Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA3508
ECLI: ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3508
Instantie: Rechtbank Zutphen
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: 98/756 ABW
Datum uitspraak: 9 maart 1999
Wetsartikelen: artt. 4, 9, 10, 17 en 48 Abw (= 4, 13, 12, 15 en 33 Wwb) / 3:2, 3:46 en 7:12 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; reiskosten; voorliggende voorziening; basistoelage WTS; WTOS; inkomsten; alleenstaande; ten laste komend kind; garantietoeslag voormalig eenoudergezin; alleenstaande ouder
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor reiskosten van een schoolgaand, inwonend, meerderjarig kind wegens voorliggende voorziening (WTS) nu de noodzaak van die kosten en van de bijzonderebijstandverlening niet is onderzocht? De WTS-basistoelage wordt terecht als zijnde inkomsten ingehouden op de gezinsbijstand, bestaande uit de alleenstaandennorm plus garantietoeslag voormalig eenoudergezin.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Zutphen 98/756 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 7 juli 1998.




2. Feiten


Eiseres ontvangt van verweerder een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20% [van de gehuwdennorm, red.], alsmede een "garantietoeslag voormalige alleenstaande ouder". Deze laatste toeslag is toegekend omdat de inwonende zoon van eiseres sedert 23 februari 1996 ouder is dan 18 jaar en eiseres daardoor geen recht meer heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

De garantietoeslag is gebaseerd op gemeentelijk beleid, dat tot doel heeft de (voormalige) alleenstaande ouder en diens nog inwonende meerderjarig geworden kind een gezamenlijk inkomen te garanderen tot de bijstandsnorm voor gehuwden. Bij de bepaling van de hoogte van de toeslag wordt het eventuele eigen inkomen van het kind in aanmerking genomen. In het geval van eiseres heeft verweerder als inkomen van haar zoon in aanmerking genomen diens basistoelage ingevolge de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS) ten bedrage van ƒ176,25 per maand. Het totaal van de bijstandsuitkering van eiseres (inclusief de toeslagen) en de basistoelage van haar zoon komt aldus overeen met de bijstandsnorm voor gehuwden.

Op 6 oktober 1997 heeft eiseres een aanvraag ingediend om bijstand voor de reiskosten van haar zoon in verband met het volgen van onderwijs (HAVO) in Apeldoorn. Zij heeft aangegeven dat deze kosten ƒ237,- per maand bedragen en dat de tegemoetkoming voor "overige studiekosten" van ƒ65,58 per maand - die haar zoon ontvangt naast de basistoelage en de cursusgeldvergoeding - dus niet toereikend is, te meer nu daaruit de leermiddelen moeten worden bekostigd.

Bij besluit van 3 februari 1998 heeft verweerder hierop afwijzend beslist onder de overweging dat "uw zoon ouder dan 18 jaar is en in deze de WTS als voorliggende voorziening wordt aangemerkt waarbij geen bijzondere bijstand mogelijk is".

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Zij heeft hierbij gesteld dat ofwel bijzondere bijstand voor de reiskosten moet worden toegekend, ofwel de basistoelage van haar zoon niet bij de berekening van haar uitkering in aanmerking moet worden genomen, zodat deze basistoelage kan worden aangewend voor de reiskosten.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.




3. Procesverloop


Eiseres heeft beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd en daarna haar zienswijze nogmaals schriftelijk uiteengezet.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 januari 1999, waar eiseres in persoon is verschenen.
Verweerder zich heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Roesink en P.H.G.M. Buiting.




4. Gronden


De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder het bezwaarschrift van eiseres terecht ongegrond heeft verklaard, voor zover dat was gericht tegen de weigering om de uitkering van eiseres aan te passen in verband met de reiskosten van haar zoon. Nog daargelaten dat de aanvraag niet specifiek was gericht op zodanige aanpassing, is de rechtbank van oordeel dat de uitkering correct is opgebouwd en berekend, gelet op verweerders uitvoerige uiteenzetting daaromtrent in het bestreden besluit.

De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder eiseres terecht heeft aangemerkt als een alleenstaande, gelet op de definitie van dat begrip in artikel 4, onderdeel a, van de Algemene bijstandswet (Abw), welke definitie als volgt luidt: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Ingevolge artikel 4, onderdeel e, wordt verstaan onder ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of
de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.
Omdat de zoon van eiseres ouder is dan 18 jaar, is hij dus niet een "ten laste komend kind" in de zin van de Abw. Hieraan kan niet afdoen dat eiseres nog een civielrechtelijke onderhoudsplicht heeft jegens haar zoon en evenmin dat zij in tariefgroep IV van de inkomstenbelasting valt. Ook hetgeen eiseres in dit verband verder nog naar voren heeft gebracht, kan er niet toe leiden dat de rechtbank voorbij zou moeten gaan aan het bepaalde in artikel 4 van de Abw.

Voorts merkt de rechtbank op dat het gemeentelijke beleid inzake de garantietoeslag, zoals hiervoor in rubriek 2 weergegeven, alleszins redelijk en aanvaardbaar is te achten. Gelet op de cijfermatige gegevens als vermeld in het bestreden besluit, heeft verweerder dit beleid bij de bijstandverlening aan eiseres op correcte wijze toegepast.

De rechtbank acht het daarbij juist dat verweerder de basistoelage in aanmerking heeft genomen als inkomen van de zoon van eiseres. Dit strookt ook - anders dan eiseres meent - met het bepaalde in artikel 48, derde lid, van de Abw. De rechtbank heeft eiseres in dit verband overigens niet kunnen volgen in haar stelling dat haar zoon niet onder hoofdstuk III van de WTS valt. Hoofdstuk III van de WTS luidt: "Studerenden van 18 jaren tot 27 jaren die volledig onderwijs volgen" en uit artikel 22 WTS blijkt dat tot dat onderwijs ook de HAVO-opleiding behoort.

Ten aanzien van de gevraagde bijzondere bijstand voor de reiskosten in verband met het volgen van onderwijs in Apeldoorn stelt de rechtbank voorop dat eiseres daarvoor niet in aanmerking kan komen, aangezien haar zoon ouder dan 18 jaar is en in beginsel behoort tot de kring van rechthebbenden op bijstand. Strikt genomen had de zoon de aanvraag zelf moeten indienen dan wel zijn moeder moeten machtigen de aanvraag namens hem in te dienen.

Verweerder heeft evenwel nagelaten eiseres daarop te attenderen en de aanvraag gewoon in behandeling genomen zonder naar een machtiging te vragen. Voorts heeft eiseres op het aanvraagformulier vermeld dat de bijstand voor reiskosten naar de bankrekening van haar zoon zou moeten worden overgemaakt. Onder deze omstandigheden dient de aanvraag naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een aanvraag om bijzondere bijstand ten behoeve van de zoon. De rechtbank gaat ervan uit dat deze ermee heeft ingestemd dat zijn moeder bijstand voor hem zou aanvragen.

Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag gemotiveerd met de overweging dat de WTS in het onderhavige geval als een voorliggende voorziening wordt aangemerkt en daarom geen bijzondere bijstand mogelijk is. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze motivering gehandhaafd. Ter zitting is gesteld dat de afwijzing mede is ingegeven door het bepaalde in de artikelen 9 en 10 van de Abw.

In artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, Abw is bepaald - voor zover hier van belang - dat geen recht op algemene bijstand heeft degene die onderwijs volgt als bedoeld in hoofdstuk III van de WTS.

In artikel 10 Abw is bepaald dat een persoon van 18, 19 of 20 jaar slechts recht heeft op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat: a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de betrokkene toereikend en passend te zijn.

Ter zitting heeft verweerder erkend dat de tegemoetkoming voor studiekosten ingevolge hoofdstuk III van de WTS niet geacht kan worden toereikend te zijn indien de betrokken thuiswonende student onderwijs volgt in een andere gemeente en in verband daarmee kosten moet maken voor interlokaal reizen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust en niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Verweerder had - zoals ter zitting eveneens is erkend - moeten nagaan of de onderhavige reiskosten noodzakelijk zijn te achten, hetgeen zich toespitst op de vraag naar de noodzaak van het volgen van de HAVO-opleiding voor volwassenen te Apeldoorn in plaats van een HAVO-opleiding dichter bij huis. Vervolgens had verweerder moeten nagaan of wordt voldaan aan de in artikel 10 van de Abw vermelde voorwaarden voor toekenning van bijzondere bijstand, omdat de zoon van eiseres ten tijde van de aanvraag 19 jaar was.

Het bestreden besluit kan derhalve niet in stand blijven en verweerder zal opnieuw dienen te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank acht het aangewezen daarvoor een termijn van zes weken te stellen.

Voorts dient verweerder te worden veroordeeld in proceskosten van eiseres, aangezien een voorlopig beroepschrift is ingediend door een advocaat, die zich later heeft teruggetrokken. De rechtbank kent 1 punt toe met een wegingsfactor 0,5.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak en binnen zes weken na de verzenddatum;
- gelast de gemeente Zutphen het door eiseres betaalde griffierecht van ƒ55,- te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van ƒ355,-, te betalen door de gemeente Zutphen.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.