Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AB0577
ECLI: ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0577
Instantie: Rechtbank 's-Gravenhage
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: AWB 00/763 ABW
Datum uitspraak: 25 januari 2001
Wetsartikelen: artt. 6, 9 en 39 Abw (= 5, 13 en 35 Wwb) / 7:3 en 7:12 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; huurkosten; gedetineerde; detentie; motivering
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor huurkosten, omdat betrokkene, die de huur van zijn woning moest opzeggen vanwege langdurige detentie, over de betreffende maand nog bijstand heeft ontvangen. Onterechte afwijzing van die bijzondere bijstand over de periode waarin geen bijstand meer is ontvangen, omdat niet voldoende is onderzocht of betrokkene in zijn specifieke situatie over voldoende middelen kon beschikken om de voor hem onvermijdelijke kosten te voldoen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank 's-Gravenhage AWB 00/763 ABW




U I T S P R A A K




ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

tegen

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.




1. Aanduiding bestreden besluit


Het besluit van verweerster van 12 november 1999, verzonden op 29 november 1999, met kenmerk 991737/4529.




2. Zitting


Op 4 december 2000 is de zaak ter zitting behandeld.
Eiser noch zijn gemachtigde is ter zitting verschenen.
Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.I.E. Rhuggenaath.




3. Feiten


Bij besluit van 16 april 1999 heeft verweerster eisers bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 3 maart 1999 beëindigd omdat er geen recht op bijstand bestaat aangezien eisers vrijheid rechtens is ontnomen.

Eiser heeft in verband met de vermoedelijke duur van de detentie zijn huurwoning opgezegd. De gemachtigde van eiser heeft namens eiser verweerster verzocht om doorbetaling van huur van eisers woning vanaf 1 februari 1999 tot en met 15 april 1999, de datum van de huurbeëindiging.

Bij besluit van 1 juli 1999 heeft verweerster afwijzend beslist op de aanvraag om bijstand in de kosten van de huur van de woning omdat dit gezien de duur van de detentieperiode niet noodzakelijk wordt geacht.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 9 juli 1999 bezwaar gemaakt.

Verweerster heeft op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgezien van het horen van eiser.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Namens eiser is bij brief van 10 januari 2000, aangevuld bij brief van 2 februari 2000, beroep ingesteld.

Op 17 februari 2000 heeft verweerster de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Bij fax van 28 november 2000 heeft verweerster een verweerschrift aan de rechtbank doen toekomen.




4. Motivering


In dit geding dient de vraag te worden beantwoordt of het bestreden besluit, waarbij verweerster de afwijzing van de aanvraag om bijstand in de kosten van de huur heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

Verweerster heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in het geval van eiser de detentieperiode de duur van zes maanden overschrijdt. Eiser voldoet daarmee niet aan de gestelde voorwaarden die een uitzondering op artikel 9, eerste lid, van de Abw rechtvaardigen.
Daarbij komt, stelt verweerster, dat eiser over de maand februari 1999 een bijstandsuitkering heeft ontvangen waardoor hij geacht wordt over voldoende middelen te beschikken om in de gevraagde kosten te voldoen. Verweerster stelt dat eiser ingevolge artikel 15 van de Abw, nu eiser bij het ontstaan van de schuldenlast over middelen beschikte, niet geacht wordt in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw te verkeren.

Namens eiser is in beroep aangevoerd dat verweerster ten onrechte toetst aan het beleid met betrekking tot een detentieduur van korter dan zes maanden. In zijn geval, zo stelt eiser, is daar geen sprake van.
Eiser stelt dat verweerster niet heeft getoetst of er sprake is van het voldoen aan de voorwaarden ingevolge artikel 11 van de Abw.
Eiser stelt vervolgens dat hij heeft laten zien verantwoordelijk te zijn voor zijn eigen daden door onmiddellijk zijn huur op te zeggen. Ten slotte is eiser van mening dat hij gedurende zijn uitkeringsperiode niet in staat is geweest om enig vermogen op te bouwen uit welk vermogen hij in staat zou zijn om de huur over de periode maart 1999 en half april 1999 te kunnen betalen. Eiser is volledig aangewezen op de gemeente Den Haag.

Artikel 7, eerste lid, van de Abw bepaalt dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw bestaat geen recht op bijstand voor degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen. In afwijking hiervan kan krachtens artikel 11 van de Abw bijstand worden verstrekt indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Artikel 39, eerste lid, van de Abw bepaalt dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm.
In artikel 6, onderdeel a, van de Abw is geregeld dat onder bijzondere bijstand moet worden verstaan de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaat.

De rechtbank is van oordeel dat verweerster de afwijzing van eisers verzoek om de huur over de maand februari 1999 door te betalen terecht heeft gehandhaafd. Eiser heeft immers over de maand februari 1999 algemene bijstand ontvangen.

Eiser wordt dan ook geacht van deze uitkering de huur over maand februari 1999 te hebben kunnen voldoen. Het beroep voor zover het zich richt tegen de weigering om de huur door te betalen over februari 1999 wordt ongegrond verklaard.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat het op grond van de wettelijke bepalingen ter vaststelling van het recht op bijzondere bijstand noodzakelijk is om vast te stellen of de individuele aanvrager in zijn concrete geval recht heeft op bijzondere bijstand.
Uit de stukken blijkt dat verweerster, na het verzoek van eisers gemachtigde om doorbetaling van de huur over de maanden februari tot en met 15 april 1999, de aanvraag heeft getoetst aan het in de gemeente gehanteerde beleid inzake doorbetalen van woonkosten tijdens detentie. Dat beleid heeft betrekking op kortgedetineerden die in staat worden gesteld hun woning aan te houden in afwachting van hun invrijheidstelling. Daarvan is hier geen sprake. Van meet af aan was duidelijk dat eiser zijn woning niet wilde aanhouden tot hij vrij zou komen. Eiser heeft zo spoedig mogelijk de huur opgezegd, maar was desalniettemin genoodzaakt tot half april 1999 de huur door te betalen.
Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerster in het geval van eiser de concrete feiten en omstandigheden van eiser heeft vastgesteld, aan de hand waarvan zou moeten worden beoordeeld of eiser in dit geval voor bijzondere bijstand in aanmerking komt.

De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat verweerster, bij de vaststelling van het recht van eiser op de gevraagde voorziening, niet voldoende heeft onderzocht of eiser in zijn specifieke situatie over voldoende middelen kon beschikken om de voor hem onvermijdelijke kosten te voldoen.
Nu verweerster dat heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat verweerster het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en derhalve in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb heeft besloten.
Het beroep wordt in zoverre gegrond verklaard.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ710,-. Daarbij is 1 punt toegekend voor het indienen van een beroepschrift in een zaak van gemiddeld gewicht. De waarde per punt is ƒ710,-.




5. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep voor zover het zich richt tegen de weigering van bijzondere bijstand over de maand februari 1999 ongegrond;
verklaart het beroep voor het overige gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is beslist op het bezwaar inzake bijzondere bijstand over de maanden maart en april 1999;
draagt verweerster op om binnen een termijn van vier weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerster in de kosten ad ƒ710,- onder aanwijzing van de gemeente Den Haag als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;
gelast dat de gemeente Den Haag als rechtspersoon aan eiser het door deze betaalde griffierecht, zijnde ƒ60,-, vergoedt.




6. Rechtsmiddel


Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.




Aldus gegeven door mr. D.A. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2001, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.H. Peper.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden: