Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AD7128
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2001:AD7128
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 99/10 NABW en 99/28 NABW
Datum uitspraak: 6 november 2001
Wetsartikelen: artt. 3 Abw (= 3 Wwb) / 7:12 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; beëindiging bijstand; wooneenheden in barak; voorwaarden zelfstandige woning; hoofdverblijf; motivering
Essentie: Onterechte aanmerking als gezamenlijke huishouding en beëindiging bijstand, omdat de afzonderlijke wooneenheden in de barak zodanig zijn ingedeeld dat sprake is van zelfstandige woningen waarin betrokkenen ieder hun eigen hoofdverblijf hebben. Het is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkenen een zodanig gebruik van hun woningen maken dat zij de facto samenwonen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 99/10 NABW en 99/28 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

1. [appelante A], wonende te [woonplaats B], appellante,
2. [appellant C], wonende te [woonplaats B], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


Op bij aanvullende beroepschriften aangegeven gronden hebben mr. P. Hanenberg en mr. C.M.D. Over de Vest, beiden advocaat te Rotterdam, namens appellante respectievelijk appellant hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 30 november 1998 onder de nummers Abw 97/2331 en Abw 97/2585 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van appellant is hierop bij brief van 14 november 2000 gereageerd.

De gedingen zijn, gevoegd met de gedingen tussen partijen genummerd 99/7 NABW en 99/29 NABW, behandeld ter zitting van 25 september 2001, waar appellante in persoon is verschenen met bijstand van mr. Hanenberg voornoemd en appellant is verschenen met bijstand van mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In de onderhavige zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. Motivering


Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende, voor de beoordeling van deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante en appellant wonen en werken beiden als zelfstandig kunstenaar respectievelijk muzikant op het terrein van het voormalige [X] in [Y]. Dit complex is eigendom van de gemeente Rotterdam. Appellanten betalen in verband met hun woon- en werkruimten, welke zijn gesitueerd in de voormalige zogeheten [Z], aan de vereniging tot [W] een vast bedrag per maand. Appellante bewoont met haar in 1979 geboren zoon [D] een woonruimte in de [Z], terwijl appellant met zijn in 1986 geboren dochter [E], van wie appellante de biologische moeder is, een andere ruimte in dezelfde barak bewoont. Zowel appellante als appellant ontvingen laatstelijk een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Naar aanleiding van een in 1996 ingesteld onderzoek heeft gedaagde bij twee afzonderlijke besluiten van 21 november 1996 de bijstandsuitkering van appellante met ingang van 1 januari 1997 gewijzigd in een uitkering naar de norm voor gehuwden en de uitkering van appellant per dezelfde datum beëindigd. Op 20 december 1996 heeft gedaagde besloten de in voormelde besluiten genoemde ingangsdatum nader vast te stellen op 1 april 1997; van dit besluit is uitsluitend aan appellante mededeling gedaan.
Bij besluiten van 22 april 1997 heeft gedaagde de namens appellante en appellant tegen de besluiten van 21 november 1996 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de namens appellante en appellant tegen de besluiten van 22 april 1997 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat appellante en appellant op 1 april 1997 een gezamenlijke huishouding voerden. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de woonruimten van appellante en appellant als één woning moeten worden beschouwd, zodat sprake was van hoofdverblijf in dezelfde woning.

In hoger beroep is dit oordeel namens appellanten gemotiveerd bestreden.

De Raad is tot een ander oordeel dan de rechtbank gekomen. Daartoe heeft hij het volgende overwogen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3, tweede lid, (oud) van de Abw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder b, (oud) van de Abw wordt een gezamenlijke huishouding in elk geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander.

Gelet op het feit dat appellante en appellant de biologische ouders zijn van [E], is voor de beantwoording van de vraag of zij ten tijde als hier van belang een gezamenlijke huishouding voerden van doorslaggevende betekenis of zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

Daartoe dient naar het oordeel van de Raad eerst te worden vastgesteld of de door appellante en appellant bewoonde woonruimten tezamen als één woning dan wel als twee afzonderlijke woningen moeten worden beschouwd.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 3 van de Abw blijkt met betrekking tot het criterium van het hoofdverblijf hebben in dezelfde woning het volgende. Voor het begrip "woning" is gekozen, omdat dit aansluit bij de (destijds vigerende) Wet individuele huursubsidie en voor gemeenten ook in het kader van de uitvoering van de Algemene bijstandswet een duidelijk en hanteerbaar begrip is. In de uitvoering van de Wet individuele huursubsidie wordt onder een woning verstaan een zelfstandige woning, dat wil zeggen een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen en dergelijke te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar zijn (Kamerstukken II 1993-1994, 22 545, nr. 18, blz. 87).

Ter zake blijkt uit de gedingstukken dat de woonruimten van appellante en appellant ten tijde als hier van belang ieder beschikten over een eigen ingang, een woonkamer, twee slaapkamers, keuken, badkamer en toilet, en over een eigen gasvoorziening en verwarming. De gang in de woonruimte van appellante en de als keuken ingerichte gang in de woonruimte van appellant waren van elkaar gescheiden door tussendeuren, welke wel voorzien waren van een slot, maar niet steeds op slot waren. Appellante en appellant maakten beiden gebruik van de gezamenlijke telefoonaansluiting in de [Z]. Samen met de andere bewoners van die barak beschikten zij over één wateraansluiting, waarvan de kosten naar rato onder de bewoners werden verdeeld, en één elektriciteitsvoorziening, waarvan de gebruikskosten werden berekend aan de hand van door de bewoners zelf geplaatste meters.

Op grond van vorenstaande gegevens is de Raad van oordeel dat de woonruimten van appellanten elk voldoen aan de voorwaarden om als een zelfstandige woning als bedoeld in de Abw te kunnen worden aangemerkt. De Raad merkt hierbij op dat de telefoonaansluiting geen wezenlijke woonfunctie betreft en dat de omstandigheid dat sprake is van gemeenschappelijke nutsvoorzieningen als water en elektriciteit niet doorslaggevend is. Voorts vormt de aanwezigheid van verbindingsdeuren tussen beide wooneenheden op zichzelf onvoldoende grondslag voor de conclusie dat de woonruimten van appellanten als één woning moeten worden gezien.

De Raad overweegt vervolgens dat het hebben van verschillende woonruimten op zichzelf aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning niet in de weg hoeft te staan. In dat geval zal echter redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.

Voor de Raad is op grond van de bevindingen van het vanwege gedaagde ingestelde onderzoek, waaronder een op 4 maart 1997 afgelegd huisbezoek, onvoldoende aannemelijk geworden dat appellante en appellant een zodanig gebruik van hun woningen maakten dat zij de facto samenwoonden.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende oordeel dat appellante en appellant op 1 april 1997 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden op onvoldoende feitelijke grondslag berust.

De bestreden besluiten dienen daarom te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak, waarbij de bestreden besluiten in stand zijn gelaten, komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden zowel voor appellante als voor appellant begroot op ƒ1420,- in beroep en op ƒ1420,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart de inleidende beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;
bepaalt dat gedaagde nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante en appellant in beroep en in hoger beroep tot - ieder - een bedrag van ƒ2840,-, te betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier van de Raad;
gelast de gemeente Rotterdam aan appellante en appellant het gestorte griffierecht van - ieder - ƒ55,- in beroep en ƒ160,- in hoger beroep (in totaal ƒ215,-) te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.            




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene bijstandswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.