Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA3943
ECLI: ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3943
Instantie: Rechtbank Maastricht
Soort procedure: beroep
Zaaknummers: 97/1778 NABW Z DRM, 97/1779 NABW Z DRM en 97/1780 NABW Z DRM
Datum uitspraak: 23 maart 1999
Wetsartikelen: artt. 5a ABW (= 3 Abw) (= 3 Wwb) / 4 en 5 IHABW / 3:2, 4:6, 7:2, 7:12 en 8:72 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; ex-echtgenoot; opschorting bijstand; beëindiging; herhaalde aanvraag; nieuwe feiten of omstandigheden; getuigenverklaring; hoorzitting; horen; sociale recherche
Essentie: Onterechte afwijzing herhaalde bijstandsaanvragen op de grond dat van geen nieuwe feiten of omstandigheden zou zijn gebleken ter zake van vermeende gezamenlijke huishouding met de ex-echtgenoot, zonder dat daarnaar na het opschortingsbesluit onderzoek is gedaan. Eiseres is ten onrechte niet gehoord. Het na het beëindigingsbesluit en vóór het besluit op bezwaar verrichte onderzoek (op basis van onderzoek door de sociale recherche) is onzorgvuldig.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Maastricht 97/1778 NABW Z DRM, 97/1779 NABW Z DRM en 97/1780 NABW Z DRM




U I T S P R A A K




inzake:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, Dienst Sociale en Economische Zaken, gevestigd te Maastricht, verweerder.



Datum en aanduiding van de bestreden besluiten:
- het besluit van verweerder van 12 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 987358;
- het besluit van verweerder van 20 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 988697;
- het besluit van verweerder van 12 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 991555.
Datum van behandeling ter zitting: 9 februari 1999.




I. Ontstaan en loop van het geding



In zaak 97/1778:

Bij besluit van 27 juni 1996 heeft verweerder de op 10 juni 1996 door eiseres ingediende aanvraag om bijstand afgewezen.

Tegen dit besluit is namens eiseres door mr. A.A.T. Vonken, advocaat te Maastricht, een bezwaarschrift ingediend.
Dit bezwaarschrift is bij besluit van 20 juni 1997 (bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 988697; hierna: besluit II)ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde bij brief van 25 juli 1997 namens eiseres beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn op 24 september 1997 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.



In zaak 97/1779:

Bij besluit van 8 mei 1996 heeft verweerder de op 13 maart 1996 door eiseres ingediende aanvraag om bijstand afgewezen.
Tegen dit besluit is namens eiseres door voornoemde gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 24 mei 1996 is namens eiseres bij de president van deze rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Dit verzoek heeft de president bij uitspraak van 11 juni 1996 afgewezen.

Dit bezwaarschrift is bij besluit van 12 juni 1997 (bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 987358; hierna: besluit I)ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde namens eiseres op 25 juli 1997 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn op 24 september 1997 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.



In zaak 97/1780:

Bij besluit van 12 november 1995 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 februari 1996 is beëindigd.

Tegen dit besluit is namens eiseres door voornoemde gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.

Dit bezwaarschrift is bij besluit van 12 juni 1997 (bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 991555; hierna: besluit III) ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde namens eiseres op 25 juli 1997 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn op 24 september 1997 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.



In alle zaken:

Bij brief van 13 november 1997 heeft de gemachtigde van eiseres een aantal gedingstukken, houdende schriftelijke getuigenverklaringen, overgelegd. Hiervan is op 14 november 1997 een afschrift aan verweerder gezonden.

Bij brief van 8 januari 1998 is nog een aantal stukken namens eiseres overgelegd. Deze zijn op 14 januari 1998 in afschrift aan verweerder verzonden.

De gedingstukken uit de dossiers met registratienummers 96/367, 96/1189 en 96/1386 zijn ad informandum aan de onderhavige zaak toegevoegd.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 februari 1999.
Daarbij is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Pellinger, advocaat te Maastricht.
Namens verweerder is verschenen de heer L. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht.
Voorts zijn verschenen de volgende door eiseres meegenomen getuigen: B, C, D en E.




II. Overwegingen


II.I. Eiseres ontving sinds 4 september 1994 een bijstandsuitkering van de gemeente Maastricht. Naar aanleiding van een mededeling dat eiseres weer zou samenwonen met haar ex-man de heer F is van de zijde van verweerder een onderzoek ingesteld in de vorm van een tweetal op 16 januari 1996 afgelegde huisbezoeken, te weten aan het door F opgegeven huisadres en aan dat van eiseres. Aan het huisadres van F werden de rapporteurs te woord gestaan door de moeder en een broer van F. Naar het op 18 januari door de desbetreffende rapporteurs C.P. de Visser en P.M.A. van Ochten opgemaakte rapport vermeldt, heeft de moeder van F verklaard dat haar zoon weer terug is bij zijn ex-vrouw aan de [...]. Voorts heeft zij aangegeven dat F vanaf begin januari 1996 werkt. Het rapport vermeldt dat voornoemde rapporteurs zich vervolgens hebben gewend tot het adres [...], waar zij werden binnengelaten door eiseres en waar zij in de woonkamer F aantroffen met een behangkwast in de hand. Daarbij deelde eiseres mee dat zij en F samen de kamer aan het behangen waren.

Naar aanleiding van deze rapportage heeft de directeur van de sociale dienst van verweerders gemeente de betaling van de bijstandsuitkering van eiseres bij besluit van 12 februari 1996 met ingang van 1 februari 1996 opgeschort.

Tegen dit besluit heeft mr. Vonken voornoemd bij brief van 17 februari 1996 bezwaar gemaakt. Bovendien heeft de gemachtigde van eiseres zich tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen.

Tegen het besluit van 12 februari 1996 is namens eiseres in bezwaar aangevoerd dat er geen sprake van is dat de samenleving met haar ex-echtgenoot zou zijn hersteld. Voorts is aangegeven dat er wel sprake is van frequente contacten tussen de voormalige echtelieden, zulks in verband met de effectuering van het bezoekrecht van F aan zijn minderjarige, uit zijn huwelijk met eiseres, geboren dochter. Verder is namens eiseres aangevoerd dat voornoemde rapporteurs bij hun huisbezoeken op 16 januari 1996 bijzonder aanmatigend waren opgetreden. Meer in het bijzonder is vermeld dat de moeder van eiseres is geforceerd om een verklaring te ondertekenen, terwijl zij niet kan lezen, noch kan schrijven.
Verder is aangegeven dat de rapporteurs onvoldoende onderzoek in de woning van de moeder van F hebben gedaan; uit de daar aanwezige kleren en andere persoonlijke bezittingen van F had kunnen blijken dat deze nog steeds bij zijn moeder woonde.

Bij uitspraak van 15 maart 1996 heeft de president van de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 3 april 1996 heeft verweerder het bezwaarschrift tegen voornoemd besluit van 12 februari 1996 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij deze rechtbank beroep ingesteld.

Dit beroep is bij uitspraak van 19 november 1996 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat op grond van voornoemde rapportage van 18 januari 1996 het gegronde vermoeden kon ontstaan dat zich hier een situatie voordeed als bedoeld in artikel 69 van de Abw en heeft verweerder op grond hiervan terecht besloten tot opschorting van de uitbetaling van de uitkering aan eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank kon hieraan niet afdoen dat de ouders van F blijkens de overlegde brief van 11 maart 1996, later in een telefoongesprek aan de gemachtigde van eiseres zouden hebben verklaard dat hun zoon nog steeds bij hen woonachtig was.

De rechtbank heeft hierbij aangetekend dat een opschorting van de betaling een voorlopige maatregel is die gevolgd dient te worden door een beëindigingsbeslissing indien uit nader onderzoek blijkt dat op grond van gewijzigde omstandigheden niet langer een recht op bijstand bestaat, dan wel door een besluit tot ongedaanmaking van de opschorting indien uit het nader onderzoek zou blijken dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden.

Tegen deze uitspraak van de rechtbank is namens eiseres hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 7 juli 1998 heeft de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

In deze uitspraak heeft de Raad allereerst overwogen dat de opschorting van de uitkering op grond van het in de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (lw HABW) opgenomen overgangsrecht moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Algemene Bijstandswet (ABW), zoals deze laatstelijk luidden vóór 1 januari 1996.

Vervolgens heeft de Raad overwogen dat de beantwoording van de vraag of opschorting van een bijstandsuitkering in een geval als dat van eiseres geoorloofd is, in het algemeen afhangt van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans ten minste het gegronde vermoeden kan hebben, dat het recht op de uitkering niet meer bestaat dan wel slechts recht op een lagere uitkering bestaat.

Uit de uitspraak blijkt voorts dat F ter zitting van de Raad heeft verklaard dat hij, sinds de verbreking van de samenwoning met eiseres, bij zijn ouders heeft gewoond. Zijn moeder zou psychisch erg verward zijn en haar verklaring op 16 januari 1996 onder druk hebben afgelegd. F heeft voorts aangegeven dat hij zijn dochter zo vaak mag bezoeken als hij wil. Op 16 januari 1996, toen de sociale recherche hem 's avonds bij eiseres thuis aantrof, was hij niet aan het behangen, maar hield hij even de kwast voor eiseres vast. Namens eiseres is er ter zitting van de Raad op gewezen dat F onder psychiatrische behandeling staat en door geheugenverlies veel niet meer weet.

De Raad was van oordeel dat de reeds eerder genoemde bezwaren van eiseres en de zojuist aangehaalde verklaringen niet wegnemen dat verweerder reeds op basis van de door de moeder van F op 16 januari 1996 ondertekende verklaring grond had voor het vermoeden dat eiseres en F weer beiden hun hoofdverblijf aan [...] hadden en daar weer een gezamenlijke huishouding voerden.

II.2. inmiddels had eiseres op 13 maart 1996 opnieuw een aanvraag om bijstand bij verweerder ingediend.

Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 8 mei 1996 afgewezen, onder de overweging dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van de situatie die aanleiding is geweest voor de opschortingbeslissing van 12 februari 1996 en de op bezwaar tegen deze beslissing genomen besluit van 3 april 1996.

Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt.

In het kader van de bezwaarprocedure is namens eiseres bij brief van 27 juni 1996 een op 24 juni 1996 gedateerde schriftelijke verklaring van de ouders van F overgelegd, volgens welke F in het ouderlijk huis inwonend is.

Bij brief van 4 november 1996 heeft de gemachtigde van eiseres er bij verweerder op aangedrongen een aantal getuigen te horen.

Op 27 juni 1996 is in het kader van deze bezwaarprocedure een hoorzitting gehouden. Naar aanleiding van het verhandelde tijdens deze hoorzitting heeft de Unit Bezwaar en Beroep van verweerders gemeente de sociale recherche verzocht een nader onderzoek in te stellen, welk onderzoek heeft geleid tot een ongedateerde (nadere) rapportage.

Bij besluit van 12 juni 1997 (in rubriek I aangeduid als besluit I) heeft verweerder het namens eiseres tegen het besluit van 8 mei 1996 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

II.3. Op 10 juni 1996 heeft eiseres een tweede aanvraag om bijstand bij verweerder ingediend.

Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 27 juni 1996 afgewezen, onder de overweging dat er geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven om het door verweerder eerder, bij besluit van 12 februari 1996 en de daaropvolgende overeenkomstige besluiten, ingenomen standpunt te wijzigen. Ook tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt.

Bij brief van 9 september 1996 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de afhandeling van het bezwaarschrift wordt aangehouden, in afwachting van het in het kader van de bezwaarprocedure tegen het besluit van 8 mei 1996 te verrichten nadere onderzoek.

Na afloop van dit onderzoek heeft verweerder bij besluit van 20 juni 1997 (in rubriek I aangeduid als besluit II) het tegen het besluit van 27 juni ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

II.4. Nadat de rechtbank bij de behandeling van het namens eiseres ingestelde beroep tegen het besluit d.d. 12 februari 1996 tot opschorting van de bijstand van eiseres op nadere besluitvorming had aangedrongen, heeft verweerder bij besluit 12 november 1996 de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 februari 1996 beëindigd.

Ook tegen dit besluit is namens eiseres, onder verwijzing naar voornoemde eerdere bezwaarschriften, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 juni 1997 (in rubriek I aangeduid als besluit III) heeft verweerder het namens eiseres tegen het besluit van 12 november 1996 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat is afgezien van het houden van een hoorzitting, omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.

II.5. Beoordeling van besluit I van 12 juni 1997.

Ter motivering van dit besluit heeft verweerder overwogen dat naar aanleiding van de aanvraag van 13 maart 1996 bij de afdeling Sociale Zaken en Welzijn van verweerders gemeente een onderhoud met eiseres heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van verweerder heeft eiseres tijdens dit onderhoud desgevraagd geen nieuwe feiten of omstandigheden kunnen vermelden die zouden kunnen leiden tot een wijziging in haar aanspraak op een bijstandsuitkering. Daarbij is overwogen dat eiseres tijdens het onderhoud louter heeft herhaald wat zij al in een eerder stadium had meegedeeld, te weten dat er nimmer sprake is geweest van enige samenwoning met haar ex-echtgenoot. Gelet hierop kon de aanvraag op grond van het bepaalde in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking worden afgewezen, aldus verweerder.

Gelet op het in artikel 3, derde lid, aanhef en onder e, van de Abw opgenomen onweerlegbare rechtsvermoeden had het volgens verweerder bovendien op de weg van eiseres gelegen minimaal aannemelijk te maken dat haar ex-echtgenoot niet meer zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres had.

Ten slotte is verweerder van oordeel dat eiseres bij de in het kader van de bezwaarprocedure gehouden hoorzitting geen enkele medewerking heeft verleend, zodat verweerder van mening is dat hetgeen namens eiser ter hoorzitting is gesteld niet kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Onder verwijzing naar de reeds tegen het besluit van 12 februari 1996 ingebrachte bezwaargronden, die zijn weergegeven in rubriek II.I, is namens eiseres het standpunt herhaald dat er geen sprake is van samenwoning door haar en haar ex-echtgenoot.

Ter beoordeling staat de vraag of het bestreden besluit, waarbij het besluit van 8 mei 1996 tot afwijzing van de door eiseres op 13 maart 1996 ingediende aanvraag is gehandhaafd, de rechterlijke toets kan doorstaan.
De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat de aanvraag van eiseres kan worden afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder miskend dat de aanvraag van eiseres niet ziet op herziening van het besluit van 12 februari 1996 tot opschorting van haar uitkering met ingang van 1 februari 1996, maar op de verlening van bijstand op een datum die gelegen is na het tijdstip met ingang waarvan de betaling van de uitkering van eiseres was opgeschort. De aanvraag van eiseres dient dan ook te worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag van bijstand na de opschorting van de uitbetaling van de bijstand per 1 februari 1996. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 april 1996 (JABW 1996/134) overweegt de rechtbank vervolgens dat de opschorting van de uitbetaling moet worden beschouwd als een voorlopige maatregel en dient deze derhalve - zo de opschorting niet zonder meer wordt ongedaan gemaakt - gevolgd te worden door een definitieve beslissing omtrent de aanspraak op uitkering. Zoals in rubriek II.4 is aangegeven, heeft deze definitieve beslissing in het geval van eiseres eerst bij besluit van 12 november 1996 plaatsgevonden. Gelet op hetgeen in de voorgaande alinea is overwogen, moet dan ook worden geconcludeerd dat het door eiseres op 13 maart 1996 ingediende verzoek om opnieuw in aanmerking te worden gebracht voor een bijstandsuitkering is gedaan op een moment waarop de lopende uitkering nog niet was beëindigd.

Verweerder heeft dan ook in het bestreden besluit miskend dat het met het besluit van 8 mei 1996 beoogde rechtsgevolg, te weten dat eiseres geen recht had op uitkering, ten tijde van belang niet kón intreden. Derhalve kan het bestreden besluit niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat het beroep voor gegrond moet worden gehouden en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank acht het voorts aangewezen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het besluit van 8 mei 1996 wordt herroepen.

Daarbij tekent de rechtbank aan dat het op 13 maart 1996 door eiseres ingediende verzoek niet, zoals de Centrale Raad van Beroep in voornoemde uitspraak van 16 april 1996 ten aanzien van het aldaar in geding zijnde beroep had overwogen, kan worden aangemerkt als een verzoek om alsnog tot definitieve vaststelling van de aanspraak op bijstand kan worden aangemerkt, nu, mede gelet op de door de gemachtigde van eiseres in haar brief van 14 maart 1996 gegeven toelichting buiten twijfel staat dat eiseres heeft beoogd een nieuwe aanvraag om bijstand in te dienen met inachtneming van de omstandigheden zoals deze per 13 maart 1996 golden.

11.6. Beoordeling van besluit II van 2 juni 1997.

Ter motivering van dit besluit heeft verweerder overwogen dat bij de aanvraag van 10 juni 1996 opnieuw geen nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden zijn vermeld, zodat de aanvraag op grond van het bepaalde in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb onder verwijzing naar voornoemd besluit van 8 mei 1996 wordt afgewezen.

In beroep is de door verweerder aangenomen samenwoning van eiseres en F, onder verwijzing naar de in de voorgaande procedures ingediende stukken, opnieuw namens eiseres betwist, met de nadrukkelijk vermelding dat zulks door middel van getuigenverklaringen nader kan worden onderbouwd.

Ter beoordeling staat de vraag of het bestreden besluit, waarbij het besluit van 27 juni 1996 tot afwijzing van de door eiseres op 10 juni 1996 ingediende aanvraag is gehandhaafd, de rechterlijke toets kan doorstaan.
De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat de aanvraag van eiseres kan worden afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit heeft miskend dat ook het door eiseres op 6 juni 1996 ingediende verzoek een nieuwe aanvraag betreft.

Voorts is ook de aanvraag van 10 juni 1996 ingediend op een moment waarop de lopende uitkering nog niet was beëindigd.

Verweerder heeft dus ook in dit bestreden besluit miskend dat het met het besluit van 27 juni 1996 beoogde rechtsgevolg, te weten dat eiseres geen recht had op uitkering, ten tijde van belang niet kon intreden. Derhalve kan ook dit bestreden besluit niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat het beroep voor gegrond moet worden gehouden en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank acht het voorts aangewezen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het besluit van 27 juni 1996 wordt herroepen.

Daarbij tekent de rechtbank aan dat ook het op 10 juni 1996 door de eiseres ingediende verzoek niet, zoals de Centrale Raad van Beroep in voornoemde uitspraak van 16 april 1996 ten aanzien van het aldaar in geding zijnde beroep had overwogen, als een verzoek om definitieve vaststelling van de bijstand kan worden aangemerkt.

II.7. Beoordeling van besluit III van 12 juni 1997.

II.7.1. Zoals in rubriek II.4. is aangegeven, heeft verweerder bij dit bestreden besluit het namens eiseres ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van 12 november 1996 ongegrond verklaard. Bij dit laatste besluit heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 februari 1996 beëindigd.

De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 12 november 1996 dient te worden beschouwd als de definitieve beslissing omtrent de aanspraak van eiseres op bijstand, nadat de uitbetaling hiervan per 1 februari 1996 was opgeschort. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in de aard van een dergelijk besluit besloten dat het bestuursorgaan gehouden is een nader onderzoek in te stellen naar de feiten die tot de voorlopige maatregel tot opschorting van de uitbetaling van de uitkering aanleiding hebben gegeven. Bij dit onderzoek is het bestuursorgaan gehouden mede rekening te houden met feiten en omstandigheden die na het besluit tot opschorting van de uitbetaling zijn gebleken.

In het geval van eiseres betekent dit dat verweerder bij de vaststelling van de definitieve aanspraken van eiseres op bijstand mede rekening heeft dienen te houden met feiten en omstandigheden die na het opschortingsbesluit zijn gebleken. Bij de beslissing op bezwaar dienen ook de feiten en omstandigheden die zich na 12 november 1996 hebben voorgedaan te worden betrokken.

II.7.2. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat niet kan worden voorbijgegaan aan de besluitvorming naar aanleiding van voornoemde aanvraag van 13 maart 1996, waarbij niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van die welke aanleiding waren tot het opschortingsbesluit van 12 februari 1996. Voorts is verweerder van oordeel dat eiseres geen medewerking heeft verleend bij het door de sociale recherche hangende het bezwaar tegen het besluit van 8 mei 1996 uitgevoerde nadere onderzoek.

Verder heeft verweerder overwogen dat geen sprake is van een beëindiging van de uitkering met terugwerkende kracht, omdat eiseres op 16 januari 1996 is meegedeeld dat haar uitkering met onmiddellijke ingang zal worden beëindigd.

Ten slotte is aangegeven dat is afgezien van het houden van een hoorzitting, omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.

II.7.3. Namens eiseres is in beroep herhaald dat er geen sprake is van samenwoning door haar met haar ex-echtgenoot. Namens eiseres is benadrukt dat eiseres haar huis slechts tezamen met haar veel zorg behoevende dochter bewoont. Voor het overige is in beroep volstaan met een verwijzing naar de in de diverse voornoemde bezwaarprocedures aangevoerde gronden.

II.7.4. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het houden van een hoorzitting onder de overweging dat het bezwaarschrift van eiseres kennelijk ongegrond is.

Blijkens vaste jurisprudentie is van een kennelijk ongegrond bezwaar immers eerst sprake indien uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs over die conclusie geen twijfel mogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is aan dit criterium in het geval van eiseres niet voldaan. Verweerder heeft bij alle in deze uitspraak aan de orde komende besluitvorming aanvankelijk slechts verwezen naar de feiten en omstandigheden die het vermoeden van samenwoning van eiseres en F wekten en verweerders bij besluit van 3 april 1996 gehandhaafde besluit van 12 februari 1996 tot opschorting van de uitbetaling van de bijstand aan eiseres rechtvaardigden. Uit de gedingstukken blijkt niet dat het besluit van 12 november 1996 op enig nader onderzoek van de zijde van verweerder berust, terwijl van de zijde van eiseres uitdrukkelijk was aangeboden de betwisting van de (voorlopige) conclusies van verweerder door middel van getuigenverklaringen nader te onderbouwen.

Het bestreden besluit moet dan ook in strijd worden geacht met artikel 7:2 van de Awb, terwijl eiseres geacht moet worden door deze schending in haar belangen te zijn geschaad. Reeds op deze grond is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

II.7.5. De rechtbank overweegt voorts als volgt.

De vraag doet zich voor naar welk recht het besluit tot beëindiging van de bijstand van eiseres moet worden beoordeeld.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de IHABW blijft de Algemene Bijstandswet (ABW) gedurende ten hoogste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe Abw van toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geëindigd.

Het tweede lid van artikel 4, voornoemd, bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde toepassing van de ABW eindigt:
a. zodra burgemeester en wethouders in het betreffende geval naar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, een nieuw besluit hebben getroffen;
b. zodra een wijziging van omstandigheden van de persoon of het gezin optreedt of is opgetreden die op grond van hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de nieuwe Abw tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te leiden en burgemeester en wethouders in het betreffende geval een nieuw besluit inzake de verlening van bijstand hebben getroffen.

Uitgangspunt is dat eiseres ten tijde als hier van belang een persoon was als omschreven in artikel 4, eerste lid, van de IHABW. Eiseres ontving in de peilmaand - december 1995 - algemene bijstand ingevolge de ABW en haar recht is niet geëindigd op de peildag (31 december 1995). De ABW blijft derhalve ten aanzien van eiseres gelden gedurende ten hoogste twaalf maanden, tenzij de toepassing van de ABW op een eerdere datum eindigt als gevolg van één van de in het tweede lid van artikel 4 van de IHABW genoemde omstandigheden.

Het onderzoek dat in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden, was geen onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de IHABW, zodat de omstandigheid, genoemd in artikel 4, tweede lid, onderdeel a. zich hier niet voordoet. Naar de Centrale Raad van Beroep in zijn in rubriek II.I genoemde uitspraak van 7 juli 1998 heeft overwogen, is voor het intreden van het gevolg dat de toepassing van de ABW eindigt op grond van de in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, genoemde omstandigheid niet alleen vereist dat zich een wijziging in omstandigheden heeft voorgedaan die krachtens de genoemde bepalingen van de Abw tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te leiden, maar dat ter zake ook een nieuw besluit is getroffen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit van 18 november 1996 tot beëindiging van de uitkering van eiseres niet worden beschouwd als een besluit tot verlaging van de bijstandsnorm van eiseres als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de Abw. Een dergelijke uitleg is niet in overeenstemming met de bewoordingen waarin deze wetsbepalingen zijn gesteld en evenmin met de systematiek van de Abw, nu de genoemde bepalingen zien op de situatie waarin krachtens de bepalingen van hoofdstuk I i [hoofdstuk II, red.] van de Abw recht op bijstand bestaat.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering moet worden beoordeeld naar de bepalingen van de ABW.

II.7.6. Ingevolge artikel 5a, eerste lid, van de ABW wordt de bijstand aan niet met elkaar gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, vastgesteld op overeenkomstige wijze als bedoeld in artikel 5 van de ABW.

Ingevolge het tweede lid van artikel 5a van de ABW kan van een gezamenlijke huisvesting slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Blijkens de wetsgeschiedenis van dit artikel vindt toetsing plaats door afweging van alle zich ten aanzien van betrokkenen voordoende waarneembare feiten en omstandigheden die niet van subjectieve aard zijn.

F stond ten tijde hier in geding ingeschreven op het adres van zijn moeder, zodat mag worden aangenomen dat hij in beginsel over eigen woonruimte kon beschikken.

Het aanhouden van afzonderlijke woonruimte behoeft op zichzelf het gezamenlijk voorzien in huisvesting niet in de weg te staan. In dat geval zal echter redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenleven moet worden gesproken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het primaire besluit van 18 november 1996 om de uitkering van eiseres te beëindigen, is gebaseerd op de bevindingen zoals die zijn vermeld in het eerder vermelde rapport van de sociale recherche van 18 januari 1996. Het bestreden besluit is daarenboven gebaseerd op de bevindingen die zijn vermeld in een ongedateerde rapportage van de sociale recherche die betrekking heeft op een in de periode van 28 november 1996 tot en met 19 maart 1997 uitgevoerd aanvullend onderzoek.

Ter zitting heeft getuige B verklaard dat F in 1993 enige tijd heeft verbleven in het psycho-medisch centrum Vijverdal en dat eiseres aansluitend in 1994 van F is gescheiden. Voorts heeft getuige B verklaard dat eiseres en F sindsdien niet meer hebben samengewoond. Ten slotte heeft hij verklaard dat eiseres, sinds zij geen bijstand meer ontvangt, financieel wordt ondersteund door verschillende familieleden en kennissen. Getuige B heeft ten slotte verklaard haar zelf ƒ150,- tot ƒ250,- per maand te lenen.

Getuige C heeft ter zitting verklaard dat F na de echtscheiding steeds bij zijn ouders heeft gewoond. Zij heeft voorts verklaard dat zij eiseres regelmatig kleding schenkt, met name ten behoeve van haar kind.

Getuige D, de moeder van F, heeft ter zitting verklaard dat F na de echtscheiding steeds bij haar heeft gewoond. Zij heeft voorts aangegeven dat zij bij voornoemd huisbezoek op 16 januari 1996 door de sociale recherche onder druk is gezet en niet goed begreep wat er aan de hand was. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij de door haar ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaring weliswaar heeft ondertekend, maar dat zij niet wist wat zij tekende.

Getuige E heeft ter zitting verklaard dat zij D in de huishouding helpt en dat F, voor zover haar bekend is, steeds bij zijn ouders heeft gewoond.

Mede gelet op deze getuigenverklaringen is de rechtbank van oordeel dat voornoemde, op 18 januari 1996 opgemaakte, rapportage van de sociale recherche, die aanleiding is geweest voor de opschorting van de uitbetaling van de bijstand aan eiseres, op zichzelf genomen geen voldoende grondslag vormt voor het besluit tot beëindiging van de uitkering van eiseres. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, is de rechtbank niet gebleken dat ter voorbereiding van het op 18 november 1996 genomen primaire besluit tot beëindiging van de bijstand van eiseres enig aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden. Voorafgaand aan het bestreden besluit heeft echter wel een aanvullend onderzoek door de sociale recherche plaatsgevonden en wel voornoemd onderzoek met betrekking tot de periode van 28 november 1996 tot en met 19 maart 1997. Blijkens het desbetreffende rapport had het onderzoek betrekking op het inwinnen van inlichtingen bij de werkgever van F, op een elftal observaties in de periode van 28 november 1996 tot en met 24 februari 1997 en een op 19 maart 1997 gehouden avondcontrole aan het adres van F en aan dat van eiseres.

De door de werkgever van F gegeven inlichtingen bieden naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor de conclusie dat eiseres en F gezamenlijk zijn gehuisvest.

Uit de gehouden observaties en het huisbezoek volgt weliswaar dat F eiseres regelmatig bezoekt, maar dit wordt door eiseres op zichzelf ook niet ontkend. Tegen eiseres pleit echter dat F, bij het voorgenomen huisbezoek van de sociale recherche op 17 maart 1997, vluchtgedrag vertoonde en eiseres weigerde de deur te openen.

In het feit dat eiseres haar vaste lasten kan betalen, acht de rechtbank echter weer onvoldoende grond gelegen voor de veronderstelling dat deze lasten door F worden voldaan.

Al het voorgaande afwegend, waarbij de rechtbank in het bijzonder gewicht hecht aan het feit dat verweerder pas in een zeer laat stadium nader onderzoek heeft doen verrichten naar de vermeende samenwoning van eiseres met F en voorts in overweging nemend dat ook dit nader onderzoek ruimte voor twijfel laat, is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde gegevens onvoldoende grond bieden voor de conclusie dat eiseres over de gehele periode van 1 februari 1996 tot aan de datum van het bestreden besluit gezamenlijk met F was gehuisvest.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit tevens wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

II.7.8. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 4 punten met een waarde van ƒ710,- toe voor de indiening van de drie beroepschriften en het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 4 x ƒ710,- x 1.

Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep tegen besluit I (besluit van 12 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 987358) gegrond en vernietigt dit besluit;
2. herroept het besluit van 8 mei 1996;
3. verklaart het beroep tegen besluit II (besluit van 20 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 988697) gegrond en vernietigt dit besluit;
4. herroept het besluit van 27 juni 1996;
5. verklaart het beroep tegen besluit I II (besluit van 12 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 991555) gegrond en vernietigt dit besluit;
6. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 18 november 1996 met inachtneming van deze uitspraak;
7. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van 3 x ƒ55,- = ƒ165,- wordt vergoed door de gemeente Maastricht;
8. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op ƒ2840,- wegens de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. M. Driessen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 1999 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Driessen w.g. R.E. Bakker




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op:




Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken. Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en een belanghebbende, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid open om zich tot de Voorzitter van de Centrale Raad van Beroep te wenden met een verzoek om voorlopige voorziening ingevolge artikel 8:81 van de Awb.