Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA3687
ECLI: ECLI:NL:RBGRO:1999:AA3687
Instantie: Rechtbank Groningen
Soort procedure: beroep
Zaaknummers: AWB 98/141 ABW V12 en AWB 98/246 ABW V12
Datum uitspraak: 12 oktober 1999
Wetsartikelen: artt. 3, 65, 69, 78, 81 en 138 Abw (= 3, 17, 54, 58, 58 en 79 Wwb) / 6:2, 8:41, 8:52, 8:53, 8:74 en 8:75 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; onderhuurder; ex-partner; schending inlichtingenverplichting; opschorting bijstand; beëindiging; terugvordering; fraude; niet tijdig genomen besluit; versnelde behandeling; gewone behandeling; vergoeding griffierecht
Essentie: Terechte opschorting, beëindiging en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding met een onderhoudsplichtige. Dat belanghebbende en de onderhuurder eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt, levert een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding op. Het beroep tegen een niet tijdig genomen besluit is niet-ontvankelijk, nu alsnog is beslist op het bezwaar; het betaalde griffierecht dient door de gemeente te worden vergoed.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Groningen AWB 98/141 ABW V12 en AWB 98/246 ABW V12




U I T S P R A A K




inzake de geschillen tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. R. van Asperen, advocaat en procureur te Groningen,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben eiseres op 2 oktober 1997 mondeling medegedeeld dat de aan haar toegekende uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 september 1997 feitelijk is beëindigd.

Eiseres heeft op 6 oktober 1997 op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bezwaarschrift ingediend tegen de feitelijke beëindiging van haar bijstandsuitkering met ingang van 1 september 1997.

Bij beroepschrift van 13 januari 1998 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerders op haar bezwaarschrift van 6 oktober 1997.

Bij brief van 16 januari 1998 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de zaak verder met toepassing van afdeling 8.2.3 Awb versneld wordt behandeld.

Bij uitspraak van 6 februari 1998, reg.nr. AWB 98/67 ABW V04, heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen niet beslissen door verweerders op het bezwaarschrift van eiseres van 6 oktober 1997 vernietigd. Voorts is bepaald dat verweerders binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak een beslissing dienen te nemen op het bezwaarschrift van eiseres van 6 oktober 1997.

Bij besluit van 16 oktober 1997, cliëntnummer ATT01974875K, hebben verweerders de uitkering van eiseres ingevolge de Abw vanaf 1 juli 1997 ingetrokken, onder de overweging dat eiseres niet, niet volledig en/of correct heeft voldaan aan de in artikel 65 Abw neergelegde verplichting tot het verstrekken van inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het recht op uitkering. Voorts hebben verweerders bij dit besluit van eiseres een bedrag van ƒ3408,62 teruggevorderd over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 1997.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 24 oktober 1997 op grond van artikel 7:1 Awb een bezwaarschrift ingediend.

Eiseres heeft tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar bij beroepschrift van 2 februari 1998 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld (reg.nr. AWB 98/141 ABW V12).

De rechtbank heeft partijen op 4 februari 1998 meegedeeld het beroep met toepassing van afdeling 8.2.3 Awb versneld te behandelen.

Verweerders hebben op 12 februari 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Verweerders hebben bij besluit van 3 maart 1998 de bezwaarschriften van eiseres van 6 en 24 oktober 1997 gericht tegen de feitelijke beëindiging van haar uitkering ingevolge de Abw per 1 september 1997 respectievelijk tegen voornoemd besluit van 16 oktober 1997 ongegrond verklaard.

Daarbij is ten aanzien van de vaststelling van de gezamenlijke huishouding verwezen naar artikel 3, derde lid, onderdeel a en c, Abw. Voorts is bepaald dat de aflossing zal plaatsvinden middels 10% inhouding van de voor eiseres geldende bijstandsnorm inclusief de vakantietoeslag.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij beroepschrift van 10 maart 1998, op nader in het aanvullend beroepschrift van 31 maart 1998 aangegeven gronden, beroep ingesteld (reg.nr. AWB 98/246 ABW V12).

Bij brief van 11 maart 1998 heeft de rechtbank partijen bericht het beroep, geregistreerd onder nummer AWB 98/141 ABW V12, op de gewone wijze te behandelen.

Verweerders hebben op 28 april 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 juni 1998 heeft eiseres van repliek gediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

De geschillen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 1 oktober 1999. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door H. Blokzijl.

Eiseres en haar gemachtigde hebben afgezien van het ter zitting (doen) horen van de door de gemachtigde van eiseres bij faxbericht van 23 september 1999 aangezegde getuige X.




2. Rechtsoverwegingen


De feiten

Eiseres ontving sedert 29 januari 1984 een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW). Na een kennismakingsperiode van drie maanden hebben eiseres en X gedurende de periode van mei 1993 tot april 1994 een duurzame gezamenlijke huishouding gevoerd. Bij besluit van 19 april 1994 is eiseres met ingang van 1 april 1994 een uitkering krachtens de ABW verstrekt naar de norm voor een eenoudergezin.

Op de door haar op 21 juli 1997 ondertekende maandverklaring van de maand juli 1997 heeft eiseres verklaard dat zij met ingang van 1 juli 1997 een huurder had. Uit de gemeentelijke basisadministratie bleek dat deze huurder een ex-partner van eiseres betrof, te weten X. Vervolgens is de Abw-uitkering van eiseres per 1 september 1997 feitelijk geblokkeerd in afwachting van een nader onderzoek.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 6 oktober 1997 een bezwaarschrift ingediend bij verweerders.

Eiseres is op 2 oktober 1997 uitgenodigd voor een gesprek. In dit gesprek heeft zij verklaard dat de huurder X is en dat hij inkomsten uit arbeid ontvangt.

Bij besluit van 16 oktober 1997 hebben verweerders de uitkering van eiseres ingevolge de Abw vanaf 1 juli 1997 ingetrokken, onder de overweging dat eiseres niet, niet volledig en/of correct heeft voldaan aan de in artikel 65 Abw neergelegde verplichting tot het verstrekken van inlichtingen die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van het recht op uitkering. De over de periode van 1 juli tot en met 31 augustus 1997 aan eiseres verstrekte uitkering, een bedrag van ƒ3408,62, is bij dit besluit van haar teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 24 oktober 1997 een bezwaarschrift ingediend bij verweerders. Daarbij heeft zij ontkend onvolledige of onjuiste inlichtingen te hebben verstrekt. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat verweerders ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat zij met ingang van 1 juli 1997 is gaan samenwonen met X.

De bezwaren van eiseres zijn behandeld in de vergadering van de Commissie voor de bezwaarschriften Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid van 23 februari 1998. De Commissie heeft verweerders geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren, onder aanvulling van de motivering.

Verweerders hebben eerst op 3 maart 1998 op deze bezwaarschriften beslist. Verweerders hebben zich, onder verwijzing naar het rapport van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (SOZAWE) van 8 januari 1998 en overeenkomstig het advies van de Commissie op het standpunt gesteld dat eiseres heeft nagelaten aan hen mee te delen dat zij met ingang van 1 juli 1997 een gezamenlijke huishouding voert met X. Daarbij hebben verweerders verwezen naar artikel 3, derde lid, onderdeel a en c, Abw. Voorts hebben verweerders ter zake van de terugvordering bepaald dat de aflossing zal plaatsvinden door middel van een inhouding van 10% op de aan eiseres toegekende Abw-uitkering naar de voor haar geldende bijstandsnorm inclusief de vakantietoeslag.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft naar voren gebracht dat zij tijdig melding heeft gemaakt van het inwonen van X. Hieraan kan, aldus eiseres, niet afdoen dat deze onderhuur tot gevolg heeft dat eiseres (juridisch) een gezamenlijke huishouding voert met X. Eiseres heeft verder betoogd dat artikel 3, derde lid, Abw in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts is eiseres van mening dat de terugvordering achterwege dient te blijven, aangezien SOZAWE niet adequaat heeft gereageerd op de door eiseres verstrekte inlichtingen.



Het van toepassing zijnde recht

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw wordt van overheidswege aan iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien bijstand verleend.

Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, Abw bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen als partners geregistreerden worden gelijkgesteld met gehuwden. Krachtens artikel 3, tweede lid, onderdeel a, worden als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van artikel 3, derde lid, Abw, is van een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het tweede lid, sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Krachtens het vierde lid van voornoemd artikel 3 wordt - voor zover hier van belang - een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract.

Artikel 65, eerste lid, Abw bepaalt - voor zover hier van belang - dat de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald. Op grond van het tweede lid dient de belanghebbende gebruik te maken van een door burgemeester en wethouders verstrekt formulier. Op grond van het derde lid is de belanghebbende verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Krachtens artikel 69, derde lid, Abw herzien burgemeester en wethouders, onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand, een dergelijk besluit of trekken zij dit in:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 78, eerste lid, Abw worden kosten van bijstand door de gemeente teruggevorderd in de gevallen en naar de regels aangegeven in paragraaf 2 van hoofdstuk VI.

Op grond van artikel 78, derde lid, Abw, kunnen burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Krachtens artikel 81, eerste lid, Abw wordt bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende teruggevorderd.

Voorts is in artikel 138 Abw bepaald dat voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, Awb met een besluit wordt gelijkgesteld het nalaten van een handeling die strekt tot uitvoering van het besluit inzake de verlening of terugvordering van bijstand of het verrichten van een handeling die afwijkt van dat besluit.



Beoordeling van het geschil



Met betrekking tot reg.nr. AWB 98/246 ABW V12

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerders zich bij het bestreden besluit onder meer hebben gebaseerd op artikel 3, derde lid, onderdeel a en c, Abw. Dit artikellid is evenwel met ingang van 1 januari 1998 gewijzigd. Het oude derde artikellid is per laatstgenoemde datum vernummerd tot vierde lid. Aangezien geen inhoudelijke wijziging van dit artikellid heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank geen aanleiding om reeds hierom te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand zal kunnen blijven. De rechtbank zal het besluit dan ook toetsen aan de op het moment van de bestreden beslissing geldende regelgeving.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.



De herziening van de uitkering

Uit het door eiseres op 21 juli 1997 ondertekende inlichtingenformulier over de maand juli 1997 blijkt dat zij melding heeft gemaakt van het feit dat zij met ingang van 1 juli 1997 een huurder heeft. Eiseres heeft evenwel op dat formulier niet vermeld dat de huurder een ex-partner van haar was. Zij stelt in beroep dit wel te hebben gemeld aan de balie van de Dienst.

Gelet op het bepaalde in artikel 3, vierde lid, onderdeel a, Abw is dit gegeven van invloed op haar recht op uitkering. Immers, vaststaat dat eiseres en X in de periode mei 1993 tot april 1994 voor de bijstandverlening als gehuwden zijn aangemerkt. Voor de beoordeling van het recht van eiseres op een bijstandsuitkering is dan ook van doorslaggevend belang het antwoord op de vraag of eiseres en X gezamenlijk hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Gelet op de door eiseres op haar inlichtingenformulier verstrekte informatie kan niet anders worden geconcludeerd dan dat op grond van het bepaalde in artikel 3, vierde lid, onderdeel a, Abw sprake is van een gezamenlijke huishouding. Dat, zoals eiseres heeft betoogd, er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding omdat zij geen blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar kan hieraan niet afdoen. Eiseres doelt hier kennelijk op artikel 3, derde lid, Abw, doch dit artikellid is niet op eiseres van toepassing. Het feit dat eiseres en X eerder voor de bijstandverlening als gehuwden zijn aangemerkt, levert reeds een onweerlegbaar rechtsvermoeden op, hetgeen de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest.

Eiseres heeft voorts naar voren gebracht dat het hanteren van een dergelijk rechtsvermoeden in strijd is met artikel 6 EVRM. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Het EVRM verbiedt in beginsel geen feitelijke of wettelijke rechtsvermoedens. Verdragsstaten moeten daarbij wel redelijke grenzen in acht nemen, zodat met de betrokken belangen rekening wordt gehouden en de rechten van de verdediging in stand blijven. In de onderhavige zaak betreft het niet een vervolging wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, doch het vaststellen van de burgerlijke rechten en verplichtingen van eiseres in het kader van het geldend maken van een aanspraak op een uitkering ingevolge de Abw, zodat in casu wel artikel 6, eerste lid, EVRM van toepassing is, maar niet het tweede lid van dat artikel. Uit artikel 3, vierde lid, Abw volgt slechts dat er sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden in het geval voldaan wordt aan één van de onder a tot en met d genoemde situaties en de belanghebbenden tevens hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Het vermoeden moet derhalve gedragen worden door twee objectief vast te stellen feiten. Om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat met het hanteren van een dergelijk rechtsvermoeden de grenzen van het redelijke worden overschreden, noch dat anderszins sprake is van strijdigheid met het verdrag. Deze grief van eiseres dient daarom te falen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben verweerders zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres niet volledig heeft voldaan aan de op haar rustende, in artikel 65, eerste lid, Abw neergelegde inlichtingenverplichting. Zij heeft immers op het daartoe bestemde formulier geen melding gemaakt van het feit dat de huurder haar ex-partner was. Dat zij mogelijk daarvan melding heeft gemaakt aan de balie kan daaraan niet afdoen, nu daarvan uit de beschikbare stukken niet is gebleken en zij op grond van artikel 65, tweede lid, Abw verplicht is één en ander te melden op het daartoe verstrekte formulier.

Nu er sprake is van een gezamenlijke huishouding en door eiseres niet bestreden is dat X een inkomen heeft dat hoger is dan de voor een echtpaar geldende bijstandsnorm, hebben verweerders terecht geoordeeld dat er per 1 juli 1997 geen recht op een uitkering ingevolge de Abw bestaat.

Verweerders hebben de uitkering van eiseres dan ook op goede gronden herzien. Het beroep van eiseres moet in zoverre dan ook ongegrond worden verklaard.



De terugvordering

Verweerders waren, nu eiseres haar inlichtingenverplichting niet is nagekomen, dan ook op grond van artikel 78, eerste lid, in samenhang met artikel 81, eerste lid, Abw gehouden over te gaan tot terugvordering van de ten onrechte aan eiseres betaalde bijstand.

Niet gebleken is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Verweerders hebben de uitkering over de maanden juli en augustus 1997 dan ook terecht van eiseres teruggevorderd.

Eiseres heeft met betrekking tot de wijze waarop de terugvordering plaatsvindt geen grieven aangevoerd, terwijl de rechtbank - ambtshalve oordelend - ook geen aanleiding ziet om de wijze waarop wordt verrekend met de lopende uitkering voor onjuist te houden. Het beroep van eiseres is in zoverre dan ook ongegrond.



De opschorting

De rechtbank is van oordeel dat verweerders, gelet op de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie ter zake van de huurder van eiseres, de uitbetaling van eiseres uitkering met ingang van 1 september 1997 konden opschorten. Op dat moment was er immers grond voor het vermoeden dat voor eiseres het recht op uitkering niet meer bestond.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.



Met betrekking tot reg.nr. AWB 98/141 ABW V12

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerders op haar bezwaarschrift van 24 oktober 1997. Zij heeft verzocht het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen door verweerders op haar bezwaarschrift te vernietigen en verweerders te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank stelt vast dat verweerders bij besluit van 3 maart 1998 alsnog hebben beslist op het bezwaarschrift van eiseres van 24 oktober 1997, tegen welk besluit eiseres afzonderlijk beroep heeft ingesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen processueel belang meer bij een beoordeling van haar beroep.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 februari 1997 (RSV 97/297) overweegt de rechtbank dat een belang bij gegrondverklaring van het ingestelde beroep niet uitsluitend gelegen kan zijn in het verkrijgen van een vergoeding van de gemaakte proceskosten dan wel het griffierecht.

Ook in andere gevallen dan die waarin het beroep gegrond wordt verklaard, kent de wet de bestuursrechter de bevoegdheid daartoe over te gaan.

Het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaarschrift dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.



Griffierecht en proceskosten

Wel ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het door eiseres gestorte griffierecht op grond van artikel 8:74, tweede lid, Awb, door de gemeente Groningen aan eiseres wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs door eiseres zijn gemaakt en wijst de gemeente Groningen aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden. De rechtbank volgt niet de redenering van verweerders dat er geen ruimte is voor een proceskostenveroordeling nu over hetzelfde aspect door eiseres reeds eerder is geprocedeerd en waarbij zij in het gelijk is gesteld, onder veroordeling van verweerders in de kosten van die procedure. Immers, in de door verweerders bedoelde zaak (AWB 98/67 ABW) was sprake van beroep tegen het niet tijdig beslissen op het d.d. 6 oktober 1997 ingediende bezwaarschrift, terwijl in de onderhavige procedure het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 24 oktober 1997 speelt. Dat het bij beide bezwaarschriften om dezelfde kwestie gaat, doet daaraan niet af. Het indienen van twee bezwaarschriften en het vervolgens tweemaal instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen op die bezwaarschriften vloeit veeleer voort uit de werkwijze van verweerders (eerst feitelijke beëindiging van de uitkering, vervolgens een intrekkingsbesluit uitreiken), terwijl verweerders - door tijdig te beslissen op bezwaarschriften - zelf het instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar kunnen voorkomen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op ƒ1065,-, zoals aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van eiseres van 24 oktober 1997 niet-ontvankelijk;
-  verklaart het beroep tegen het besluit van 3 maart 1998 ongegrond;
- bepaalt dat de gemeente Groningen eiseres het betaalde griffierecht ad ƒ55,- vergoedt;
- veroordeelt verweerders in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op ƒ1065,-, en bepaalt dat de gemeente Groningen deze kosten aan eiseres dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 12 oktober 1999, in tegenwoordigheid van A.M. van der List-van Winden als griffier.

De griffier, wnd., De rechter,




Afschrift verzonden op: 12 oktober 1999.

Bijlage: Staat van kosten.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.