezingsmaatregel vervalt het recht op een uitkering, studiefinanciering of toeslag niet en kan, nadat de bevriezingsmaatregel is opgeheven, de aanspraak alsnog te gelde worden gemaakt. Overigens kan tijdens de bevriezingsmaatregel een ontheffing worden  blz. 4  verleend om te kunnen voorzien in de primaire levensbehoeften. Voorts kan ontheffing worden verzocht voor het voldoen van belastingen en de betaling van nutsvoorzieningen.
     Voor de regering geldt het principe dat de Nederlandse staat op geen enkele wijze terrorisme financiert. Elke mogelijke vorm van een financiële (overheids)bijdrage aan een terroristische organisatie moet worden voorkomen of beëindigd. Hierbij moet onder andere gedacht worden aan het stopzetten van uitkeringen, toeslagen en studiefinanciering.
     Personen die uitreizen om zich aan te sluiten bij een aangewezen terroristische organisatie streven naar het actief ondersteunen van groeperingen die zich ter plaatse schuldig maken aan misdrijven en die betrokken zijn bij het plegen van aanslagen tegen westerse belangen, zowel in de regio als in westerse landen, waaronder in de toekomst mogelijk ook in Nederland. De aanwezigheid van uit Nederland afkomstige personen bij dergelijke groeperingen kan leiden tot een toenemende aandacht voor en gerichtheid op Nederland binnen deze organisaties (een "verhoogd profiel" van Nederland). Doordat uit Nederland afkomstige personen kennis van de Nederlandse maatschappij met zich mee brengen, verkrijgt de terroristische groepering bovendien concrete informatie die kan bijdragen aan (succesvolle) aanslagplanning tegen Nederland. Uit Nederland afkomstige personen die contacten onderhouden met sympathisanten die in Nederland verblijven, kunnen tevens een rol spelen in het inspireren tot of aansturen van aanslagplanning in Nederland. Daarnaast kunnen zij door hun "voorbeeldfunctie" een rol spelen in de radicalisering en rekrutering van in Nederland verblijvende potentiële uitreizigers. Daarmee vormen personen die uitreizen om zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie vanaf het moment van uitreis een actueel en direct gevaar voor de Nederlandse nationale veiligheid.

 

2. Doel van het wetsvoorstel


2.1. Doelstelling wetsvoorstel


     Het doel van dit wetsvoorstel is de bescherming van de nationale veiligheid door middel van het verhinderen van financiële ondersteuning van terroristische organisaties, van de terroristische strijd en van andere vormen van terroristische activiteiten. Het belangrijkste argument hiervoor is dat moet worden voorkomen dat de Nederlandse overheid, via uitkeringen, toeslagen en studiefinanciering, direct dan wel indirect een financiële bijdrage levert aan personen of aan organisaties die zich bezighouden met terroristische activiteiten of daar ondersteuning aan bieden. De regering acht dit niet alleen van belang vanuit deze principiële overweging, maar ook omdat het belangrijk is de dreiging voor de Nederlandse nationale veiligheid te minderen die uitgaat van deze terroristische organisaties en van Nederlanders die uitreizen om zich aan te sluiten bij die organisaties. Personen die uitreizen om zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie streven naar het actief ondersteunen van groeperingen die zich ter plaatse schuldig maken aan misdrijven en die betrokken zijn bij het plegen van aanslagen tegen westerse belangen, zowel in de regio als in westerse landen. Hoewel er op dit moment geen aanslagen in Nederland zijn gepleegd, is het Nederlandse dreigingsniveau substantieel.¹ Voorkomen moet worden dat uitreizigers met de uitkering, toeslag of studiefinanciering financiële middelen verkrijgen om het plegen van aanslagen in buiten- en binnenland te financieren.
     Beëindiging van de uitkering, toeslag of studiefinanciering zorgt tot slot ook voor een prikkel om de uitreis te ontmoedigen.

1. Dreigingsbeeld terrorisme Nederland 41, 16 maart 2016.

 blz. 5 

2.2. Doelgroep


     De doelgroep die onder de reikwijdte van het voorliggende wetsvoorstel valt, bestaat uit personen die een socialezekerheidsuitkering, een toeslag of studiefinanciering ontvangen en ten aanzien van wie het gegronde vermoeden bestaat dat zij zich buiten Nederland bevinden met het doel zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie. Nederland moet voorkomen dat financiële middelen die door de Nederlandse overheid ter beschikking worden gesteld ten goede komen aan een terroristische organisatie. Doorslaggevend is daarbij het moment van uitreizen, dat wil zeggen het moment van vertrek uit Nederland met het doel zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie. Aangezien de huidige terroristische dreiging zoals in het eerste hoofdstuk omgeschreven voornamelijk uit jihadistische hoek komt, betreft het thans personen die zich aansluiten bij de jihadistische strijd, hoewel niet kan worden uitgesloten dat in de toekomst een vergelijkbare dreiging uitgaat van andere stromingen of groeperingen.
     Bij personen van wie het vermoeden bestaat dat ze zullen uitreizen maar dit nog niet daadwerkelijk hebben gedaan, worden maatregelen ingezet gericht op het voorkomen van de uitreis naar het door terroristen beheerst gebied (o.a. paspoortmaatregel).
     Per persoon wordt de meest effectieve interventiestrategie bepaald met het doel de dreiging die van een persoon uit kan gaan te verminderen. Daarbij kan het een overweging zijn deze mensen niet de financiële middelen te onthouden waarmee zij moeten voorzien in hun primaire levensonderhoud of studie.

 

3. Huidig kader beëindiging uitkeringen, studiefinanciering en toeslagen


     Nu al worden uitkeringen, toeslagen en studiefinanciering van personen die zijn uitgereisd naar terroristisch strijdgebied beëindigd. Dit gebeurt op gronden die op dit moment in de verschillende wetten zijn geformuleerd en die als volgt kunnen worden toegelicht.

 

3.1. Sociale zekerheid


     In de sociale zekerheid kunnen drie terreinen worden onderscheiden: de werknemersverzekeringen en sociale voorzieningen uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), de sociale voorzieningen zoals bijstand en aanverwante regelingen uitgevoerd door gemeenten en de volksverzekeringen uitgevoerd door de Sociale verzekeringsbank (SVB).

     Voor de bijstand (gemeenten) en voor de Werkloosheidswet (UWV) is beëindiging van een uitkering met de huidige wet- en regelgeving mogelijk op grond van "verblijf in het buitenland". In de bijstand mag een persoon maximaal vier weken in het buitenland verblijven. Na deze termijn eindigt het recht op de bijstandsuitkering. Op grond van de Werkloosheidswet mag een persoon maximaal 20 dagen met vakantie gaan in het buitenland. Ingeval een WW-gerechtigde langer dan vier weken met vakantie gaat, dan eindigt het recht op uitkering over het aantal dagen dat hij te lang met vakantie is geweest

     Voor de overige regelingen uitgevoerd door het UWV, onder meer de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), is het huidig kader anders. Voor de Wajong geldt dat een persoon ingezetene moet zijn om recht te kunnen hebben op een uitkering. Ingezetene is degene die in Nederland woont.  blz. 6  Verblijf in het buitenland betekent echter niet automatisch dat de persoon niet meer in Nederland woont en derhalve geen ingezetene meer is. Zo kan het zijn dat iemand tijdelijk in het buitenland verblijft, maar gelet op de feiten en omstandigheden nog wel in Nederland woont. In dat geval blijft het recht op een Wajong-uitkering bestaan en kan deze niet zonder meer worden beëindigd. Het UWV kan de betreffende Wajong-gerechtigde uitreiziger wel oproepen voor een herbeoordeling. Er kan aanleiding zijn te veronderstellen dat als deze Wajong-er uitreist met het doel zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie, zijn/haar arbeidsongeschiktheid veranderd kan zijn. Dit vergt nader onderzoek door het UWV. Indien de Wajong-er herhaaldelijk niet verschijnt voor de herbeoordeling, kan dat reden zijn de uitkering uiteindelijk te schorsen.
     Voor de WIA/WAO geldt dat het kader grotendeels vergelijkbaar is met de Wajong. Een belangrijk verschil met de Wajong is echter de exporteerbaarheid. Anders dan bij de Wajong kan bij deze regelingen niet alleen bij verblijf in het buitenland maar ook bij wonen in het buitenland recht blijven bestaan op een uitkering, mits er een sociaalzekerheidsverdrag is afgesloten. Nederland heeft geen verdragen afgesloten met landen waar de jihadistische strijdgebieden zich thans bevinden, maar het is niet uit te sluiten dat in de toekomst een vergelijkbare dreiging uitgaat van andere stromingen of groeperingen in landen waar Nederland reeds nu al een verdrag heeft afgesloten.
     Ook voor de WIA/WAO geldt dat een persoon kan worden opgeroepen voor een herbeoordeling en dat, indien hieraan herhaaldelijk niet wordt voldaan, op basis van de huidige wet- en regelgeving de uitkering kan worden geschorst.

     In het geval van de regelingen waar de SVB over gaat, is het waarschijnlijk dat op basis van de huidige wet- en regelgeving schorsing of beëindiging niet mogelijk is. Een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) moet altijd naar de gehuwdennorm (50% van het referentieminimumloon) geëxporteerd worden, ongeacht de woon- of verblijfplaats van de betreffende persoon. Daarbij moet wel worden aangetekend dat, gelet op het feit dat jihadisten momenteel overwegend jongvolwassenen zijn, de kans dat dit zich voordoet relatief gering is.
     Voor de Algemene nabestaandenwet (Anw) geldt als hoofdregel dat het recht op uitkering eindigt indien de nabestaande/wees in het buitenland gaat wonen. Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor nabestaanden of wezen die wonen in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op uitkering kan bestaan. Een Anw-uitkering kan dus alleen worden beëindigd als de nabestaande of wees in een niet-verdragsland woont. Indien een nabestaande of wees echter tijdelijk buiten Nederland in een niet-verdragsland verblijft, heeft dit niet altijd tot gevolg dat de uitkering direct eindigt. Die nabestaande kan gelet op de feiten en omstandigheden dan nog wel in Nederland wonen. In dat geval blijft er recht op een Anw-uitkering bestaan en kan deze niet zonder meer worden beëindigd.
     Voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) geldt hetzelfde als voor de Anw. De verzekerde ouder of verzorger heeft geen recht op kinderbijslag voor het kind dat op de eerste dag van het kalenderkwartaal niet in Nederland woont, tenzij het kind in een verdragsland woont en de ouder het onderhoud van het kind kan aantonen. Ook hier geldt dat indien de ouder of het kind tijdelijk buiten Nederland in een niet-verdragsland verblijft, dit niet altijd tot gevolg heeft dat de kinderbijslag direct eindigt. De ouder of het kind kan gelet op de feiten en omstandigheden dan nog wel in Nederland wonen.

 blz. 7 

3.2. Toeslagen


     Voor de inkomensafhankelijke regelingen die door de Belastingdienst/Toeslagen worden uitgevoerd (de toeslagen), geldt dat het op basis van de huidige wetgeving vaak al wel mogelijk is een toeslag te beëindigen van hen die zijn uitgereisd. Omdat een dergelijk persoon op basis van relevante signalen wordt uitgeschreven - voor zover de betrokkene dat zelf niet heeft gedaan - uit de basisregistratie personen, verliest de betrokkene bijvoorbeeld om die reden het recht op huurtoeslag.
     Als het gaat om kinderopvangtoeslag zal het in de regel zo zijn dat een uitreiziger daar niet meer voor in aanmerking komt vanwege het feit dat hij niet meer voldoet aan het criterium van werken in Nederland of het volgen van een traject naar werken. Dat recht vervalt bij het criterium van werken echter pas na verloop van drie maanden. Het is dus mogelijk dat het recht op kinderopvangtoeslag nog enige tijd doorloopt nadat de uitreiziger Nederland heeft verlaten.
     Voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget leidt het vertrek uit Nederland van de uitreiziger thans niet automatisch tot beëindiging van het recht. Het recht op zorgtoeslag is namelijk gekoppeld aan de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen die, kort gezegd, geldt voor iedereen die in Nederland woont of werkt. Het vertrek uit Nederland van de uitreiziger betekent niet per definitie dat hij hier niet meer woont, omdat dit naar de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld. Hetzelfde geldt voor de aanspraak op kindgebonden budget omdat dit gekoppeld is aan het recht op kinderbijslag.

 

3.3. Studiefinanciering ¹


     Studiefinanciering voor een opleiding in Nederland wordt stopgezet als niet langer aan de geldende voorwaarden voor aanspraak (nationaliteit, leeftijd, ingeschreven aan juiste opleiding) is voldaan. Er bestaat voor middelbare beroepsopleidingen (MBO) niveau 3 of 4 en voor hoger onderwijsopleidingen (HO/WO) geen aanwezigheidsplicht waaraan voldaan moet zijn om aanspraak op studiefinanciering te behouden. Voor het behouden van aanspraak op studiefinanciering voor een MBO-opleiding niveau 1 of 2 geldt wel een aanwezigheidsplicht. Voor deze opleidingen is de studiefinanciering een gift en is de duur niet gelimiteerd. Bij ongeoorloofde afwezigheid van een aaneengesloten periode van meer dan vijf weken wordt de toekomstige studiefinanciering omgezet in een lening. Bij ongeoorloofde afwezigheid van meer dan acht weken aaneengesloten wordt de studiefinanciering stopgezet.
     Uitreizigers die ingeschreven staan bij een HO-opleiding of een MBO-3- of 4-opleiding kunnen studiefinanciering ontvangen terwijl zij elders betrokken zijn bij terroristische activiteiten.

1. Kortheidshalve wordt in deze toelichting onder studiefinanciering ook de tegemoetkoming onderwijsbijdrage schoolkosten uit de WTOS en de studiefinanciering BES en de opstart-toelage uit de WSF BES verstaan.

     Voor het volgen van een opleiding in het buitenland kan, als voldaan is aan alle voorwaarden, studiefinanciering worden toegekend (meeneembare studiefinanciering op grond van de WSF 2000 [Wet studiefinanciering 2000, red.]). Een studerende die is ingeschreven aan een opleiding buiten Nederland kan enkel in aanmerking komen voor

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees beschikbaar.
Voor meer informatie klik hier.