Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AB1792
ECLI: ECLI:NL:RBZUT:2001:AB1792
Instantie: Rechtbank Zutphen
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: 00/362 NABW
Datum uitspraak: 23 januari 2001
Wetsartikelen: artt. 6, 13, 39, 69, 81 en 84 Abw (= 5, 11, 35, 54, 58 en 59 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; maandlasten hypotheek; woonkostentoeslag; woonlasten; intrekking bijzondere bijstand; terugvordering; aanwending voor ander doel; besteding; hoofdelijke aansprakelijkheid; onverschuldigde betaling
Essentie: Terechte intrekking en terugvordering bijzondere bijstand wegens het niet aanwenden van de woonkostentoeslag (ƒ2579,74 per maand voor hypotheeklasten totdat de woning - binnen één jaar - zou zijn verkocht) voor het doel waarvoor deze was verleend. Zowel betrokkene als haar ex-partner zijn hoofdelijk aansprakelijk.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Zutphen 00/362 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 29 februari 2000.




2. Feiten


Bij besluit van 16 juni 1998 heeft verweerder aan eiseres en haar toenmalige partner, de heer [ex-partner] (hierna: [ex-partner]), met ingang van 1 maart 1998 algemene bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van gelijke datum heeft verweerder tevens aan eiseres en [ex-partner] met ingang van 1 maart 1998, voor de duur van maximaal één jaar, periodieke bijzondere bijstand ter voorziening in de hoge woonlasten (woonkostentoeslag) toegekend tot een bedrag van ƒ2579,74 per maand.

Bij brief van 28 juli 1999 heeft de Rabobank Apeldoorn verweerder medegedeeld dat sedert 30 januari 1998 geen maandelijkse betalingen zijn verricht op de door deze bank aan eiseres en [ex-partner] verstrekte hypothecaire geldlening.

Bij besluit van 16 augustus 1999 heeft verweerder:
voormeld besluit tot toekenning van bijzondere bijstand ter voorziening in de woonlasten over de periode van 1 maart 1998 tot en met 28 februari 1999 ingetrokken;
de als gevolg van deze intrekking ten onrechte ontvangen bijstand ten bedrage van ƒ30.956,88 teruggevorderd van eiseres;
van eiseres een bedrag van ƒ2592,- teruggevorderd ter zake van ten onrechte betaalde bijstand over de periode 1 maart 1999 tot en met 31 maart 1999, aangezien over die periode abusievelijk de bijzondere bijstand in de woonlasten is doorbetaald.

Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.




3. Procesverloop


Namens eiseres heeft mr. F.J. Bosma, advocaat te Apeldoorn, beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 oktober 2000, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bosma voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw G.H. Knoef.




4. Motivering


4.1. In de eerste plaats moet worden beoordeeld of verweerder terecht is overgegaan tot intrekking van het besluit tot toekenning van periodieke bijzondere bijstand ter voorziening in de woonlasten c.q. woonkostentoeslag.

Verweerder heeft deze intrekking bij het primaire besluit van 16 augustus 1999 gebaseerd op artikel 69, derde lid, onderdeel b, van de Algemene bijstandswet (Abw) en daarbij overwogen dat de woonkostentoeslag niet is aangewend voor het doel waarvoor deze is verleend, namelijk het voldoen aan de maandelijkse hypothecaire betalingsverplichtingen aan de Rabobank.

Eiseres heeft aangevoerd dat in de beschikking tot toekenning van de woonkostentoeslag verschillende voorwaarden zijn opgenomen, doch niet de voorwaarde dat deze bijstand daadwerkelijk moet worden besteed aan het verrichten van betalingen aan de Rabobank. Daarbij komt nog, aldus eiseres, dat de werkelijke woonlasten ƒ3816,68 bedroegen, zodat de woonkostentoeslag niet toereikend was om de bank te kunnen betalen. Voorts heeft eiseres gesteld dat feitelijk de betalingen aan de Rabobank wel zijn verricht, zij het op een later tijdstip, namelijk in mei 1999 door middel van verrekening met de opbrengst uit de verkoop van de woning.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 6, onderdeel b, van de Abw wordt verstaan onder bijzondere bijstand: de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Abw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.

In artikel 69, derde lid, van de Abw is bepaald dat een besluit tot toekenning van bijstand wordt herzien of ingetrokken:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 69, vijfde lid, van de Abw kan, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking worden afgezien.

Bijzondere bijstand op grond van artikel 39, eerste lid, van de Abw wordt, zoals verweerder terecht heeft gesteld, steeds verleend voor een specifiek doel, namelijk ter voorziening in specifieke kosten welke worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Zodanige bijzondere bijstand wordt derhalve niet ter vrije besteding verleend. Wordt de bijzondere bijstand in een voorkomend geval niet aangewend voor het doel waarvoor deze is verleend maar voor een ander doel, dan kunnen de kosten waarvoor de bijstand is verleend naar het oordeel van de rechtbank achteraf gezien niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten van het bestaan. In dat geval moet dan worden geconcludeerd dat de bijzondere bijstand ten onrechte is verleend.

In het onderhavige geval is de bijzondere bijstand c.q. woonkostentoeslag verleend ter (gedeeltelijke) voorziening in de maandelijkse woonlasten voortvloeiend uit de hypothecaire betalingsverplichtingen van eiseres en [ex-partner] aan de hypotheekhouder, in dit geval de Rabobank te Apeldoorn. Het staat vast dat de woonkostentoeslag in de periode waarvoor deze is toegekend in het geheel niet voor dat doel is aangewend en kennelijk aan andere zaken is besteed. Gelet hierop moet - in het licht van hetgeen hiervoor in algemene zin is overwogen - worden geoordeeld dat de maandelijkse hypothecaire verplichtingen achteraf gezien niet behoorden tot de noodzakelijke kosten van het bestaan van eiseres en [ex-partner]. Dat in mei 1999 alsnog de verschuldigde maandelijkse termijnen aan de bank zijn betaald door verrekening met de opbrengst van de verkoop van de woning, maakt dit niet anders.
Nu de opbrengst van de verkoop hiervoor is aangewend, kan niet worden gezegd dat de verstrekte bijzondere bijstand alsnog bij de verkoop van de woning is aangewend ter voorziening in de woonlasten.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bijzondere bijstand c.q. woonkostentoeslag ten onrechte is verleend en wel “anderszins” als bedoeld in artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw. Het toekenningsbesluit dient dan ook in beginsel op grond van deze bepaling te worden ingetrokken.

De rechtbank is van oordeel dat de intrekking van het toekenningsbesluit met ingang van een in het verleden liggend tijdstip in dit geval niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is te achten. De rechtbank overweegt daartoe dat eiseres en [ex-partner] redelijkerwijs hadden kunnen begrijpen dat de woonkostentoeslag diende te worden besteed aan de voldoening van de maandelijkse hypothecaire verplichtingen aan de bank, aangezien de toeslag onmiskenbaar juist voor dat doel werd toegekend. Dat in het toekenningsbesluit niet een uitdrukkelijk daarop toegespitste voorwaarde is opgenomen, kan aan dit oordeel niet afdoen. Voorts is in dit verband niet van belang dat het bedrag van de woonkostentoeslag lager was dan het bedrag van de maandelijkse woonlasten.

Van het bestaan van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw is de rechtbank niet gebleken. Verweerder is derhalve terecht op grond van artikel 69, derde lid, onderdeel b, van de Abw overgegaan tot intrekking van het toekenningsbesluit.

De bij het bestreden besluit door verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie gegeven aanvullende motivering, inhoudende dat eiseres en [ex-partner] de inlichtingenplicht hebben geschonden door niet aan verweerder mede te delen dat de woonkostentoeslag aan andere doelen werd besteed, kan hier verder buiten beschouwing blijven.

4.2. Aan de orde is vervolgens het besluit tot terugvordering van de als gevolg van het intrekkingsbesluit ten onrechte ontvangen bijstand. Eiseres is van mening dat verweerder deze bijstand niet van haar, maar uitsluitend van [ex-partner] dient terug te vorderen. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw wordt bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende teruggevorderd.

Uit artikel 84, eerste en derde lid, in verbinding met artikel 13, tweede lid, van de Abw vloeit voort dat personen aan wie bijstand als gezinsbijstand is verleend hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling indien deze bijstand ten onrechte is verleend.

Op grond van artikel 78, derde lid, van de Abw kan, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien.

De onderhavige bijzondere bijstand c.q. woonkostentoeslag is aan eiseres en [ex-partner], die toen een gezin vormden, gezamenlijk en bijgevolg als gezinsbijstand verleend. Eiseres en [ex-partner] zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk, zodat de ten onrechte ontvangen bijstand van ieder van hen volledig kan worden teruggevorderd. Naar verweerder heeft verklaard is ook ten aanzien van [ex-partner] een terugvorderingsbesluit genomen.

Hetgeen eiseres heeft aangevoerd geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat dringende redenen aanwezig zijn om af te zien van terugvordering van eiseres. Zodanige redenen kunnen niet gevonden worden in de omstandigheid dat [ex-partner] de contacten met verweerder onderhield en eiseres van de uitkomst van die contacten niet op de hoogte zou hebben gesteld, noch in de omstandigheid dat eiseres geen enkele invloed op de besteding van de bijzondere bijstand zou hebben gehad. Dergelijke omstandigheden liggen in haar risicosfeer en dienen dan ook voor haar rekening te blijven.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten de ten onrechte ontvangen bijstand (ook) geheel van eiseres terug te vorderen.

4.3. Ten slotte is in geschil de terugvordering van de bijstand van ƒ2592,- die over de maand maart 1999 aan eiseres en [ex-partner] is betaald als gevolg van het abusievelijk doorbetalen van de toegekende woonkostentoeslag.

Verweerder heeft deze terugvordering gebaseerd op artikel 81, tweede lid, van de Abw, waarin is bepaald dat hetgeen anderszins - dat wil zeggen anders dan bedoeld in het eerste lid - onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Volgens verweerder had eiseres redelijkerwijs kunnen begrijpen dat sprake was van onverschuldigde betaling, nu in het toekenningsbesluit van 16 juni 1998 uitdrukkelijk is vermeld dat de bijzondere bijstand met ingang van 1 maart 1998 voor maximaal één jaar wordt verleend.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij erop mocht vertrouwen dat de verstrekking van de woonkostentoeslag zou worden gecontinueerd tot het transport van de woning kon plaatsvinden, aangezien het niet was gelukt om de woning binnen één jaar daadwerkelijk te verkopen. Eiseres mocht dan ook aannemen, zo heeft zij gesteld, dat de toekenning stilzwijgend was verlengd, nu er feitelijk na 1 maart 1999 werd doorbetaald.

De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. De toekenning van de woonkostentoeslag is niet met ingang van 1 maart 1999 verlengd, terwijl voorts niet is gebleken dat van de zijde van verweerder enigerlei toezegging in die richting is gedaan. Ook overigens valt niet in te zien dat eiseres erop mocht vertrouwen dat de verstrekking van de woonkostentoeslag na 1 maart 1999 zou worden gecontinueerd, dan wel dat de doorbetaling na 1 maart 1999 berustte op een verlenging van de toekenning met ingang van die datum.

De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat eiseres redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de betaling over de maand maart 1999 op een vergissing berustte en derhalve onverschuldigd plaatsvond. Verweerder heeft dit bedrag dan ook terecht op grond van voormelde bepaling teruggevorderd. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw is de rechtbank ook voor wat betreft deze terugvordering niet gebleken.

4.4. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K van Duijvendijk en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.