Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AB2488
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2001:AB2488
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 99/6355 ABW
Datum uitspraak: 8 mei 2001
Wetsartikelen: artt. 5a, 55 en 59a ABW (= 3, 78 en 84 Abw) (= 3, 58 en 59 Wwb) / 1:2, 8:72 en 8:75 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; terugvordering van hoofdelijk aansprakelijke; belanghebbende; subject van bijstandverlening; alleenstaande ouder; verletkosten; kosten meebrengen getuige
Essentie: Onterechte hoofdelijkaansprakelijkstelling en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding, omdat betrokkene geen subject van bijstandverlening was en derhalve geen belanghebbende, aangezien zijn bijstandsgerechtigde partner (van wie wel terecht wordt teruggevorderd) een alleenstaandeouderuitkering genoot.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 99/6355 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant A], thans wonende te [woonplaats B], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsmond, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. R. Koppe, advocaat te Uithuizen, op in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Groningen op 12 november 1999 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn - samen met de gedingen tussen [C], wonende te [D], en gedaagde, nummers 99/3989 NABW tot en met 99/3991 NABW - gevoegd behandeld ter zitting van 27 maart 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Koppe voornoemd, terwijl aan de kant van gedaagde - met bericht van verhindering - niemand is verschenen. Aan de zijde van appellant is als getuige meegebracht en ter zitting gehoord [E], wonende te [D].
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst en wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. Motivering


Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden.
Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde bij besluit van 21 april 1998 appellant mededeling gedaan van zijn ten aanzien van [C] (hierna: [C]) genomen beslissing dat in het geval van haar en appellant in de periode van 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 5a (oud) van de ABW en dat [C] geen recht had op de haar toegekende bijstand ingevolge de ABW naar de norm voor een eenoudergezin; voorts heeft gedaagde met toepassing van de artikelen 55 en 59a van de ABW van appellant de over de genoemde periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand ad ƒ13.426,73 teruggevorderd en hem voor de terugbetaling hoofdelijk aansprakelijk gesteld.
Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, welk bezwaar gedaagde bij besluit van 12 oktober 1998 als ongegrond heeft afgewezen.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat appellant tegen het besluit van 12 oktober 1998 instelde ongegrond verklaard. In de eerste plaats heeft de rechtbank geoordeeld dat het - in het bestreden besluit besloten liggende - standpunt van gedaagde juist is dat er in het geval van [C] en appellant over de periode van 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 sprake was van een gezamenlijke huishouding. Voorts was zij van oordeel dat gedaagde gerechtigd is het genoemde bedrag van appellant terug te vorderen en hem voor de terugbetaling ervan hoofdelijk aansprakelijk te stellen.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze oordelen van de rechtbank gekeerd.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

In de eerste plaats stelt de Raad vast dat hij in zijn uitspraak van heden in de gedingen tussen [C] en gedaagde als zijn oordeel heeft neergelegd dat er in het geval van [C] en appellant in het tijdvak van 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 sprake was een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 5a van de ABW en dat [C] over dat tijdvak geen recht op bijstand had. Hiermee is de betrokken besluitvorming van gedaagde ten aanzien van [C] rechtens verbindend geworden en staat zij in dit geding niet meer ter beoordeling.
De Raad neemt voorts in aanmerking dat appellant niet betrokken was bij de aan [C] over meergenoemd tijdvak verleende bijstand naar de norm voor een eenoudergezin en derhalve geen subject van die bijstandverlening, zodat hij ter zake die besluitvorming niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. De omstandigheid dat appellant ter zake van de terugbetaling van de aan [C] verleende bijstand hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, maakt dit niet anders. Derhalve dient al hetgeen appellant in hoger beroep met betrekking tot die besluitvorming heeft aangevoerd buiten bespreking te blijven. De rechtbank en ook gedaagde hebben dit laatste ten onrechte niet onderkend.

De Raad overweegt met betrekking tot de terugvordering en de hoofdelijke aansprakelijkheidsstelling van appellant als volgt.

Het besluit om de ten onrechte gemaakte kosten van de aan [C] over het tijdvak van
1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 verleende bijstand van appellant terug te vorderen en hem hoofdelijk aansprakelijk te stellen, berust op het bepaalde in artikel 59a, tweede en derde lid, van de ABW.

Onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 23 oktober 1998, NJ 1998, 900, en JVB 1999/4, en van 22 december 2000, gepubliceerd in RvdW 2001, 13, overweegt de Raad dat in een geval als het onderhavige waarin - naar de norm voor een eenoudergezin - gezinsbijstand is verleend, artikel 59a, tweede lid, van de ABW geen grond kan bieden voor terugvordering van de partner met wiens middelen bij de verlening van bijstand ten onrechte geen rekening is gehouden.

Dit leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met de wet moet worden vernietigd. De Raad acht het aangewezen om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb tevens het primaire besluit van 21 april 1998, dat eveneens in strijd met de wet is, te vernietigen.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op ƒ1420,- in beroep alsook in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, op ƒ84,76 voor reiskosten (gevormd door ƒ73,- aan treinkosten en (14 strippen à ƒ0,84 per strip =
ƒ11.76) en op ƒ200,- voor verletkosten aan de kant van appellant, alsmede op ƒ84,76 voor de kosten van het meebrengen van de getuige, in totaal ƒ3209,52.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit alsook het primaire besluit van 21 april 1998;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, totaal tot een bedrag van ƒ3209,52, te betalen door de gemeente Eemsmond;
gelast de gemeente Eemsmond aan appellant het gestorte recht van ƒ55,- in beroep en ƒ170,- in hoger beroep (totaal ƒ225,-) te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2001.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.