Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AD7123
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2001:AD7123
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 99/1454 NABW
Datum uitspraak: 20 november 2001
Wetsartikelen: artt. 6, 19, 24 en 39 Abw (= 5, 48, 48 en 35 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; overbruggingsuitkering; geldlening; algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan; algemene bijstand; bijstand om niet; terugvordering; onjuiste overboeking
Essentie: Onterechte verlening van bijstand in de vorm van bijzondere bijstand (geldlening) voor kosten van een overbruggingsuitkering, omdat sprake is van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor algemene bijstand om niet dient te worden verstrekt. De overbruggingsuitkering kan bij een daarover nog te nemen besluit worden teruggevorderd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 99/1454 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. C.M.D. Over de Vest, advocaat te Rotterdam, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 9 februari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 oktober 2001, waar voor appellante is verschenen mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, en waar gedaagde zich - zoals aangekondigd - niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. Motivering


Uit de gedingstukken blijkt, voor zover in hoger beroep van belang, onder meer het volgende.

Appellante ontving sedert 1 maart 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij verzocht op 10 mei 1996 gedaagde haar uitkering te storten op een rekening van haar dochter in verband met negatief saldo op haar eigen girorekening. Haar uitkering over de maand juni 1996 werd ondanks dit verzoek op 24 mei 1996 naar de girorekening van appellante overgemaakt.

Appellante verzocht op 30 mei 1996 gedaagde om een overbruggingsuitkering om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.
Gedaagde heeft bij besluit van 9 augustus 1996 een bedrag van ƒ1397,60 aan appellante toegekend voor de algemene kosten van het bestaan, in de vorm van een geldlening; aan de toegekende bijstand werd de verplichting verbonden dat deze besteed zou worden voor het doel waarvoor het is bestemd.

Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 24 juni 1997 ongegrond verklaard. Volgens gedaagde is terecht besloten de overbruggingsuitkering in de vorm van een geldlening te verstrekken.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 24 juni 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde terecht de bijstand verleend als leenbijstand.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen dit oordeel gekeerd. Naar haar mening is ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat het verstrekte bedrag ad ƒ1397,60 bijzondere bijstand betreft. Het gaat hier om algemene bijstand en gedaagde was volgens haar gehouden deze bijstand om niet te verstrekken.

De Raad stelt eerst vast dat de in dit geding te beantwoorden vragen zowel de aard als de vorm van de verstrekte bijstand betreffen.

De Raad volgt gedaagde en de rechtbank niet in de opvatting dat het aan appellante bij besluit van 9 augustus 1996 toegekende bedrag bijzondere bijstand betreft. De bijstand was immers bestemd ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van het gezin van appellante. Dit betekent dat deze bijstand als algemene bijstand in de zin van artikel 6, aanhef en onder a, van de Abw moet worden beschouwd en dat artikel 39 van de Abw in dit geding niet relevant is.

De vraag of de bijstand om niet had moeten worden verstrekt beantwoordt de Raad met appellante bevestigend. Het in hoofdstuk III van de Abw opgenomen artikel 19 geeft als hoofdregel dat de bijstand om niet wordt verleend, tenzij in deze wet anders is bepaald. De overige bepalingen in die wet bieden in dit geval geen grondslag om ten aanzien van appellante van die hoofdregel af te wijken. De Raad tekent daarbij aan dat tussen partijen in confesso is dat aan geen van de voorwaarden, genoemd in de onderdelen a tot en met d van artikel 24, is voldaan en dat hij geen aanknopingspunten ziet om hierover anders te oordelen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.
Het bestreden besluit komt, voor zover dat is aangevochten, wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit gedeeltelijk te vernietigen en te bepalen dat de verstrekte bijstand om niet wordt verleend.

Ter voorlichting van appellante merkt de Raad nog op dat het vorenstaande niet inhoudt dat gedaagde van terugvordering van de verstrekte overbruggingsuitkering zou moeten afzien. De regels voor eventuele terugvordering van de verstrekte bijstand zijn opgenomen in hoofdstuk VI, paragraaf 2, van de Abw. Het is nu eerst aan gedaagde om daarover een definitief besluit te nemen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op ƒ1420,- in beroep en op ƒ1420,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende primaire besluit, voor zover deze besluiten betrekking hebben op de vorm van de aan appellante toegekende bijstand;
bepaalt dat de aan appellante toegekende bijstand ad ƒ1397,60 om niet wordt verleend;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot
ƒ2840,-, te betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier van de Raad;
gelast de gemeente Rotterdam het door appellante gestorte recht van ƒ55,- in beroep en ƒ170,- in hoger beroep (totaal ƒ225,-) aan haar te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 november 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.