Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA8680
ECLI: ECLI:NL:CRVB:1998:AA8680
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 97/4091 ABW
Datum uitspraak: 14 juli 1998
Wetsartikelen: artt. 3 en 65 Abw (= 3 en 17 Wwb) / 4 en 5 IHABW / 8:26 en 8:72 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; schending inlichtingenverplichting; financiële verstrengeling; wederzijdse verzorging; geen overeenkomst als onderhuurder; onbevoegdelijk genomen besluit op bezwaar
Essentie: Terechte beëindiging bijstand wegens gezamenlijke huishouding, omdat financiële verstrengeling en wederzijdse verzorging zijn aangetoond en er bovendien geen overeenkomst als onderhuurster is overgelegd, noch gegevens zijn verstrekt inzake inkomen en vermogen van de huisgenoot. Het besluit op bezwaar is echter onbevoegdelijk genomen, daar de bevoegdheid tot het nemen van een besluit op bezwaar is overgedragen aan een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan namens hetwelk het primaire besluit is genomen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 97/4091 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante A], wonende te [woonplaats B], appellante,

en

de Commissie Algemene Bijstandswet ’s-Hertogenbosch, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat en procureur te ’s-Hertogenbosch, op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch van 18 maart 1997, nummer Awb 97/2382 Abw VV en Awb 97/2383 Abw, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 22 juli 1997 is een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 februari 1998 heeft de Raad het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: het College) met toepassing van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen en het College voorts naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 januari 1997, gepubliceerd in JB 1997/25 en in AB 1997/86, enige vragen gesteld. Bij brief van 10 maart 1998 is hierop geantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 juni 1998, waar namens appellante is verschenen mr. J.W. Weehuizen, voornoemd, en waar gedaagde alsmede het College zich, zoals aangekondigd, niet hebben doen vertegenwoordigen.




II. Motivering

Appellante ontving sedert 21 oktober 1983 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) naar de norm voor een alleenstaande en na de geboorte van haar dochter op 10 maart 1987 naar de norm voor een eenoudergezin.

Na de inwerkingtreding van de Algemene bijstandswet (Abw) en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (IHABW) met ingang van 1 januari 1996 is in november 1996 een onderzoek als bedoeld in artikel 5 van de IHABW ingesteld naar de rechtsgevolgen waartoe de toepassing van de Abw ten aanzien van appellante zal leiden. In dat kader heeft op 21 november 1996 een huisbezoek plaatsgevonden. Van de resultaten van dat onderzoek is een rapport opgesteld gedateerd 6 december 1996.

Op basis van dat rapport is namens het College bij besluit van 6 december 1996 aan appellante medegedeeld dat haar uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet met ingang van 1 december 1996 beëindigd wordt op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voert met
C (hierna: C) en dat haar recht op bijstand niet verder kan worden vastgesteld omdat zij en C geen inzicht hebben gegeven in hun beider financiële situatie.

Bij besluit van 4 februari 1997 heeft gedaagde het namens appellante ingediende bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank het tegen het besluit van gedaagde van 4 februari 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

In het beroepschrift is primair gesteld dat de president van de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met C en subsidiair dat gedaagde haar een overgangsperiode had dienen te gunnen.

De Raad overweegt het volgende.

Op het bezwaarschrift, ingediend tegen het namens het College genomen primaire besluit van 6 december 1996, is beslist door de Commissie Algemene Bijstandswet ’s-Hertogenbosch. Aan deze Commissie is bij verordening op grond van de artikelen 82 en 165 van de Gemeentewet de bevoegdheid toegekend tot het, voor zover hier van belang, nemen van besluiten op bezwaarschriften ter zake van de toepassing van de ABW.

De Raad stelt vast dat de bevoegdheid tot het nemen van een besluit op bezwaar is overgedragen aan een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan namens hetwelk het primaire besluit is genomen. De Raad is evenals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkens haar eerder vermelde uitspraak van 6 januari 1997 en op de in deze uitspraak weergegeven gronden van oordeel dat een dergelijk besluit onbevoegdelijk is genomen. Het besluit op bezwaar van gedaagde dient om die reden dan ook te worden vernietigd.

Aangezien het College bij de in rubriek I van deze uitspraak vermelde brief van 10 maart 1998 heeft medegedeeld zich inhoudelijk achter het besluit van gedaagde te stellen, acht de Raad het aangewezen om te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.

Te dien aanzien overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de IHABW blijft de ABW gedurende ten hoogste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe Abw van toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geëindigd.
Het tweede lid van artikel 4, voornoemd, bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde toepassing van de ABW eindigt:
a. zodra burgemeester en wethouders in het betreffende geval naar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, een nieuw besluit hebben getroffen;
b. zodra een wijziging van omstandigheden van de persoon of het gezin optreedt of is opgetreden die op grond van hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de nieuwe Abw tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te leiden en burgemeester en wethouders in het betreffende geval een nieuw besluit inzake de verlening van de algemene bijstand hebben getroffen.

Appellante was ten tijde als hier van belang een persoon als omschreven in artikel 4, eerste lid, van de IHABW. Vaststaat immers dat appellante in de peilmaand - december 1995 - en op de peildag - 31 december 1995 - recht had op algemene bijstand ingevolge de ABW.

Uit de gedingstukken komt naar voren dat gedaagde op basis van een recht- en doelmatigheidsonderzoek in het kader van de nieuwe Abw van oordeel is dat in de omstandigheden van appellante een zodanige wijziging blijkt te zijn opgetreden dat het op de ABW steunende besluit tot verlening van bijstand niet kan worden gehandhaafd.
Die wijziging bestaat volgens gedaagde hierin dat appellante niet langer een alleenstaande ouder is, maar, omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met C, als gehuwd moet worden aangemerkt.
Een dergelijke feitelijke wijziging van omstandigheden zal, indien juist, op grond van artikel 30 van de Abw tot een andere bijstandsnorm leiden en zal dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van de IHABW en de geschiedenis van totstandkoming van die bepaling, in het kader van de Abw moeten worden beoordeeld.

Het gaat in casu dan ook allereerst om de vraag of appellante met C een gezamenlijke huishouding is gaan voeren als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Abw, zoals dat artikellid luidde tot 1 januari 1998.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend op grond van de volgende overwegingen.

Ingevolge laatstgenoemde bepaling is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Voor de Raad staat genoegzaam vast dat appellante en C ten tijde als hier van belang hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Blijkens de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie staan zij reeds vanaf 25 februari 1985 op hetzelfde adres ingeschreven, laatstelijk vanaf 13 mei 1991 op het adres l-weg te B. Van die woning is C huurder en bij het huisbezoek is gebleken dat zich in de woning persoonlijke kleding, toiletartikelen en meubelstukken van C bevonden. Voorts heeft C ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij in de winter op zijn eigen kamer slaapt, waar hij ook zijn kleding heeft.

Met betrekking tot de vraag of appellante en C blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins overweegt de Raad het volgende.

C heeft appellante onderdak verschaft in de door hem gehuurde woning. Op grond van de bevindingen bij het huisbezoek houdt de Raad het ervoor dat het gebruik van de woning door appellante en haar dochter niet beperkt was tot één of meer gedeelten van de woning, maar in feite de gehele woning omvatte. Appellante kon gebruik maken van de telefoon, waarvan het abonnement op naam stond van C en door hem betaald werd. Niet is gebleken dat het medegebruik van de telefoon werd vergoed.

Bij het huisbezoek is geconstateerd dat de woning is gemeubileerd met stukken die voornamelijk eigendom zijn van appellante. Zij levert volgens haar opgave een maandelijkse bijdrage van ƒ350,-. Dat die gestelde bijdrage zou plaatsvinden ter uitvoering van een zakelijke overeenkomst tussen C als huurder en appellante als onderhuurster acht de Raad niet aannemelijk, niet alleen in verband met het feitelijke gebruik van de gehele woning, maar ook omdat zij geen huurcontract en betalingsbewijzen ter zake over heeft kunnen leggen. Naar het oordeel van de Raad levert appellante met deze betaling een bijdrage in de kosten van de huishouding.
Ten slotte is nog van belang dat appellante ermee heeft ingestemd dat de auto van C op haar naam is geregistreerd.

In het vorenstaande, in onderling verband bezien, heeft de Raad voldoende grond gevonden om te oordelen dat ook aan de eis van wederzijdse verzorging is voldaan.

De president van de rechtbank heeft in navolging van gedaagde mitsdien terecht aangenomen dat appellante per 1 december 1996 een gezamenlijke huishouding voert met C.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, zoals dat tot 1 juli 1997 luidde, is de belanghebbende verplicht op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling te doen van al hetgeen dat van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken. Indien de belanghebbende deze verplichting niet of in onvoldoende mate nakomt en in gebreke blijft dat verzuim te herstellen, is dat, in samenhang bezien met artikel 7, eerste lid, van de Abw , een rechtsgrond voor weigering of beëindiging van de bijstand wanneer door de schending van de rechtsplicht het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 17 maart 1998, 97/6793 ABW, gepubliceerd in RSV Actueel 1998 nr. 9, JABW 1998/88 en USZ 1998/114.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellante op het door haar op 19 september 1996 ondertekende inlichtingenformulier de daarop voorkomende vragen naar het voeren van een gezamenlijke huishouding en naar het inkomen en het vermogen van de partner niet heeft beantwoord en ook na een drietal persoonlijke oproepen en een huisbezoek in gebreke is gebleven om informatie te verstrekken over het inkomen en vermogen van C. Laatstbedoelde informatie is in bezwaar, in beroep en in hoger beroep niet alsnog gegeven. Derhalve moet worden gezegd dat appellante de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenplicht heeft geschonden.

De Raad merkt vervolgens op dat het voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de algemene bijstand van wezenlijk belang was dat voldoende duidelijkheid werd verschaft over de inkomens- en vermogenspositie van C. Nu appellante ter zake in gebreke is gebleven, kan niet worden vastgesteld of zij verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw. Daarmee is tevens gegeven dat voor het gunnen van een overgangsperiode, zoals namens appellante is bepleit, geen plaats is.

Gelet op het vorenstaande acht de Raad termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. Hetgeen overigens namens appellante ter zitting naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

De Raad acht, mede gelet op het feit dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten, geen termen aanwezig om gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante.

Beslist wordt als hierna aangegeven.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard;
vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
verstaat dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal ƒ260,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 1998.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I. de Hartog.