Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE1085
ECLI: ECLI:NL:RBZLY:2002:AE1085
Instantie: Rechtbank Zwolle
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: Abw 00/4774
Datum uitspraak: 15 maart 2002
Wetsartikelen: artt. 3, 65, 69, 81 en 84 Abw (= 3, 17, 54, 58 en 59 Wwb) / 6:17 en 7:4 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; schending inlichtingenverplichting; gedeeltelijke beëindiging bijstand; terugvordering; hoofdelijk aansprakelijke; anonieme tip; toezending op de zaak betrekking hebbende stukken
Essentie: Onterechte gedeeltelijke beëindiging en terugvordering bijstand over het eerste halfjaar wegens gezamenlijke huishouding, omdat het enkele feit van een gezamenlijk afgesloten reisverzekering onvoldoende is om een gezamenlijke huishouding aan te nemen en het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting niet inhoudt dat het de gemeente vrijstaat een willekeurige datum aan te nemen als ingangsdatum van de samenwoning. Voorts onterechte terugvordering op de partner van alleenstaandeouderbijstand verleend vóór 31 december 1998, omdat toen artikel 84, tweede lid, Abw nog niet was aangepast. Het niet toezenden van het volledige dossier aan eisers gemachtigde is niet in strijd met de wet.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Zwolle Abw 00/4774




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. K.D. Regter, advocaat te Lelystad,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 10 maart 2000, nummer 99.005952.




2. Ontstaan en loop van de procedure


Bij besluit van 13 juli 1999 heeft verweerder de betaling van eisers uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 9 juli 1999 opgeschort.
Namens eiser is tegen dit besluit op 16 juli 1999 bezwaar aangetekend. De gronden van het bezwaar zijn aangevuld bij schrijven van 19 augustus 1999.

Bij besluit van 28 juli 1999 heeft verweerder eisers Abw-uitkering herzien over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1999 en beëindigd met ingang van 1 juli 1999. Hetgeen gedurende de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1999 ten onrechte aan eiser en mevrouw X (verder te noemen: mw. X) aan uitkering is uitbetaald ad ƒ55.483,19 (een brutobedrag ad ƒ46.744,68 betrekking hebbend op de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998 en een nettobedrag ad ƒ8738,51 betrekking hebbend op de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 juni 1999) heeft verweerder bij besluit van eveneens 28 juli 1999 van eiser teruggevorderd.
Namens eiser is tegen deze besluiten op 29 juli 1999 bezwaar aangetekend. De gronden van het bezwaar zijn aangevuld bij schrijven van 1 september 1999.

Op 30 juli 1999 heeft eiser met mw. X een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De President heeft daarop beslist dat beiden voor de duur van de bezwaarprocedure plus zes weken elk een voorschot wordt verstrekt berekend naar de helft van de gezinsnorm.

Bij besluit van 13 september 1999 heeft verweerder een nieuwe aanvraag van 14 juli 1999 van eiser om uitkering ingevolge de Abw naar de norm voor een alleenstaande afgewezen.
Namens eiser is tegen dit besluit op 30 september 1999 bezwaar aangetekend.

Eiser en zijn gemachtigde hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt de bezwaarschriften nader toe te lichten tijdens de hoorzitting van de Bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid van 21 december 1999.
De Bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid heeft verweerder op 25 januari 2000 geadviseerd eisers bezwaren tegen de gezamenlijke huishouding en de terugvordering ongegrond te verklaren en eisers bezwaar tegen de beëindiging van zijn uitkering per 1 juli 1999 gegrond te verklaren.

Bij het besluit van 10 maart 2000 heeft verweerder in overeenstemming met voornoemd advies van de Bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid eisers bezwaar tegen de beëindiging van zijn bijstandsuitkering gegrond verklaard in dier voege dat de Abw-uitkering hervat dient te worden in samenhang met de Abw-uitkering van mw. X, zodat zij beiden de helft van de norm voor gehuwden ontvangen. Eisers bezwaren ten aanzien van het voeren van een gezamenlijke huishouding en de terugvordering ad ƒ55.483,19 heeft verweerder bij dit besluit ongegrond verklaard.

Namens eiser is tegen dit besluit op 18 april 2000 beroep aangetekend. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij schrijven van 15 mei 2000.

Verweerder heeft op 29 juni 2000 een verweerschrift ingediend.

Mw. X heeft ook een beroepsprocedure gevoerd tegen de ten aanzien van haar genomen herzienings- en terugvorderingsbesluiten. De uitspraak van de rechtbank in die zaak, geregistreerd onder nummer 00/4799, is aan deze uitspraak gehecht. Er is hoger beroep ingesteld.

Eisers beroep is op 14 februari 2002 ter zitting behandeld.
Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. K.D. Regter.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door H. Evink.




3. Motivering


In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.
Ter zitting heeft verweerder verduidelijkt dat bij het bestreden besluit is beslist op de bezwaren inzake de opschorting, de herziening, de beëindiging en de terugvordering van de bijstandsuitkering. Nog geen besluit is genomen op het bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 13 september 1999 op eisers nieuwe aanvraag, inhoudende de weigering van bijstand naar de norm voor een alleenstaande per juli 1999. Aan een oordeel over die laatste weigering komt de rechtbank dus niet toe.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft met ingang van 31 juli 1996 tot en met 30 april 1998 een uitkering ingevolge de Abw ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Met ingang van 1 mei 1998 heeft eiser een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ontvangen.

Aan zijn vermeende partner mw. X is van 28 april 1989 tot en met 17 maart 1996 een uitkering ingevolge de (oude) Algemene Bijstandswet (ABW) verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Met ingang van 18 maart 1996 heeft zij een uitkering ingevolge de Abw ontvangen, eveneens naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Mw. X is in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op het adres [...] 20-45. Eiser is in de GBA ingeschreven op het adres [...] 12-62.

Op 30 juli 1999 is rapport uitgebracht door de sociale recherche, waaruit verweerder heeft geconcludeerd dat eiser en mw. X een gezamenlijke huishouding voerden met ingang van 1 januari 1997.



3.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onderdeel a van de Abw wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Ingevolge het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 65, eerste lid van de Abw, zoals dit artikel luidde tot 1 juli 1997, doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken. De wijziging van dit artikellid met ingang van 1 juli 1997 heeft de strekking ervan niet gewijzigd.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Abw schorten burgemeester en wethouders het recht op bijstand op indien de belanghebbende zich schuldig maakt aan een verzuim. Ingevolge het tweede lid wordt een hersteltermijn geboden.

Ingevolge artikel 69, derde lid, onderdeel a, van de Abw, zoals dit artikel luidt met ingang van 1 juli 1997, herzien burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, onverminderd het elders in de Abw bepaalde ter zake van herziening of intrekking, indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Indien de verplichting, bedoeld in artikel 65, of een andere aan de bijstand verbonden verplichting door belanghebbende niet of niet behoorlijk is nagekomen dan wel indien de bijstand is verleend op grond van omstandigheden te wijten aan het feit dat hij blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, wordt de bijstand ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw, zoals dit artikel luidde tot 1 juli 1997, van hem teruggevorderd voor zover de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Ook de wijziging van dit artikel met ingang van 1 juli 1997 heeft de strekking ervan niet gewijzigd.

Ingevolge het derde lid van artikel 78 van de Abw kunnen burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 84, tweede lid, van de Abw bepaalt dat, indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, als gezinsbijstand (op 1 januari 1998 is hier ingevoegd: "aan gehuwden") had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen bedoeld in artikel 65 niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3 van de Abw bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
Ingevolge het derde lid van dit artikel zijn de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.



3.2. Standpunt eiser

Namens eiser is in het aanvullend beroepschrift aangevoerd dat eisers uitkering met ingang van juli 1999 ten onrechte in zijn geheel is geschorst. Indien gezegd moet worden dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen hem en mw. X, had verweerder naar eisers mening de uitkering moeten uitbetalen naar de gezinsnorm.

Verder wordt door eiser erkend dat hij sedert januari 1999 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met mw. X. Eiser bestrijdt evenwel dat hij reeds met ingang van 1 januari 1997 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met mw. X. Eiser kan zich dan ook niet verenigen met de gedeeltelijke beëindiging van zijn bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 1997 tot en met december 1998.

Eiser kan zich evenmin verenigen met de hoogte van het terugvorderingsbedrag. In de eerste plaats omdat verweerder zijn uitkering ten onrechte over de periode van 1 januari 1997 tot en met december 1998 gedeeltelijk heeft beëindigd. In de tweede plaats omdat verweerder ten onrechte eisers volledige bijstandsuitkering over de periode van januari 1999 tot en met juni 1999 heeft teruggevorderd.

Ten slotte kan eiser zich niet verenigen met de afwijzing van zijn aanvraag van 14 juli 1999. Eiser is van mening dat sedert de aanhouding door de sociale recherche in juli 1999 geen sprake meer is van een gezamenlijke huishouding met mw. X. Eiser is dan ook van mening dat hem met ingang van juli 1999 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande toegekend dient te worden.



3.3. Standpunt verweerder

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser en mw. X sedert 1 januari 1997 een gezamenlijke huishouding voeren. Eiser heeft hiervan geen mededeling gedaan aan verweerder, zodat hij niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw. Aan eiser en mw. X had met ingang van 1 januari 1997 de bijstand als gezinsbijstand moeten worden verleend. Als gevolg hiervan dient eisers uitkering over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1999 gedeeltelijk te worden beëindigd en dient hetgeen te veel aan bijstandsuitkering aan eiser en mw. X is uitbetaald van eiser teruggevorderd te worden.

Voorts is verweerder van mening dat de nieuwe aanvraag van 14 juli 1999 terecht is afgewezen, nu door eiser noch door mw. X is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden.
Aan eiser en mw. X komt met ingang van juli 1999 wel een bijstandsuitkering toe naar de gezinsnorm.



3.4. Beoordeling van het beroep



De opschorting

In het bestreden besluit is niets overwogen of beslist over de juistheid van de opschorting van eisers uitkering per 1 juli 1999. Weliswaar is de opschorting "ingehaald" door de beslissing tot beëindiging, maar nu er wel bezwaar tegen is gemaakt, had een gemotiveerd besluit op het bezwaar inzake de opschorting niet mogen ontbreken. Op dit punt komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal op dit bezwaar alsnog moeten beslissen. Daarbij dient tevens te worden bezien, of over de maand juli 1997 aan eiser de halve gezinsbijstand is betaald. Ter zitting is daarover nog onduidelijkheid blijven bestaan.



De herziening en de beëindiging

Ingaande 1 juli 1997 is ingevoerd de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid (verder te noemen: Wet BMT). Ingevolge het bij die wet ingevoerde nieuwe derde lid van artikel 69 van de Abw dient aan een terugvordering vanaf die datum een herzieningsbesluit inzake het recht op uitkering vooraf te gaan.
In het onderhavige geval heeft de terugvordering betrekking op een periode vóór 1 juli 1997 en een periode na 1 juli 1997. De eis van een voorafgaand herzieningsbesluit geldt niet in de periode vóór 1 juli 1997. Niettemin heeft verweerder onder toepassing van het nieuwe artikel besloten de uitkering van eiser ingaande 1 januari 1997 gedeeltelijk te herzien.
De rechtbank stelt vast dat, hoewel verweerder formeel niet het juiste artikel heeft toegepast, eiser door deze toepassing in elk geval niet in haar belangen is geschaad. Ook vóór 1 juli 1997 geldt - zij het impliciet - het vereiste van een beoordeling omtrent het recht op uitkering, waarop de terugvordering is gebaseerd.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser en mw. X samenwonen sedert januari 1999. In geschil is of eiser en mw. X gedurende de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in artikel 3 van de Abw.

De rechtbank heeft in de zaak van mw. X bij uitspraak van 1 maart 2001 beslist dat er sprake was van samenwonen met ingang van 1 juli 1997. De overwegingen die in die zaak tot dat oordeel hebben geleid, gelden als hier herhaald en ingevoegd. De uitspraak is aangehecht.
De rechtbank voegt hier nog de volgende overwegingen aan toe:

Ingevolge jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan in het geval dat betrokkenen ieder beschikken over afzonderlijke woonruimte niettemin sprake zijn van hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal echter redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.

Verweerder heeft zich blijkens de gedingstukken, waarvan met name het rapport van 30 juli 1999 van de sociale recherche, op zijn standpunt gesteld op basis van:
- anonieme fraudemeldingen van 5 mei 1997 en 28 januari 1998;
- informatie van verzekeringsmaatschappij OLM Het Groene Land;
- processen-verbaal van verhoren van eiser en mw. X;
- observaties gedurende de perioden van 12 februari 1998 tot en met 12 maart 1998 en van 20 januari 1999 tot en met 18 april 1999 op de adressen [...] 20-45 en [...] 12-62;
- processen-verbaal van verhoren van Z en een anonieme getuige, buurtbewoners van de [...] 20-45;
- schermprinten van mutatierapporten van de Politie Flevoland Midden uit 1996 en 1997.

Uit de fraudemeldingen, de verklaringen van (ex) buurtbewoners van de [...] 20-45 te Lelystad, het verslag van het onderzoek in de woning van mw. X alsmede het verslag van de observaties door de sociale recherche leidt de rechtbank af dat eiser vrijwel dagelijks in de woning van mw. X verbleef.
Eén van de buurtbewoners van de [...] 20-45 heeft op 8 juli 1999 onder meer verklaard dat eiser sedert twee jaar permanent bij mw. X woont; daarvoor was hij onregelmatig op het adres.
Een andere getuige, die van januari 1997 tot april 1999 naast mw. X heeft gewoond, heeft verklaard dat er - voor zover zij weet - vanaf het begin een gezin naast haar woonde.
Uit het verslag van de observaties blijkt dat de auto's op naam van eiser (of op naam van zijn moeder) in de periode vanaf februari 1998 (en in de periode van 19 januari 1999 tot en met 18 april 1999) bij bijna iedere observatie op de parkeerplaats voor de woning van mw. X zijn waargenomen. Ook is eiser een aantal keren in en om de woning aan de [...] 20-45 gezien.
Voorts blijkt uit het onderzoek in de woning van mw. X in juli 1999 en uit de verklaringen van mw. X en eiser dat eiser sedert twee jaar een sleutel had van de woning [...] 20-45. Eiser heeft verder verklaard dat zijn kleding, papieren en gereedschap zich in de woning van mw. X bevinden. Als zijn kinderen op bezoek komen, dan is het in het huis van mw. X. Reeds vanaf juli 1995 is het gezin van mw. X met eiser (en zijn kinderen) op vakantie gegaan.
Het watergebruik van de woning [...] 12-62 is vanaf de periode van 17 november 1997 tot 24 november 1998 gehalveerd.

De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht tot het oordeel is gekomen dat eiser zijn hoofdverblijf heeft op het adres van mw. X aan de [...] 20-45, alsmede dat eiser en mw. X blijk geven zorg te dragen voor elkaar.
Uit de verklaring van eiser tegenover de opsporingsambtenaar blijkt dat eiser zijn woning aan de [...] 12-62 heeft gehandhaafd omdat hij een plek wil hebben waar hij zich kan terugtrekken.
Het feit dat eiser om deze redenen zijn woning heeft gehandhaafd, wil evenwel nog niet zeggen dat hij niet feitelijk met mw. X zijn hoofdverblijf had op het adres van mw. X.

De rechtbank acht het vorenstaande evenwel onvoldoende om aan te nemen dat eiser en mw. X reeds sedert 1 januari 1997 een gezamenlijke huishouding voeren. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het enkele feit dat eiser en mw. X in januari gezamenlijk een reisverzekering hebben afgesloten onvoldoende is om aan te nemen dat eiser, ondanks het feit dat hij een eigen woning heeft, zijn hoofdverblijf heeft op het adres van mw. X. Ook kan de rechtbank de door verweerder overgenomen opmerking in het advies van 25 januari 2000 van de Bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid dat de afdeling Sociale Zaken in redelijkheid de datum van 1 januari 1997 in gemoede heeft kunnen nemen, omdat eiser niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht en de afdeling zelf tot de conclusie gezamenlijke huishouding heeft moeten komen, niet volgen. Dat een betrokkene niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht houdt immers niet in dat het verweerder vrijstaat een willekeurige datum aan te nemen als ingangsdatum van de samenwoning. Verweerder zal de datum zo goed mogelijk op grond van de wel bekende gegevens moeten schatten.
Ook de anonieme fraudemeldingen geven aanleiding aan te nemen dat de datum 1 januari 1997 onjuist moet worden geacht. De eerste fraudemelding dateert van 5 mei 1997 en bij de tweede fraudemelding op 28 januari 1998 is aangegeven dat eiser en mw. X sedert maart/april 1997 samenwonen.

Gelet op de verklaring van eiser en mw. X in juli 1999 dat eiser sedert twee jaar een sleutel heeft van de woning van mw. X, alsmede de verklaring van de anonieme getuige in juli 1999 dat eiser sedert twee jaar bij mw. X woont, acht de rechtbank het evenals in de zaak van mw. X aannemelijk dat eiser vanaf 1 juli 1997 heeft samengewoond met mw. X, waarbij tevens sprake was van zorg dragen voor elkaar.

Gelet op het vorenstaande had de bijstandsuitkering over de periode 1 januari 1997 tot 1 juli 1997 niet mogen worden herzien en eerst per 1 juli 1997 mogen worden beëindigd. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.



De terugvordering

Nu gelet op het vorenstaande eiser over 1 januari 1997 tot 1 juli 1997 recht op bijstand voor een alleenstaande heeft behouden, zal ook de terugvordering over die periode niet in stand kunnen blijven.
Verweerder zal in een nieuw besluit op bezwaar moeten berekenen hoeveel eiser te veel heeft gehad over 1 juli 1997 tot 1 juli 1999. Met het recht op halve gezinsbijstand heeft verweerder reeds rekening gehouden, gelet op de berekeningen gevoegd bij het verweerschrift.

Voorts heeft verweerder eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de vordering op mw. X en ook de aan haar te veel betaalde uitkering bij eiser teruggevorderd.
In de jurisprudentie van de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep - zie onder andere RSV 2001/142 - is beslist dat de tot 31 december 1998 geldende tekst van artikel 84, tweede lid, van de Abw geen basis biedt voor terugvordering mede van de partner met wiens middelen bij de verlening van bijstand geen rekening is gehouden in gevallen dat naar de norm voor een alleenstaande ouder gezinsbijstand is verleend. De wettekst is per 1 januari 1999 [31 december 1998, red.] gewijzigd, zodat daarna wel terugvordering van de alleenstaandeouderbijstand bij de partner mogelijk is.
In het onderhavige geval betekent dit dat verweerder slechts bij eiser de aan mw. X te veel betaalde alleenstaandeouderbijstand mag terugvorderen over de periode 1 januari 1999 tot 1 juli 1999. Ten onrechte is haar bijstand vóór die periode mede van eiser teruggevorderd.
Het bestreden besluit komt ook op dit punt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal in een nieuwe beslissing op bezwaar het bedrag waarvoor eiser hoofdelijk aansprakelijk is opnieuw moeten berekenen en het terugvorderingsbedrag moeten aanpassen.

Het verzenden/de inzage van stukken in de bezwaarprocedure.
Eisers gemachtigde heeft zich erover beklaagd dat de stukken van de bezwaarprocedure niet, ook niet op verzoek, aan hem worden toegezonden, maar dat hij ze op verweerders kantoor moet komen inzien. Dossiers blijken bij inzage soms niet compleet. Voorts vindt hij dat het ambtelijk advies aan de Bezwaarschriftencommissie tot die stukken behoort, zodat hem vóór de hoorzitting bekend is waartegen hij argumenten moet inbrengen. Gemachtigde acht één en ander onzorgvuldig en heeft de rechtbank verzocht hierover een oordeel te geven.
Verweerder heeft gesteld dat aan de wettelijke vereisten van inzage wordt voldaan en dat het ambtelijk advies een intern stuk is dat niet ter inzage hoeft te liggen. Overigens is de werkwijze in bezwaar intussen gewijzigd en wordt niet meer vóór de hoorzitting een uitvoerig ambtelijk advies, waarin het door de Commissie te nemen besluit reeds is uitgeschreven, vervaardigd.

De rechtbank stelt voorop dat het niet zijn taak is in zijn algemeenheid voor te schrijven hoe verweerder zijn bezwarenprocedure behoort in te richten. Slechts indien in een zaak die in beroep aan het oordeel van de rechtbank is onderworpen de voorbereiding van het bestreden besluit onzorgvuldig of in strijd met de wet is geweest, kan de rechtbank daarover oordelen.
In het onderhavige geval stelt de rechtbank vast dat de stukken niet aan de gemachtigde van eiser in bezwaar zijn toegezonden. Dit lijkt in strijd met artikel 6:17 van de Awb. De rechtbank volgt echter, ook gelezen artikel 7:4 van de Awb, de uiteg van de Hoge Raad in zijn uitspraak van 20 september 2000, nr. 34 604 [LJN AA7148, red.], waarin wordt overwogen dat artikel 6:17 Awb, alleen voor het geval er een gemachtigde is, regelt aan wie stukken moeten worden gezonden en niet welke stukken moeten worden gezonden. Niet toezenden van het (volledige) dossier is dus niet in strijd met de wet.
Van bijzondere omstandigheden die maken dat van eiser of zijn gemachtigde niet mag worden gevergd dat hij de stukken bij verweerder komt inzien, is niet gebleken, zodat van onzorgvuldigheid geen sprake is.
Ingevolge artikel 7:4 van de Awb dient wel een compleet dossier ter inzage te liggen. Daartoe behoren ook de op de zaak betrekking hebbende stukken die na het primaire besluit en vóór de hoorzitting worden geproduceerd, waaronder ambtelijke adviezen van de afdeling Sociale Zaken, waarin hun standpunt wordt verwoord en die dus min of meer het karakter van een verweerschrift hebben. Het aanmerken als "intern" is geen gewichtige reden die geheimhouding gebiedt, als bedoeld in het zesde lid van artikel 7:4.
Het "ambtelijk advies" dat in het onderhavige dossier ontbrak - zo heeft de griffier telefonisch nagevraagd - was echter geen stuk van de afdeling Sociale Zaken, maar een schrijven met een concept-advies, opgesteld door de secretaris van de afdeling Bezwaar en Beroep ten behoeve van de beraadslagingen door de Bezwaarschriftencommissie. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat een mening van de secretaris van de Commissie, die op geen enkele wijze een standpunt van de Commissie of van verweerder inhoudt, niet valt onder het begrip "op de zaak betrekking hebbende stukken", zodat inzage achterwege mocht blijven.
Voor vernietiging vanwege onzorgvuldigheid in de bezwarenprocedure ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding.



Conclusie

Gelet op de te verrichten herberekeningen en de overige gebreken die aan het bestreden besluit kleven, zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, maar volstaan met gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit. Dit betekent dat er een geheel nieuw besluit op bezwaar dient te worden genomen door verweerder met inachtneming van deze uitspraak, waarbij de primaire besluiten voor zover nodig worden herroepen.

De rechtbank acht het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, bestaande uit de kosten ter zake van rechtsbijstand.




4. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit op de bezwaren te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- gelast dat de gemeente Lelystad aan eiser het namens hem gestorte griffierecht ad ƒ60,- (€27,23) vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op €644,37 (ƒ1420,-) ter zake van de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Lelystad aan de griffier;

Gewezen door mw. mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2002 in tegenwoordigheid van mw. W. Veldman als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.