Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA4808
ECLI: ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4808
Instantie: Rechtbank Utrecht
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: 98/1486 ABW
Datum uitspraak: 20 december 1999
Wetsartikelen: artt. 3, 65, 69, 81 en 90 Abw (= 3, 17, 54, 58 en 58 Wwb) / 10 Gw
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige ex-echtgenoot; beëindiging bijstand; terugvordering; inlichtingenverplichting; hoofdverblijf; zorg voor gehandicapte kinderen; observaties sociale recherche; fraude; privacy; eerbiediging persoonlijke levenssfeer
Essentie: Terechte beëindiging en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding met een onderhoudsplichtige ex-echtgenoot, aangezien deze meer dan de helft van de dagen per week (ter verzorging van twee gehandicapte kinderen) in de woning verbleef en aldus daar zijn (feitelijk) hoofdverblijf had. Met de vele observaties door de sociale recherche is het privacyrecht niet geschonden. De bestuursrechter heeft een eigen verantwoordelijkheid, die afwijkt van die van de politierechter.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Utrecht 98/1486 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.




1. Verloop van de procedure


Bij besluit van 9 juni 1998 (hierna aan te duiden als het bestreden besluit) heeft verweerder het namens eiseres ingediende bezwaar tegen het besluit van 28 januari 1998, bij welk besluit verweerder het recht van eiseres op bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 maart 1997 heeft ingetrokken en de van 1 maart 1997 tot en met 31 december 1997 aan haar verstrekte bijstand tot een bedrag van ƒ22.955,59 (bruto) van haar heeft teruggevorderd, gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat de datum van ingang van de intrekking alsmede de datum van ingang van de periode waarover wordt teruggevorderd, is gewijzigd in 20 maart 1997. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dat besluit op 21 juli 1998 beroep bij deze rechtbank doen instellen. Op 30 september 1998 zijn de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 27 november 1998 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift aan de rechtbank toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 september 1999 alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.W. Melchers, advocaat te Utrecht, en verweerder, ambtshalve opgeroepen om te verschijnen bij gemachtigde, zich heeft doen vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de afdeling juridische zaken van verweerders gemeente.




2. Overwegingen


In dit geding moet de vraag beantwoord worden of verweerder terecht en op goede gronden de intrekking van het recht op bijstand ingevolge de Abw van eiseres en de terugvordering van de haar verstrekte bijstand heeft gehandhaafd onder wijziging van de datum van ingang van intrekking en de datum van ingang van de periode van terugvordering in 20 maart 1997.



Feiten

Eiseres ontving van verweerder een uitkering ingevolge de Abw. Naar aanleiding van een vermoeden dat zij met haar gewezen echtgenoot, X, een gezamenlijke huishouding zou voeren, is er door de sociale recherche van de Dienst Welzijn, afdeling Sociale Zaken, van verweerders gemeente een onderzoek ingesteld, waarvan op 6 januari 1998 rapport is uitgebracht. Naar aanleiding van dit rapport heeft verweerder het recht van eiseres op uitkering ingevolge de Abw met ingang van 1 maart 1997 beëindigd en de aan haar van 1 maart 1997 tot en met 31 december 1997 verstrekte bijstand teruggevorderd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze beëindiging en terugvordering gehandhaafd onder wijziging van de datum van ingang van beëindiging en de datum van ingang van de periode waarover wordt teruggevorderd in 20 maart 1997.



Standpunten van partijen

Namens eiseres is erkend dat X veelvuldig bij eiseres verbleef, doch dat dit te maken had met het feit dat eiseres en X twee zwaar gehandicapte kinderen hebben, die meer verzorging nodig hebben dan eiseres hen kan geven. Om die reden is X als vader van de kinderen veelvuldig bij eiseres aanwezig en helpt hij haar met de verzorging en opvoeding van deze kinderen. Eiseres is van mening dat aan het veelvuldig verblijf van X bij haar niet ontleend kan worden dat X bij haar in de woning zijn hoofdverblijf heeft.
Voorts is namens eiseres onder verwijzing naar rechtspraak en met een beroep op artikel 10 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 19 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) gesteld dat verweerder door veelvuldig te observeren in de buurt van de woning van eiseres een ontoelaatbare inbreuk heeft gemaakt op de privacy van eiseres.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres met een beroep op artikel 8 van het EVRM gesteld dat op grond van de bijzonderheid van de situatie van eiseres en X de gemeente zich niet alleen van een ongeoorloofde inbreuk op het gezinsleven van eiseres moet onthouden, doch tevens geacht moet worden een inspanningsverplichting te hebben om X in staat te stellen zijn gewezen echtgenote te helpen bij de verzorging en opvoeding van de twee gehandicapte kinderen.

Verweerder heeft de noodzaak van de verzorging van de kinderen door X niet ontkend, doch zich op het standpunt gesteld dat X zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres heeft en daarom op grond van artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Abw geacht wordt een gezamenlijke huishouding te voeren met eiseres. Daarbij heeft verweerder overwogen dat het aannemelijk is dat X in de in geding zijnde periode over voldoende middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Verweerder acht niet dat de privacy van eiseres ongeoorloofd is geschonden door de observaties welke zijn verricht door de sociale recherche. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat het in de namens eiseres aangehaalde rechtspraak ging om een observatieperiode van ruim vijftien maanden en 292 observatiedagen, terwijl het in het geval van eiseres ging om een observatieperiode van 30 juli 1997 tot en met 20 november 1997, in welke periode 119 waarnemingen op 111 observatiedagen zijn verricht. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat waarnemingen gedurende een kortere observatieperiode veelal niet tot een duidelijk oordeel leiden over het al dan niet hebben van een hoofdverblijf aan een bepaald adres.



Toepasselijk recht

Op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Abw wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Krachtens het tweede lid van genoemd artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In het derde lid, onderdeel a, van genoemd artikel is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

Het eerste, tweede en derde lid van genoemd artikel zijn met ingang van 1 januari 1998 vernummerd tot het tweede, derde en vierde lid. Gelet op de in geding zijnde periode wordt in deze uitspraak verwezen naar de nummers van de artikelleden, zoals deze golden van 1 januari 1996 tot 1 januari 1998.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

In artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, zoals dit artikel luidt sedert 1 juli 1997, is onder meer bepaald dat burgemeester en wethouders onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw wordt bijstand die als gevolg van onder meer een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende teruggevorderd.
Van 1 januari 1996 tot en met 30 juni 1997 luidde artikel 81, eerste lid, van de Abw voor zover hier van belang: Indien de verplichting, bedoeld in artikel 65, door belanghebbende niet of niet behoorlijk is nagekomen, wordt de bijstand van hem teruggevorderd voor zover de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Krachtens artikel 90 wordt voor zover hier van belang onder kosten van bijstand verstaan de door de gemeente betaalde bijstand verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de ziekenfondspremie, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de Belastingdienst en het Landelijk instituut sociale verzekeringen.



Beoordeling van het geschil

Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiseres en X eerder met elkaar gehuwd zijn geweest, moet, gelet op artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Abw nog slechts de vraag beantwoord worden of X in de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf aan het adres van eiseres had.

Op grond van het genoemde rapport van de sociale recherche en de daarbij opgenomen verklaringen is de rechtbank van oordeel dat X ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres. Ter zitting is ook niet langer bestreden dat X op de meeste dagen, meer dan de helft van de dagen per week, bij eiseres aanwezig was voor de zorg voor de kinderen, zij het dat dit in verband met zijn werkzaamheden niet gedurende de gehele dag was, terwijl eiseres heeft verklaard dat X, als hij er was, ook in de woning bleef slapen.
De stelling namens eiseres dat aan dit veelvuldig verblijf van X in de woning van eiseres niet kan worden ontleend dat X zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres had omdat dit verblijf noodzakelijk was voor de verzorging en opvoeding van de gehandicapte kinderen, kan de rechtbank niet volgen.
Bij de beantwoording van de vraag of iemand zijn hoofdverblijf in een woning heeft zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Abw is het feitelijk verblijf in die woning doorslaggevend en niet de reden van dat verblijf. Daaraan doet niet af dat het verblijf van X in de woning van eiseres, zoals ook door verweerder niet is ontkend, voor de verzorging en opvoeding van zijn gehandicapte kinderen noodzakelijk was.

Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat eiseres de op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door verweerder niet op de hoogte te stellen van het verblijf van X in haar woning.
Nu niet is bestreden dat X over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, moet geoordeeld worden dat verweerder terecht het recht van eiseres op bijstand ingevolge de Abw met ingang van 20 maart 1997 heeft beëindigd en de van 20 maart 1997 tot en met 31 december 1997 aan haar verstrekte bijstand van haar heeft teruggevorderd.

Met betrekking tot de door de sociale recherche verrichte observaties heeft de gemachtigde van eiseres gewezen op het vonnis van de Politierechter van deze rechtbank van 12 februari 1998, gepubliceerd in NJ 1998/636. In dat vonnis werd de officier van justitie in zijn strafvordering inzake bijstandsfraude niet-ontvankelijk verklaard omdat de observaties gedurende de periode van 7 september 1995 tot en met 20 november 1996, totaal 538 observaties gedurende 292 dagen, disproportioneel werden geacht. De gemachtigde van eiseres is van mening dat dit in het bestuursrecht betekent dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank kan de gemachtigde van eiseres niet volgen in deze stelling. Niet alleen zijn in het geval van eiseres gedurende een veel kortere periode veel minder observaties verricht, ook heeft de bestuursrechter bij de beoordeling of het bestuursorgaan terecht het recht op bijstand ingevolge de Abw heeft beëindigd en terecht reeds verstrekte bijstand heeft teruggevorderd een eigen verantwoordelijkheid, die afwijkt van de verantwoordelijkheid van de Politierechter inzake de beoordeling van de ontvankelijkheid van de officier van justitie in het kader van een strafvordering.

Ook de stelling van de gemachtigde van eiseres, aangevoerd ter zitting, met een beroep op artikel 8 van het EVRM, dat op verweerder een inspanningsverplichting rust tot bijstandverlening in de situatie van eiseres kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank is van oordeel dat de bescherming die het namens eiseres aangehaalde verdragsartikel biedt niet zo ver gaat dat verweerder op grond daarvan verplicht zou zijn om eiseres de gelegenheid te bieden X toe te staan zijn hoofdverblijf in haar woning te hebben voor de verzorging en opvoeding van de gehandicapte kinderen, zonder bij de berekening van de bijstandsuitkering van eiseres de financiële middelen van X in aanmerking te nemen.

De namens eiseres aangevoerde bezwaren kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Aangezien ook overigens geen aanleiding is gebleken om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten, komt het beroep voor ongegrondverklaring in aanmerking. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Er dient dan ook als volgt te worden beslist.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.


Aldus vastgesteld door mr. J.G.Th. Engelberts, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 1999.

De griffier, mr. E.W.F. Botenga, De rechter, mr. J.G.Th. Engelberts,




(bij verhindering van de behandelend griffier: mr. E.W. Ackermans-Bouwman)

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.