Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA6725
ECLI: ECLI:NL:RBZUT:2000:AA6725
Instantie: Rechtbank Zutphen
Soort procedure: voorlopige voorziening en beroep
Zaaknummers: 00/511 NABW 58; 00/590 NABW 58 en 00/591 NABW 58
Datum uitspraak: 7 juli 2000
Wetsartikelen: artt. 7, 14, 14b, 43, 52, 65, 69, 81 en 82 Abw (= 7, 18, –, 31, 34, 17, 54, 58 en 58 Wwb) / 8:86 Awb
Trefwoorden: vermogen; immateriële schadevergoeding; vrijlating; schorsing bijstand; terugvordering; boete; zwijgrecht; cautie; besteding oververmogen; weigering bijstand
Essentie: Terechte schorsing en terugvordering van de bijstand (plus boete) wegens (verzwegen) immateriële schadevergoeding van ƒ112.500,-, waarvan terecht slechts 1/3 deel - vanuit oogpunt van bijstandverlening verantwoord te achten - buiten beschouwing is gelaten. Terugvordering en beboeting over de periode waarin nog niet definitief door de assuradeur was beslist over de schadeclaim is onterecht. De nieuwe bijstandsaanvraag dient te worden getoetst op betoond besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, waarbij de wijze van besteding van het oververmogen kan leiden tot tijdelijke weigering van de bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak voorzieningenrechter Rechtbank Zutphen 00/511 NABW 58; 00/590 NABW 58 en 00/591 NABW 58




U I T S P R A A K




op de verzoeken om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in de geschillen tussen:

[eiser A], wonende te [woonplaats B], verzoeker/eiser, hierna: A,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluiten


Besluiten van verweerder van 26 april 2000 en 29 mei 2000.




2. Procesverloop


Bij brief van 30 mei 2000 is namens A door mr. H.A. van der Kleij, verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Zwolle, tegen het besluit van 26 april 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank. Tegen het (primaire) besluit van 29 mei 2000 is op 23 juni 2000 een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 26 juni 2000 is ter zake van beide bestreden besluiten verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 6 juli 2000, waar A in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. M.A.W. Walhof.




3. Motivering


3.1. Indien de president na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij ingevolge artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van die bevoegdheid wordt in dit geval, waar het betreft het besluit van 26 april 2000, gebruik gemaakt.

3.2. A is op 26 oktober 1997 als gevolg van een ongeval tijdens het voetballen lijdend aan een dwarslaesie. Ingaande 27 oktober 1997 is A in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor een alleenstaande. Voorts geniet A een maandelijkse uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van (laatstelijk) ƒ710,57 netto, welke op de bijstand in mindering wordt gebracht.

Ingaande 1 november 1999 is de bijstandsuitkering van A geschorst in verband met een bij verweerder ontstaan vermoeden dat A zou beschikken over een vermogen dat het vrij te laten bescheiden vermogen overschrijdt. Naar aanleiding van de resultaten van een door de sociale recherche ingesteld onderzoek is bij primair besluit van 21 januari 2000 de bijstandsuitkering ingaande 20 april 1998 ingetrokken. Voorts is besloten de bijstand over de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998, alsmede de bijstand over de periode 20 april 1998 tot 1 november 1999, tot een totaalbedrag van ƒ15.238,69 van A terug te vorderen.
Ten slotte is een boete opgelegd van ƒ2300,-.

Bij het bestreden besluit van 26 april 2000 is het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2000 ongegrond verklaard.

3.3. A heeft op 22 maart 2000 een nieuwe bijstandsaanvraag bij verweerder ingediend.
Bij besluit van 29 mei 2000 is deze aanvraag afgewezen omdat A niet in bijstandsbehoeftige omstandigheden zou verkeren.

3.4. Uit het door de sociale recherche ingestelde onderzoek is gebleken dat aan A in verband met het ongeluk op 26 oktober 1997 op grond van een door de KNVB afgesloten ongevallenverzekering op 20 april 1998 een bedrag van ƒ112.500,- is uitgekeerd. Van de ontvangst van dit bedrag heeft A - naar tussen partijen niet in geschil is - geen melding gemaakt. Voorts heeft A geen melding gemaakt van diverse opnames en overboekingen van aanzienlijke geldbedragen in de periode tot augustus 1998 alsmede van de aankoop van een Mazda Xedos 2.5 V6 automaat (bouwjaar 1996) op 5 februari 1999.

Met partijen kan worden geoordeeld dat het bedrag van ƒ112.5000,- aangemerkt kan worden als een immateriële schadevergoeding. Door verweerder is 1/3 van deze schadevergoeding (ƒ37.500,-) in het kader van de bijstandverlening buiten aanmerking gelaten, naast het vrij te laten bescheiden vermogen van ƒ9500,-. Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 52, eerste lid, onderdeel e, van de Abw, ingevolge welke bepaling een uitkering in verband met geleden immateriële schade niet als vermogen in aanmerking wordt vermogen voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, vanuit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord is. Namens A wordt bestreden dat slechts 1/3 van de schadevergoeding voor de bijstandverlening buiten aanmerking zou moeten worden gelaten.

In dit verband is naar dezerzijds oordeel allereerst van belang te achten dat het bepaalde in (artikel 43, tweede lid, onderdeel j, van de Abw alsmede) artikel 52, eerste lid, onderdeel e, van de Abw het zonder meer mogelijk maakt dat een immateriële schadevergoeding voor de toepassing van de Abw althans gedeeltelijk in aanmerking wordt genomen. Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, blz. 146) heeft de wetgever het niet redelijk geacht om een dergelijke uitkering geheel als middelen/vermogen in aanmerking te nemen, aangezien dit zou betekenen dat een bijstandsgerechtigde voor hem aangedaan leed feitelijk geen compensatie zou kunnen ontvangen. Bij zeer aanzienlijke uitkeringen kan de bijstandsgerechtigde volgens de wetgever echter in een zodanige financiële positie komen te verkeren dat het onverkort buiten beschouwing laten van een dergelijke vergoeding niet in overeenstemming is met het karakter van de bijstand.

Deze bedoeling van de wetgever beziend, alsmede daarbij in aanmerking nemende dat bij de beantwoording van de vraag welk deel van de aan A toegekende schadevergoeding vanuit een oogpunt van bijstandverlening verantwoord buiten aanmerking kan worden gelaten, aan verweerder een zekere beoordelingsvrijheid niet kan worden ontzegd, is verweerders standpunt ter zake, inhoudende dat (slechts) 1/3 deel van de vergoeding buiten aanmerking kan worden gelaten, naar dezerzijds oordeel niet onredelijk te achten.

Het enkele feit ten slotte dat verweerder voor gevallen als de onderhavige (nog) geen vast beleid heeft geformuleerd, maakt niet dat verweerders besluitvorming in het onderhavige geval op willekeur zou berusten.

Gelet op het per 20 april 1998 aanwezig te achten vermogen van ƒ75.000,- en gelet op het feit dat A van dit vermogen geen melding heeft gemaakt, moet worden geoordeeld dat de bijstand over de periode 20 april 1998 tot 1 november 1999 door verweerder op voet van artikel 69, derde lid, van de Abw terecht is herzien. Voorts is - gelet op het bepaalde in artikel 81, eerste lid, van de Abw - evenzeer op goede gronden overgegaan tot terugvordering van de over laatstbedoelde periode verstrekte bijstand. Gesteld noch gebleken is in dit verband van dringende redenen welke verweerder zouden nopen geheel of gedeeltelijk van herziening dan wel terugvordering van de bijstand af te zien.

3.5. Met betrekking tot de terugvordering over de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998 wordt opgemerkt dat verweerder deze baseert op het bepaalde in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw. Ingevolge dit artikel worden kosten van bijstand teruggevorderd voor zover de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen beschikt of kan beschikken.
In aanmerking genomen dat A eerst op 20 april 1998 de beschikking kreeg over het bedrag van de immateriële schadevergoeding en vóór laatstgenoemde datum slechts sprake was van een schadeclaim waarop door de assuradeur nog niet definitief was beslist, kan naar dezerzijds oordeel niet gesteld worden dat de op 20 april 1998 ter beschikking gestelde schadevergoeding (mede) betrekking zou hebben op de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte de over de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998 verstrekte bijstand op grond van artikel 82 Abw van A teruggevorderd.
Mitsdien komt het besluit van 26 april 2000 - in zoverre daarbij de terugvordering over bedoelde periode is gehandhaafd - voor vernietiging in aanmerking en zal door verweerder in zoverre nader op het bezwaar dienen te worden beslist.

3.6. Met betrekking tot de opgelegde boete ad ƒ2300,- wordt overwogen dat verweerder de hoogte van die boete heeft gebaseerd op (15% van) het totale fraudebedrag ad ƒ15.238,69, derhalve - gelet op het onder 3.5 overwogene - ten onrechte mede op het over de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998 teruggevorderde bedrag. In verband hiermee komt het besluit van 26 april 2000 derhalve eveneens voor vernietiging in aanmerking in zoverre daarbij de opgelegde boete op ƒ2300,- is gehandhaafd. Verweerder zal ook op dit punt nader op het bezwaar dienen te beslissen.
Met betrekking tot de partijen in dit verband nog verdeeld houdende vraag in hoeverre A op correcte wijze is gewezen op zijn zwijgrecht, de zogeheten "cautie", moet worden geoordeeld dat A er blijkens het door de sociale recherche opgemaakte rapport bij aanvang van het tweede verhoor op 3 november 1999 op is gewezen dat hij niet tot antwoorden is verplicht. In aanmerking genomen dat het eerste verhoor van 21 juni 1999 plaatsvond in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitkering, is A naar dezerzijds oordeel tijdig op zijn zwijgrecht gewezen. Voorts is met de mededeling van de sociaal rechercheurs dat A niet tot antwoorden was verplicht, voldaan aan de voorwaarde die in artikel 14b, eerste lid, van de Abw aan de inhoud van de cautie is gesteld.

3.7. Met betrekking tot de afwijzing van de bijstandsaanvraag van 22 maart 2000, als vervat in het primaire besluit van 29 mei 2000, wordt overwogen dat verweerder die baseert op een veronderstelde afwezigheid van bijstandsbehoeftige omstandigheden, als bedoeld in artikel 7 van de Abw.

Naar voorlopig oordeel moet evenwel op basis van de voorhanden zijnde informatie, waaronder de door A verstrekte bank- en giroafschriften, worden aangenomen dat A inmiddels niet meer de beschikking heeft over het (restant van het) op 20 april 1998 ontvangen geldbedrag en zijn financiële positie ook overigens niet van dien aard is dat die aan bijstandverlening in de weg zou staan. Blijkens het verhandelde ter zitting ziet verweerder in het enkele feit dat A de Mazda Xedos bezit geen reden voor afwijzing van de aanvraag.

Voor zover verweerder A verwijt dat hij onvoldoende inzicht heeft verschaft in de wijze waarop hij het in april 1998 ontvangen geldbedrag heeft besteed en in die zin het bepaalde in artikel 65 van de Abw aan toekenning van bijstand in de weg zou staan, moet naar voorlopig oordeel worden gesteld dat A in het kader van zijn aanvraag van 22 maart 2000 naar vermogen inzichtelijk heeft gemaakt dat hij, naast de aankoop van een auto, het resterende geldbedrag in contante gedeeltes, gewisseld in dollars, heeft opgenomen om familieschulden in Iran te betalen en zijn broer vanuit Iran naar Nederland te laten vluchten.

In dit verband is van belang dat in het kader van de ingevolge artikel 65 Abw op een bijstandsaanvrager rustende informatieverplichting in beginsel slechts verlangd kan worden dat díe gegevens worden verstrekt waarover de aanvrager feitelijk beschikt, dan wel redelijkerwijs kan beschikken.
Door A zijn bij schrijven van 29 maart 2000 desgevraagd de namen, adressen en telefoonnummers van de personen aan wie de diverse geldbedragen ten behoeve van de problemen in Iran zijn overhandigd, aan verweerder verschaft. Voorts zijn door A ter zake getuigenverklaringen in geding gebracht. Ten slotte beschikt verweerder over een verklaring van Y, manager van het postkantoor te B, dat A meermalen grote bedragen in de orde van ƒ20.000,- of daaromtrent heeft gewisseld, echter dat van die transacties geen stukken meer zijn bewaard. Voorts staat vast A’s broer vanaf januari 2000 inderdaad in Nederland verblijft.

Gelet op het bovenstaande kan de afwijzing van A’s aanvraag niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag liggende motivering. Naar verwachting zal het besluit van 29 mei 2000 in de bodemzaak dan ook geen stand kunnen houden.

Het voorgaande geeft evenwel onvoldoende aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. In dit verband is van belang dat de wijze waarop A voornoemd geldbedrag heeft besteed door verweerder zal moeten worden bezien in het kader van het betoonde besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw. Geenszins ondenkbeeldig is dat de bijstand in dat geval vanaf de ingangsdatum gedurende bepaalde tijd zal worden geweigerd, welke weigering in een beslissing op A’s bezwaar kan worden neergelegd. Voorts is van belang dat verweerder thans op korte termijn op het bezwaar van A zal beslissen. Van een zodanig acute noodsituatie van A dat die nadere besluitvorming van verweerder niet zou kunnen worden afgewacht, is vooralsnog onvoldoende gebleken.

3.8. In het vorenoverwogene wordt aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de kosten die A in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. Voorts wordt ter zake van reis- en verblijfkosten een bedrag van ƒ46,79 toegekend.




4. Beslissing


De president van de rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 26 april 2000, gegrond in zoverre daarbij de terugvordering over de periode 27 oktober 1997 tot 20 april 1998 en de opgelegde boete van ƒ2300,- is gehandhaafd;
vernietigt het besluit van 26 april 2000 in zoverre en bepaalt dat verweerder op dit punt nader op het bezwaar van A beslist, met inachtneming van deze uitspraak;
verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 26 april 2000, voor het overige ongegrond;
wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;
bepaalt dat verweerder het in de hoofdzaak gestorte griffierecht van ƒ60,- aan A vergoedt;
veroordeelt de gemeente Harderwijk in de proceskosten van A tot een bedrag van ƒ1466,79, waarvan ƒ1420,- aan verleende rechtsbijstand en ƒ46,79 aan reis/verblijfkosten.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen de uitspraak in de hoofdzaak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger
beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.