Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA3567
ECLI: ECLI:NL:RBZUT:1998:AA3567
Instantie: Rechtbank Zutphen
Soort procedure: voorlopige voorziening
Zaaknummer: 98/1246 NABW 57
Datum uitspraak: 29 december 1998
Wetsartikelen: artt. 3 en 69 Abw (= 3 en 54 Wwb) / 8:81 Awb
Trefwoorden: opschorting bijstand; blokkering; gezamenlijke huishouding; nader onderzoek; financiële noodsituatie; onverwijlde spoed
Essentie: Afwijzing voorlopige voorziening, omdat de opschorting van het recht op bijstand wegens vermoedelijke gezamenlijke huishouding voorshands niet heeft geleid tot achterstanden bij periodieke betalingen (dankzij geleend geld) en er inmiddels een nieuwe bijstandsaanvraag is ingediend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak voorzieningenrechter Rechtbank Zutphen 98/1246 NABW 57




U I T S P R A A K




op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem, verweerder.




1. Bestreden besluit


Besluit van verweerder van 3 december 1998, waarbij het recht van verzoekster op uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 november 1998 is opgeschort.




2. Procesverloop


Namens verzoekster heeft mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, bij brief van 7 december 1998 een bezwaarschrift ingediend en bij brief van gelijke datum verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 december 1998, waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Nijk voornoemd.
Verweerder werd vertegenwoordigd door mw. mr. H. Post, advocaat te Zwolle, en mw. J.M.C. Klop, werkzaam bij de gemeente Hattem.




3. Motivering


3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit onderzoek van de sociale recherche is gebleken van een gezamenlijke huishouding van verzoekster met de heer X (hierna: X) en dat verzoekster daarvan geen melding heeft gemaakt. Verzoekster heeft het bestaan van een gezamenlijke huishouding betwist.

3.3. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Abw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste jurisprudentie vindt toetsing plaats door afweging van alle zich ten aanzien van betrokkenen voordoende waarneembare feiten en omstandigheden die niet van subjectieve aard zijn.

Uit de bevindingen van de sociale recherche, zoals neergelegd in het rapport van 16 november 1998, kan genoegzaam worden afgeleid dat X ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van verzoekster. In het rapport zijn evenwel geen objectieve feiten en omstandigheden vermeld waaruit ondubbelzinnig blijkt van een wederzijdse zorgrelatie. Evenmin komen zodanige feiten of omstandigheden naar voren uit het verslag van het zogenoemde confrontatiegesprek met verzoekster. Ook hetgeen in het verweerschrift en ter zitting zijdens verweerder is aangevoerd, levert niet een voldoende onderbouwing op van de stelling dat verzoekster en X blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. Zo kan bijvoorbeeld uit de vermelding dat verzoekster als bestuurster van de auto van X is gezien en de constatering dat X na een bezoek aan de Gamma Bouwmarkt direct naar de woning van verzoekster is gegaan niet worden afgeleid dat X zorg heeft gedragen voor verzoekster.

Gezien het vorenstaande berust het bestreden besluit waar het betreft de (vermeende) aanwezigheid van een gezamenlijke huishouding niet op een deugdelijke motivering.

3.4. Verweerder heeft bij het bestreden besluit toepassing gegeven aan artikel 69, eerste lid, van de Abw. De in deze bepaling gegeven regeling omtrent opschorting van de uitkering is bedoeld voor situaties waarin door de betrokkene de inlichtingenplicht is geschonden en het recht op bijstand als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld. In verband daarmee is in het tweede lid van artikel 69 voorgeschreven dat de belanghebbende bij de mededeling van de opschorting wordt uitgenodigd het verzuim binnen een te stellen termijn te herstellen.

Een dergelijke uitnodiging en termijnstelling ontbreken evenwel in het bestreden besluit. Dit strookt op zichzelf met het feit dat verweerder reeds een conclusie omtrent een gezamenlijke huishouding had getrokken en verstrekking van nadere informatie door verzoekster kennelijk niet nodig heeft geacht. Verweerder heeft aldus echter blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de betekenis van artikel 69, eerste lid, Abw en ten onrechte deze bepaling aan zijn besluit ten grondslag gelegd.

3.5. Het moet mogelijk worden geacht dat - hoewel de Abw niet een daarop toesneden bepaling kent - de uitbetaling van een bijstanduitkering wordt geblokkeerd indien het gegronde vermoeden aanwezig is dat het recht op uitkering niet meer bestaat, zulks in afwachting van nader onderzoek.

De omstandigheid dat X zijn hoofdverblijf in de woning van verzoekster heeft (gehad), levert - in combinatie met het gegeven dat verzoekster met hem een affectieve relatie onderhoudt - voldoende grond op voor het vermoeden dat sprake is (geweest) van een gezamenlijke huishouding en daarmee het vermoeden dat op de in geding zijnde datum 1 november 1998 het recht op bijstand niet meer bestond, mede in aanmerking genomen dat X inkomen uit een dienstbetrekking heeft.

Het is voorts niet ondenkbaar dat bij een nader onderzoek zijdens verweerder alsnog (objectieve) feiten en omstandigheden aan het licht komen waaruit tot het bestaan van een wederzijdse zorgrelatie en derhalve een gezamenlijke huishouding kan worden geconcludeerd, zodat daarop een beëindiging van de uitkering per 1 november 1998 zou kunnen worden gebaseerd.

3.6. Ter zitting is gebleken dat de opschorting c.q. blokkering van de uitkering voorshands niet heeft geleid tot achterstanden bij periodieke betalingen, zoals de huurbetaling en betalingen inzake de nutsvoorzieningen.
Verzoekster heeft voorts gesteld dat zij thans geld leent van haar ex-schoonmoeder ter voorziening in de kosten van het bestaan. Verder is gebleken dat verzoekster inmiddels een aanvraag voor een nieuwe uitkering heeft ingediend en dat deze thans bij verweerder in behandeling is.

Gelet op één en ander kan niet worden gezegd dat verzoekster in een financiële noodsituatie verkeert.

Mede in het licht van hetgeen onder 3.5 is overwogen, is er dan ook geen plaats voor het oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, thans een voorlopige voorziening vereist.

Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in proceskosten.




4. Beslissing


De president van de rechtbank,

recht doende:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 1998 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op: