Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA7123
ECLI: ECLI:NL:RBZUT:2000:AA7123
Instantie: Rechtbank Zutphen
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: 00/131 WET
Datum uitspraak: 28 augustus 2000
Wetsartikelen: artt. 3 Abw (= 3 Wwb) / 6:106, 6:162 en 6:163 BW
Trefwoorden: schadevergoeding; immateriële schade; onrechtmatige daad; zuiver schadebesluit; gezamenlijke huishouding; samenwoning; medehuurder
Essentie: Terechte afwijzing verzoek om vergoeding van geleden immateriële schade tengevolge van een hartinfarct, naar eisers zeggen veroorzaakt door de, zoals kwam vast te staan na bezwaar, onterechte afwijzing van de bijstandsaanvraag van zijn medehuurster wegens (vermeende) gezamenlijke huishouding met hem. Het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag is uitsluitend gericht tot de bijstandsgerechtigde en kan als zodanig niet worden beschouwd als een tot schadevergoeding verplichtende onrechtmatige overheidsdaad tegenover eiser.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Zutphen 00/131 WET




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 20 januari 2000.




2. Feiten


Eiser heeft tezamen met mevrouw [medehuurder] (hierna: [medehuurder]) op 24 juli 1998 een woning in Ermelo gehuurd. Op 4 augustus 1998 heeft eiser namens en ten behoeve van [medehuurder] bij verweerder een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet aangevraagd.

Bij besluit van 15 september 1998 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op de grond dat aannemelijk werd geacht dat [medehuurder] een gezamenlijke huishouding voerde of zou gaan voeren met eiser.

Naar aanleiding van het namens [medehuurder] gemaakte bezwaar heeft verweerder voormeld besluit bij besluit van 3 november 1998 herroepen en alsnog een bijstandsuitkering aan [medehuurder] toegekend met ingang van 24 juli 1998. Verweerder heeft daarbij erkend dat hij ten onrechte had aangenomen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen [medehuurder] en eiser.

Bij brief van 21 juli 1999, nader toegelicht in een gesprek op 19 augustus 1999, heeft eiser verweerder verzocht om vergoeding van immateriële schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de handelwijze van de gemeente met betrekking tot de bijstandsaanvraag van [medehuurder].

Bij besluit van 4 oktober 1999 heeft verweerder dit verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.




3. Procesverloop


Eiser heeft beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 juli 2000, waar eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Oosterveer en G.L. Hoek.




4. Motivering


Evenals in de uitspraak van 14 april 2000, reg.nr. 99/750 BELEI, omtrent een ander verzoek om schadevergoeding van eiser in verband met de bijstandverlening aan [medehuurder] gaat de rechtbank ervan uit dat eiser ook bij het onderhavige verzoek het oog heeft gehad op schade welke naar zijn mening is veroorzaakt door verweerders besluit van 15 september 1998, waarbij de bijstandsaanvraag van [medehuurder] werd afgewezen.

Nu de gestelde schadeoorzaak aldus is gelegen in een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht, is de beslissing op het schadeverzoek aan te merken als een zuiver schadebesluit dat eveneens vatbaar is voor bezwaar en beroep op grond van die wet. Verweerder heeft het bezwaar van eiser derhalve terecht ontvankelijk geacht.

Eiser wenst vergoeding van immateriële schade omdat hij - zo begrijpt de rechtbank - zich ernstig gegriefd voelt door het feit dat bij de beslissing op de bijstandsaanvraag van [medehuurder] geen geloof is gehecht aan hetgeen door hem in het kader van de behandeling van die aanvraag naar voren werd gebracht, namelijk dat hij en [medehuurder] ieder een eigen huishouden zouden gaan voeren in de gezamenlijk gehuurde woning. Voorts heeft de kwestie volgens eiser zodanige spanningen bij hem teweeggebracht dat hij op 19 september 1998 in het ziekenhuis moest worden opgenomen met een hartinfarct.

De vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding dient te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW).
In artikel 6:162 BW is bepaald dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt te vergoeden.
Ingevolge artikel 6:163 BW bestaat geen verplichting tot schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.
Deze bepalingen hebben betrekking op zowel materiële als immateriële schade.

Het besluit van 15 september 1998 betreft een beslissing in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw) op een aanvraag van [medehuurder], welke beslissing uitsluitend tot haar is gericht. De bepalingen van de Abw strekken tot bescherming van de belangen van de bijstandsbehoevende, in dit geval [medehuurder], en niet tot bescherming van de belangen van anderen, zoals eiser. Voor zover bij het besluit van 15 september 1998 normen c.q. bepalingen van de Abw zijn geschonden, strekken deze normen derhalve niet tot bescherming tegen schade zoals eiser die meent te hebben geleden. Dat eiser optrad als gemachtigde van [medehuurder] maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat verweerder aannam dat [medehuurder] een gezamenlijke huishouding met eiser voerde of zou gaan voeren, betekent niet dat daaruit een rechtstreeks belang van eiser bij verweerders besluit ontstond.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:163 BW kan derhalve de afwijzing van de onderhavige bijstandsaanvraag als zodanig niet leiden tot een verplichting tot schadevergoeding aan eiser. Anders gezegd, de beslissing tot afwijzing van de aanvraag kan als zodanig niet worden beschouwd als een tot schadevergoeding verplichtende onrechtmatige daad tegenover eiser.


Daarnaast brengt ook het feit dat verweerder bij het nemen van die beslissing kennelijk geen doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan verklaringen van eiser niet met zich dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld tegenover eiser. Dat verweerder niet op de woorden van eiser is afgegaan, maar op andere gegevens, zoals de gezamenlijke huurovereenkomst van eiser en [medehuurder] en de omstandigheid dat zij zich bij de aanvraag van een huisvestingsvergunning als partners presenteerden, houdt nog niet in dat eiser - zoals hij in dit geding onder meer heeft gesteld - is beschuldigd van oplichting of fraude.

Ook overigens heeft de rechtbank in de grieven van eiser geen aanknopingspunten kunnen vinden om te oordelen dat verweerder tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld bij het nemen van de beslissing van 15 september 1998.

Nu niet kan worden gezegd dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld tegenover eiser, is verweerder niet gehouden tot enigerlei schadevergoeding aan eiser en dus ook niet tot vergoeding van immateriële schade. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat - afgezien van het voorgaande - er naar haar oordeel geen sprake is van een geleden immaterieel nadeel van zodanige aard dat er aanleiding zou kunnen zijn voor een vergoeding aan eiser, gelet op het bepaalde in artikel 6:106 BW. Verweerder had niet het oogmerk om enig leed toe te brengen aan eiser, terwijl in redelijkheid niet staande kan worden gehouden dat eiser in zijn eer of goede naam is geschaad dan wel op andere wijze in zijn persoon is aangetast door de wijze waarop de onderhavige bijstandsaanvraag is afgehandeld. Voor zover er een verband kan worden gelegd tussen verweerders beslissing van 15 september 1998 en een hartinfarct bij eiser, gaat het te ver om te stellen dat eiser door die beslissing lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Voor een veroordeling in proceskosten zijn geen termen aanwezig.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.