Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA4888
ECLI: ECLI:NL:RBUTR:2000:AA4888
Instantie: Rechtbank Utrecht
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: Awb 98/2399 NABW
Datum uitspraak: 13 januari 2000
Wetsartikelen: artt. 6, 17, 39 en 40 Abw (= 5, 15, 35 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten vloerbedekking; elektrische epilatie; meerkosten bril; koelkast; noodzakelijke kosten; voorliggende voorziening; berekening draagkracht; gemeentelijk beleid
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van vloerbedekking, omdat de vloerbedekking nog in redelijke staat is. Onterechte afwijzing voor kosten van elektrische epilatie, omdat de term "tegemoetkoming" aangeeft dat de kosten niet geheel worden vergoed door het ziekenfonds, zodat deze voorliggende voorziening niet als toereikend kan worden geacht. Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor de meerkosten van een bril, omdat, op grond van gemeentelijk beleid, de maximumvergoeding reeds is verleend. Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor de kosten van een koelkast, omdat de aanwezige draagkracht op een wijze in strijd met de wet is berekend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Utrecht Awb 98/2399 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.




1. Verloop van de procedure


Bij besluit van 19 juni 1998 (hierna aan te duiden als het primaire besluit) heeft verweerder, naar aanleiding van de aanvraag van 12 oktober 1997 van eiseres, geweigerd bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toe te kennen in de kosten van vloerbedekking, elektrische epilatie, een brilmontuur met glazen en een koelkast.

Van de door eiseres tegen het primaire besluit ingediende bezwaren is het de kosten van de bril betreffende bezwaar door verweerder bij besluit van 14 oktober 1998 (verder: het bestreden besluit) in zoverre gegrond verklaard dat verweerder de ten behoeve van het primaire besluit uitgevoerde onjuist berekend geachte draagkracht van eiseres opnieuw heeft berekend en alsnog bijzondere bijstand ten bedrage van ƒ338,80 heeft toegekend.
Ook het de kosten van de koelkast betreffende bezwaar verklaarde verweerder bij het bestreden besluit gegrond in zoverre dat de draagkrachtberekening is gecorrigeerd, op grond van welke herberekening bij het bestreden besluit opnieuw geen bijzondere bijstand in de kosten van een koelkast is verstrekt.
Het bezwaar betreffende de kosten van de vloerbedekking is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het besluit van 14 oktober 1998 op 17 november 1998 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Bij brief van 12 januari 1999 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift aan de rechtbank doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 november 1999, alwaar eiseres in persoon is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.




2. Overwegingen



Toepasselijk recht

Ingevolge het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 6, onderdeel b, van de Abw wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder bijzondere bijstand: de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

In artikel 39, eerste lid, van de Abw is bepaald dat onverminderd hoofdstuk II de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw nemen burgemeester en wethouders voor de vaststelling van de draagkracht geheel of gedeeltelijk in beschouwing: het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3.



Standpunten van partijen

Eiseres heeft in haar beroepschrift nog wel melding gemaakt van verweerders afwijzing van haar aanvraag om bijzondere bijstand te verlenen in de kosten van de vloerbedekking, maar heeft in beroep met betrekking tot deze afwijzing geen (nadere) bezwaren aangevoerd.

Met betrekking tot verweerders afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van elektrische epilatie heeft eiseres zich in beroep op het volgende standpunt gesteld.
Naar de mening van eiseres is verweerder er bij het bestreden besluit ten onrechte van uitgegaan dat geen bezwaar tegen de hier bedoelde afwijzing naar voren is gebracht. Eiseres heeft erkend dat in het bezwaarschrift hieromtrent niets is vermeld, hetgeen waarschijnlijk te maken heeft gehad met het feit dat zij nogal overvallen was door de hele situatie, doch zij stelt dit bezwaar tijdens de hoorzitting betreffende haar bezwaar wel degelijk vermeld te hebben.
Eiseres heeft aangevoerd dat het bij het primaire besluit door verweerder ingenomen standpunt dat geen bijzondere bijstand kan worden verstrekt in de na aftrek van de door haar ziektekostenverzekeraar Anova verstrekte vergoeding resterende kosten van de epilatiebehandeling onjuist is.
Eiseres heeft opgemerkt verweerders afwijzing, gezien een vrij recente honorering van een eerdere aanvraag om bijstand in tandartskosten, onbegrijpelijk te achten.

Ten aanzien van verweerders bijdrage van ƒ338,80 in de kosten van de bril heeft eiseres aangegeven dat deze vergoeding impliceert dat zij de door haar aangeschafte bril gedeeltelijk zelf moet betalen, hetgeen zij, gezien haar financiële omstandigheden, niet correct acht.

Betreffende verweerders weigering bijzondere bijstand te verlenen in de kosten van de koelkast heeft eiseres gesteld verweerders eis dat de oude, te vervangen koelkast bewaard had dienen te blijven - dit in verband met de beoordeling van de noodzaak van vervanging - niet redelijk te achten.
Zij heeft voorts aangevoerd dat verweerder, bij zijn draagkrachtberekening ten behoeve van het bestreden besluit, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door haar te betalen aflossingen ad ƒ100,- per maand van een door haar, vooral in verband met de aanschaf van de bril en de koelkast, bij de Postbank gesloten lening van ƒ2500,-.

Met betrekking tot de afwijzing van bijstand in de kosten van vloerbedekking heeft verweerder zich beperkt tot de opmerking dat deze tijdens een huisbezoek op 5 juni 1998 in redelijke staat is bevonden.

Verweerder heeft gesteld dat eiseres noch in het bezwaarschrift, noch tijdens de hoorzitting ter zake van het bezwaar heeft aangegeven het niet eens te zijn met het niet toekennen van bijzondere bijstand in de (meer)kosten van elektrische epilatie. Naar verweerders mening heeft eiseres er tijdens de genoemde hoorzitting van 5 oktober 1998 (slechts) op gewezen dat de onderliggende ambtelijke rapportage niet geheel correct is.
Met betrekking tot dit laatste heeft verweerder opgemerkt dat één en ander niet relevant is geweest voor (de inhoud van) het, naar verweerders oordeel op goede grondslag berustende, primaire besluit, waarbij verweerder, onder verwijzing naar artikel 17, tweede lid, van de Abw, de aanvraag voor de kosten van elektrische epilatie heeft afgewezen, omdat deze (meer)kosten bewust buiten de werkingssfeer van het ziekenfonds zijn gehouden.
Verweerder heeft hierover ter zitting van 10 november 1999 opgemerkt dat eiseres noch bij haar aanvraag, noch in haar bezwaarschrift, noch ter hoorzitting van 5 oktober 1998 heeft aangegeven dat zij van alle door ziekenfonds Anova in dit kader geboden voorzieningen gebruik heeft gemaakt. Verweerder meent dat er, gelet op het voorgaande, voor hem geen aanleiding heeft bestaan om bij het primaire dan wel het bestreden besluit aan te (moeten) nemen dat in casu sprake was van bijzondere omstandigheden in de vorm van medische noodzaak van (voortzetting van) een behandeling waarvoor de door het ziekenfonds verstrekte vergoeding ontoereikend is gebleken, in verband waarmee bijzondere bijstand in de (meer)kosten van zo'n behandeling dient te worden verstrekt.
Verweerder heeft in dit verband in verweer aangegeven dat eiseres, indien zij van mening is dat er sprake is van een medische noodzaak als hier bedoeld, een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand kan indienen.

Ter zake van de hoogte van het bedrag aan bijzondere bijstand verstrekt voor de door eiseres aangeschafte bril heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij deze vorm van bijstand de maximale tegemoetkoming in de kosten is verstrekt en dat het feit dat de kosten van de door eiseres aangeschafte bril niet volledig zijn vergoed, voortvloeien uit het feit dat de kosten van die bril de in casu maximaal te verstrekken vergoeding te boven gaan.
In dit verband heeft verweerder in beroep gewezen op zijn vaste beleid om bij zo'n vergoeding uit te gaan van vaste bedragen op basis van een lijst van de Unie van Opticiens. De op grond van dit beleid verstrekte vergoeding kan naar verweerders oordeel voldoende worden geacht om een bril van te kunnen kopen en het uitgeven van een groter bedrag aan glazen en/of montuur dient daarom voor rekening van de koper te komen.

Wat betreft het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand in de kosten van de koelkast heeft verweerder opgemerkt dat er geen sprake is van een weigering vanwege het niet bewaard zijn gebleven van de te vervangen koelkast.
Verweerder heeft erop gewezen dat een vergoeding in de kosten van de koelkast ad ƒ550,- is vastgesteld. Ter verklaring van het feit dat deze vergoeding niet tot uitbetaling is gekomen, heeft verweerder onder meer het volgende aangevoerd.
Volgens vast beleid is in de norm die verweerder hanteert ten aanzien van de kosten van duurzame gebruiksgoederen begrepen dat verweerder van personen die nog niet zo lang een bijstandsuitkering ontvangen of die in het totaal een inkomen hebben dat boven de bijstandsnorm uitkomt, verwacht dat zij een zekere reservering voor de aanschaf van zulke goederen aanhouden.
Aangezien volgens verweerders berekening de in casu relevante draagkracht op ƒ2815,70 diende te worden gesteld, bleef met het op deze draagkracht in mindering brengen van de koelkastvergoeding van ƒ550,- de draagkracht van eiseres met een omvang van ƒ2265,70 positief, zodat er geen sprake kon zijn van uitbetaling van de genoemde ƒ550,-.



Beoordeling van het geschil

Voor zover het beroep van eiseres geacht moet worden mede te zijn gericht tegen verweerders ongegrondverklaring van het bezwaar betreffende de weigering bijzondere bijstand te verlenen in de kosten van vloerbedekking, dient dit beroep naar het oordeel van de rechtbank ongegrond te worden verklaard, gelet op de navolgende overweging.
Nu door eiseres de juistheid van de bij een huisbezoek op 5 juni 1998 gedane constatering dat bedoelde vloerbedekking in redelijke staat verkeerde niet is bestreden, kan de rechtbank zich vinden in verweerders standpunt dat, gezien de staat van die vloerbedekking, daarvoor geen vergoeding verstrekt dient te worden, aangezien de noodzaak tot vervanging ontbreekt.

Anders dan verweerder meent de rechtbank, gelezen het verslag van de hoorzitting van 5 oktober 1998, dat eiseres heeft beoogd tijdens deze zitting bezwaar te maken tegen de afwijzing van vergoeding van de (meer)kosten van de elektrische epilatie.
Met betrekking tot het deze kosten betreffende onderdeel van het beroep overweegt de rechtbank als volgt.
Op grond van de beschikbare gegevens staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat het ziekenfonds, waarbij eiseres is aangesloten, haar de maximaal toe te kennen vergoeding van kosten als deze heeft verstrekt.
De bevoegdheid van het ziekenfonds tot het verstrekken van een dergelijke vergoeding berust op het Besluit van de Ziekenfondsraad van 25 oktober 1984. In de toelichting bij dat besluit is de vergoeding welke door de ziekenfondsen maximaal kan worden verleend voor behandelingen als de onderhavige uitdrukkelijk omschreven als een tegemoetkoming. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 maart 1995 merkt de rechtbank het volgende op. Uit het gebruik van de term "tegemoetkoming" moet worden afgeleid dat een direct verband tussen de werkelijke met behandelingen als elektrische epilatie gemoeide kosten en het bedrag van de maximale vergoeding niet is gelegd en dat onderkend is dat de vastgestelde maximale vergoeding niet (in alle gevallen) kostendekkend zal blijken te zijn.
Gelet hierop kan niet als juist worden aanvaard de in het primaire besluit en in verweer verwoorde opvatting dat de door het ziekenfonds aan eiseres te verstrekken respectievelijk verstrekte vergoeding, in het geval van eiseres in beginsel kon worden aangemerkt als een sluitende voorliggende voorziening, waarvan het functioneren in geval van bijstandverlening zou worden doorkruist. De rechtbank wijst erop dat ingevolge artikel 17 van de Abw, ter beantwoording van de vraag of een bepaalde voorliggende voorziening als toereikend en passend kan worden aangemerkt, weliswaar mede in beschouwing kan worden genomen hetgeen naar maatschappelijk inzicht aanvaardbaar is, doch dat tevens belangrijke betekenis dient te worden toegekend aan de omstandigheden en mogelijkheden in het individuele geval.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder in casu nader onderzoek had moeten verrichten naar de medische noodzaak van (voortzetting van) de behandeling en de toereikendheid van de door ziekenfonds Anova gemaximeerde vergoeding.
Op grond van bovenstaande overwegingen concludeert de rechtbank dat het beroep, voor zover dit ziet op verweerders handhaving van de weigering van bijzondere bijstand in de (meer)kosten van de elektrische epilatie, gegrond verklaard moet worden.

Met betrekking tot de vraag of verweerders besluit om in de kosten van de bril alsnog ƒ338,80 aan bijzondere bijstand te verstrekken terecht en op goede gronden is genomen, wordt het volgende overwogen.

Op basis van de herbeoordeling van de vraag of eiseres in aanmerking had moeten worden gebracht voor vergoeding van de bril heeft verweerder, blijkens het bestreden besluit, geconcludeerd dat de hier relevante draagkracht op nihil diende te worden gesteld. Om deze reden heeft verweerder besloten alsnog de, in een geval als dat van eiseres, maximaal te verstrekken vergoeding toe te kennen, welke vergoeding is gesteld op ƒ388,80.
Met betrekking tot het eerder vermelde bezwaar van eiseres dat deze vergoeding impliceert dat zij de bril gedeeltelijk zelf heeft moeten betalen, heeft verweerder, als vermeld, gewezen op zijn vaste beleid, dat ook in het geval van eiseres is gehanteerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat verweerders standpunt dat de door hem aangehouden bedragen, ontleend aan een lijst van de Unie van Opticiens, als toereikend kunnen worden beschouwd, voor onjuist gehouden moet worden.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet gesteld worden dat genoemd beleid niet binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gelegen of in strijd zou zijn met de wettelijke bepalingen of bestaande jurisprudentie dienaangaande.
Het vorengaande overziende komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep, voor zover dit afwijzing van vergoeding van de kosten waarmee het bedrag van ƒ388,80 bij de aanschaf van de bril door eiseres is overschreden betreft, ongegrond verklaard moet worden.

Ten aanzien van de vraag of verweerders handhaving van de weigering om bijzondere bijstand in de kosten van de door eiseres aangeschafte koelkast te verstrekken op goede grondslagen berust, overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder heeft in het bestreden besluit met betrekking tot de beoordeling van dit onderdeel van de aanvraag om bijzondere bijstand onder meer het volgende medegedeeld.
"Wat betreft de draagkrachtberekening voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen wordt het volgende overwogen. Bij duurzame gebruiksgoederen wordt naast een percentage boven de bijstandsnorm, ook een percentage van de bijstandsnorm zelf in aanmerking genomen bij de berekening van de draagkracht. Dit percentage is 6%, voor een draagkrachtperiode van twee jaar. Bij besluit van 19 juni 1998 wordt de vergoeding voor de noodzakelijke aanschaf van een koelkast vastgesteld op ƒ550,-. Uw draagkracht wordt vastgesteld op ƒ4958,74 voor een periode van twee jaar. Gezien het feit dat uw inkomen meer dan 110% van de bijstandsnorm bedraagt, had Sociale Zaken u, ingevolge het beleid van de gemeente Utrecht, moeten verwijzen naar de KBU [Kredietbank Utrecht, red.]. Nu dit niet is gebeurd, dient een juiste draagkrachtberekening te worden gemaakt.
Bij de berekening van uw draagkracht is ten onrechte geen rekening gehouden met uw premie aanvullende verzekering. In uw bezwaarschrift geeft u aan dat er ook geen rekening is gehouden met uw aflossingsverplichting. U gaf aan de lening te hebben gebruikt voor de aanschaf van een koelkast en een bril, maar ook voor andere zaken. Aangezien niet is aangetoond dat de lening uitsluitend is gebruikt voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting kan met deze lening bij berekening van uw draagkracht geen rekening worden gehouden. Bijgevoegd vindt u een nieuwe berekening van uw draagkracht. Hieruit volgt dat uw draagkracht is vastgesteld op ƒ2815,70. Hierop wordt ƒ550,- voor de noodzakelijke kosten van een koelkast in mindering gebracht. Uw draagkracht bedraagt derhalve ƒ2265,70 tot 12 oktober 1999.
Gezien het bovenstaande verklaren wij uw bezwaarschrift gegrond voor wat betreft de berekening van uw draagkracht."

Gelet op het feit dat bovenvermelde draagkrachtberekening is toegepast, neemt de rechtbank aan dat verweerder is uitgegaan van verstrekking van bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 39 van de Abw.
In artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw is bepaald dat burgemeester en wethouders voor de vaststelling van de draagkracht geheel of gedeeltelijk in beschouwing nemen het inkomen, voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
Daarmee verdraagt zich niet dat verweerder bij de berekening van de draagkracht van eiseres een percentage van de voor haar geldende bijstandsnorm mede in aanmerking heeft genomen.
Om deze reden dient het beroep, voor zover dit ziet op de handhaving van de afwijzing van bijzondere bijstand in de kosten van de koelkast, gegrond verklaard te worden.

Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op ƒ4,75 als reiskosten. Van andere te vergoeden kosten is de rechtbank niet gebleken.

Gezien bovenstaande overwegingen wordt beslist als volgt.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende:

verklaart het beroep, voor zover dit handhaving van de weigering om bijzondere bijstand toe te kennen in de kosten van vloerbedekking betreft, ongegrond;
verklaart het beroep, voor zover dit handhaving van de weigering om bijzondere bijstand toe te kennen in de (meer)kosten van elektrische epilatiebehandelingen betreft, gegrond;
vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
verklaart het beroep, voor zover dit handhaving van de weigering om bijzondere bijstand toe te kennen in de het toegekende bedrag van ƒ388,80 te boven gaande kosten van een door eiseres aangeschafte bril betreft, ongegrond;
verklaart het beroep, voor zover dit handhaving van de weigering om bijzondere bijstand toe te kennen in de kosten van een door eiseres aangeschafte koelkast betreft, gegrond;
vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
bepaalt dat de gemeente Utrecht het door eiseres betaalde griffierecht van ƒ55,- aan haar vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van
ƒ4,75, te betalen door de gemeente Utrecht.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.Th. Engelberts, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2000.

De griffier, R.A. van Bruchem, De rechter, J.G.Th. Engelberts,




(bij afwezigheid van de behandelend griffier: B. Marell-Groenewout)

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.