Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE4247
ECLI: ECLI:NL:RBROE:2001:AE4247
Instantie: Rechtbank Roermond
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: 00/845 NABW K1
Datum uitspraak: 3 april 2001
Wetsartikelen: artt. 3, 65, 69 en 81 Abw (= 3, 17, 54 en 58 Wwb) / 3:46 en 6:22 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; schending inlichtingenverplichting; beëindiging bijstand; terugvordering; hoofdverblijf in dezelfde woning; scheiding van tafel en bed; zwerver; motivering
Essentie: Onterechte beëindiging en terugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huidhouding, omdat uit het geheel van feiten en omstandigheden niet is af te leiden dat betrokkene en haar partner, van wie zij van tafel en bed is gescheiden en die een zwervend bestaan leidt, hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Roermond 00/845 NABW K1




U I T S P R A A K




inzake:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder.



Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 10 augustus 2000, kenmerk 12656/4061.
Datum van behandeling ter zitting: 21 februari 2001.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 28 maart 2000 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres ingaande 11 juni 1997 tot en met 30 september 1999 herzien, alsnog vastgesteld dat eiseres geen recht heeft gehad op bijstand in die periode, zodat aan eiseres een bedrag van ƒ54.201,70 aan bijstand over die periode ten onrechte is betaald. Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit gegrond verklaard wegens een inhoudelijk motiveringsgebrek van het primaire besluit. Verweerder heeft het besluit van 28 maart 2000 met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand gelaten en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dat laatste besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 21 februari 2001, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.H.M.H. Janssen als haar raadsman, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door A.A.T.M. Brouns.




II. Overwegingen


Bij beschikking van 18 juli 1997 is aan eiseres met ingang van 11 juni 1997 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij beschikking van 19 november 1997 is kennelijk aan eiseres met ingang van 1 juli 1997 tevens een toeslag toegekend van aanvankelijk 10% en met ingang van 1 november 1997 van 20%. Naar aanleiding van een periodieke hercontrole in september/oktober 1999, waarbij aan de zijde van verweerder het vermoeden was ontstaan dat [partner], van wie eiseres sedert 1988 gescheiden van tafel en bed leeft, mogelijk bij haar zou wonen, is door de sociale recherche een onderzoek uitgevoerd naar de rechtmatigheid van de aan eiseres toegekende bijstandsuitkering. Bij besluit van 22 oktober 1999 is de uitkering van eiseres ingaande 1 oktober 1999 beëindigd. Tegen dat besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij besluit van 28 maart 2000 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat is gebleken dat eiseres over de periode van 11 juni 1997 tot en met 30 september 1999 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met haar partner [partner], waarvan zij geen of onvolledige opgave heeft gedaan op de daarvoor bestemde inkomstenformulieren. Verweerder stelt voorts dat indien het besluit op basis van de nu bekende gegevens correct zou zijn genomen, er geen recht op uitkering zou hebben bestaan gedurende de periode vanaf 1 juli 1997 tot en met 30 september 1999. Om deze reden heeft verweerder besloten het recht op uitkering van eiseres met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 1997 tot en met 30 september 1999 te herzien op grond van de artikel 65 juncto 69, derde lid, van de Abw en voor zover het betreft de periode vóór 1 juli 1997 op grond van artikel 30, tweede lid, van de oude tot 1 januari 1996 geldende Algemene Bijstandswet. Tevens vermeldt verweerder dat als gevolg van de herziening van het toekenningsbesluit eiseres over de periode van 11 juni 1997 tot en met 30 september 1999 te veel uitkering heeft ontvangen voor een bedrag van ƒ54.201,70 en dat eiseres over de terugvordering van dit bedrag en de wijze waarop dit wordt geïncasseerd nog een aparte beschikking ontvangt. Verweerder stelt tot slot dat als eiseres geen bezwaren heeft tegen deze herzieningsbeschikking, dit betekent dat de periode van de herziening en de hoogte van het terug te betalen bedrag is komen vast te staan.
Verweerder baseert zich daarbij op de resultaten van een fraudeonderzoek neergelegd in een rapport van 16 maart 2000.

In bezwaar wordt aangevoerd dat verweerders besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb nu de partner van eiseres vast verblijft op zijn boot en er van een gezamenlijke huishouding geen sprake is. Eiseres stelt zich op het standpunt dat uit het rapport van de sociale recherche blijkt dat financiële aangelegenheden van haar partner via het adres van eiseres lopen, maar dat daaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat eiseres en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden. Omdat [partner] hier te lande geen vaste woon- en verblijfplaats heeft en het voor een aantal zaken zoals de garage, de verzekering en de wagen noodzakelijk is een adres in Nederland te hebben, lopen uit praktisch oogpunt de genoemde zaken via het adres van eiseres. [Partner] gebruikt het adres van zijn broer in Maaseik (België) als postadres. Eiseres meent dat er slechts indirect bewijs van enige verwevenheid van administratieve kwesties is, maar dat daarmee nog niet is aangetoond dat eiseres en [partner] samenwonen. Een gezamenlijke huishouding zou pas aannemelijk zijn indien zou worden aangetoond dat [partner] regelmatig bij eiseres verbleef, hetgeen eenvoudig had gekund door te laten posten. Het feit dat eiseres enige administratieve zaken voor [partner] waarneemt, is niet verboden en de aanleiding daarvoor is gelegen in het feit dat zij samen een goede verstandhouding hebben. Het is echter zeker geen criterium om aan te tonen dat er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding in de zin van de Abw. Voor de verzekeringspolis van [partner] is een goede reden, te weten dat beiden langdurig hun ziektekostenverzekering bij de CZ-groep hadden ondergebracht en eiseres hoefde bij het waarnemen van de verzekeringszaken slechts met één maatschappij zaken te doen. Eiseres verwijst nog naar een uitspraak van de president van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 26 mei 1997 (JABW 1997, 150).
Bij gelegenheid van de hoorzitting wordt van de zijde van eiseres naar voren gebracht dat [partner] slechts sporadisch bij haar was en dat eiseres en [partner] elkaar onregelmatig zien. Zij leven niet met elkaar en hebben een goede verstandhouding op de momenten dat zij elkaar zien. Eiseres acht het onbegrijpelijk dat verweerder niet meer feitelijk heeft laten onderzoeken of [partner] in de genoemde periode bij eiseres leefde. Op de vraag waarom eiseres en haar partner alleen van tafel en bed zijn gescheiden, antwoordt eiseres dat een definitieve scheiding beide partners niet boeide. Haar ex-echtgenoot heeft destijds de echtelijke woning verlaten en eiseres heeft berust in de ontstane situatie. Er was geen aanleiding om de echtscheidingsprocedure te continueren.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder besloten het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren ten aanzien van een inhoudelijk motiveringsgebrek, het besluit van 28 maart 2000 op grond van artikel 6:22 van de Awb in stand te laten en het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat het besluit van 28 maart 2000 ten aanzien van de feiten en omstandigheden op basis waarvan is geconcludeerd dat er sprake is van een herstelde samenwoning onvoldoende is gemotiveerd, ofschoon in het onderzoek ter voorbereiding van de besluitvorming de feitelijke woon- en leefsituatie van eiseres wel voldoende is onderkend. Verweerder is van mening dat uit de bevindingen van de sociale recherche kan worden geconcludeerd dat er in de relevante periode sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Het niet permanent bij elkaar wonen van de beide echtgenoten leidt verweerder niet tot de conclusie dat er geen sprake meer is van een herstelde samenwoning. Verweerder weegt daarbij mee dat de partner van eiseres ook niet aangeeft waar hij dan elders zou wonen, anders dan bij eiseres. Ook bij een tijdelijk verblijf elders heeft de partner van eiseres zijn woonstede bij eiseres kennelijk niet willen opgeven. Verweerder gaat ervan uit dat indien de partner van eiseres zijn andere woon- of verblijfplaats niet kan of wil aangeven, het voor de hand ligt dat hij zijn financiële aangelegenheden niet via eiseres laat beheren. Het komt verweerder niet waarschijnlijk voor dat er in de relevante periode een goede reden aanwezig was om de financiële aangelegenheden van de partner door eiseres te laten beheren, anders dan dat er sprake is van een financiële verstrengeling als bedoeld in de Abw.
Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat posten niet meer relevante gegevens zou hebben opgeleverd omdat de partner van eiseres regelmatig in het buitenland schijnt te verblijven.
Tot slot verwijst verweerder naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 april 1999 (JABW 1999/92) [LJN ZB8214, red.] waarin door de Raad criteria zijn aangegeven wanneer gehuwden in het kader van de Abw als ongehuwden aangemerkt kunnen worden als zij duurzaam gescheiden leven.

Bij schrijven van 27 september 2000 wordt namens eiseres beroep ingesteld, waarbij wordt gesteld dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel en tevens met het evenredigheidsbeginsel. Verzocht wordt een termijn te gunnen om de gronden van dit beroepschrift aan te vullen. Bij brief van 30 oktober 2000 deelt de gemachtigde mede door eiseres niet in de mogelijkheid te zijn gesteld om het beroep met nadere gronden aan te vullen en de gemachtigde verzoekt dan ook een beslissing te nemen op het thans bestaande procesdossier en daarbij met name de in bezwaar naar voren gebrachte gronden in ogenschouw te nemen.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

Vooropgesteld zij dat de rechtbank het bestreden besluit leest als een ongegrondverklaring van de door eiseres aangevoerde grieven in bezwaar, waarbij de motivering zoals die blijkt uit het primaire besluit is aangevuld.

Uit de redactie van het bestreden besluit volgt dat verweerder, in afwijking van het bepaalde in het primaire besluit van 28 maart 2000, het recht op bijstand van eiseres over de periode van 11 juni 1997 tot en met 30 september 1999 heeft herzien op grond van het bepaalde in artikel 69, derde lid, van de Abw zoals dat artikellid luidt sedert 1 juli 1997, in samenhang met het bepaalde in artikel 65, eerste lid, van de Abw. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit ten onrechte gebaseerd op artikel 69, derde lid, van de Abw voor zover het betreft de periode voorafgaand aan 1 juli 1997. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 augustus 1999 (RSV 99/256) [LJN AA5738, red.].
Gelet op het vorenstaande is er aanleiding het beroep tegen de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de herzieningsbeslissing voor zover het betreft de gehanteerde wettelijke grondslag voor de periode voorafgaand aan 1 juli 1997 voor gegrond te houden en het bestreden besluit in zoverre te vernietigen.
Vervolgens heeft de rechtbank bezien of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand te laten. Daarvoor bestaat in beginsel aanleiding indien komt vast te staan dat met toepassing van de juiste wettelijke (jurisprudentiële) grondslag de herzieningsbeslissing materieel overeind zal kunnen blijven.

In tegenstelling tot de sedert 1 juli 1997 in artikel 69, derde lid, van de Abw opgenomen verplichting tot herziening was het met terugwerkende kracht wijzigen van in het verleden bij rechtens onaantastbaar geworden besluiten vastgestelde aanspraken onder het oude regime van zowel de Abw als de oude ABW niet geregeld. De rechtbank is van oordeel dat hier de algemene leer van de Centrale Raad van Beroep moet worden toegepast met betrekking tot het ten nadele terugkomen op rechtens onaantastbaar geworden besluiten. Uit het oogpunt van rechtszekerheid behoort de beëindiging dan wel herziening van een periodieke bijstandsuitkering in het algemeen niet eerder in te gaan dan op de datum waarop de betrokkene van het daartoe strekkende besluit heeft kunnen kennis nemen of zoveel eerder als de betrokkene van deze beëindiging dan wel herziening in kennis is gesteld. Voor het beëindigen dan wel herzien met terugwerkende kracht is in het algemeen dan ook slechts reden indien de betrokkene wist, behoorde te weten of redelijkerwijs kon vermoeden dat hem in strijd met de bij of krachtens de van toepassing zijnde bijstandswet gestelde regels een uitkering wordt verleend.
Op grond van artikel 69, derde lid, van de Abw zoals dat artikellid luidt met ingang van 1 juli 1997 en voor zover voor dit geding relevant, herzien burgemeester en wethouders een toekenningsbesluit indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat schending van de inlichtingenplicht, als neergelegd in artikel 65, eerste lid, van de Abw - zowel vóór als na 1 juli 1997- de reden is voor herziening van het recht op bijstand van eiseres over de periode van 11 juni 1997 tot en met 30 september 1999. Verweerder is daarbij van mening dat eiseres met de heer [partner] in de periode in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

Eiseres is gehuwd met (en van tafel en bed gescheiden van) de heer [partner]. Ingevolge het bepaalde in artikel 4, aanhef en onder c, van de Abw vormen zij een gezin. Op grond van artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de Abw wordt als ongehuwde (mede) aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Van duurzaam gescheiden levende echtgenoten is eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenwoning betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.
Twee echtgenoten leven niet langer duurzaam gescheiden indien zij de echtelijke samenwoning herstellen. Van herstel van de echtelijke samenwoning kan naar het oordeel van de rechtbank in het algemeen slechts sprake zijn indien de echtgenoten (wederom) hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.
De rechtbank ziet zich dan ook in het bijzonder geplaatst voor beantwoording van de vraag of eiseres en de heer [partner] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de aanwezigheid van kleding en toiletartikelen van de heer [partner] voortvloeit dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het adres van eiseres. Voorts verwijst verweerder naar het feit dat de heer [partner] een sleutel heeft van de woning van eiseres. Voor het overige baseert verweerder zich op het feit dat de heer [partner] bij de behartiging van een deel van zijn financiële belangen het adres van eiseres als postadres gebruikt en dat eiseres een deel van [partner]s administratie verzorgt.
Eiseres stelt daar tegenover dat de door verweerder bedoelde toiletartikelen niet aan de heer [partner], maar aan eiseres toebehoren. Voor de aanwezigheid van kleding van de heer [partner] geeft eiseres aan dat dat veelal maatkleding betreft die zij voor de heer [partner] bewaart omdat hij die kleding bij gebrek aan een vaste woon- of verblijfplaats niet allemaal bij zich kan houden. Dat eiseres een deel van [partner]s administratie verzorgt en toestaat dat [partner] haar adres als postadres gebruikt, verklaart eiseres uit de jarenlange (goede) verstandhouding tussen haar en de heer [partner] en uit het zwervende bestaan van de heer [partner].
Voor zover er sprake is van enige mate van financiële verstrengeling is de rechtbank van oordeel dat daaruit niet voortvloeit dat de heer [partner] in de periode in geding zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van eiseres. Dat daardoor bij verweerder een zeker vermoeden is ontstaan (of bevestigd) omtrent [partner]s verblijf bij eiseres acht de rechtbank begrijpelijk, maar daarmee is niet gezegd dat die constatering bijdraagt aan het aannemelijk maken van gezamenlijke huisvesting.
Voorts is de rechtbank niet overtuigd geraakt van de stelling van verweerder dat het in deze om toiletartikelen van de heer [partner] ging.
Voor de aanwezigheid van kleding van de heer [partner] in de woning van eiseres heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank een verklaring gegeven die niet ongeloofwaardig overkomt en waar verweerder niets overtuigends tegenover heeft gesteld.
Verweerders stelling dat bij gebrek aan kennis van de vaste woon- of verblijfplaats van de heer [partner] ervan uitgegaan moet worden dat hij dan wel bij eiseres verblijft, volgt de rechtbank niet. Die stelling miskent immers het feit (los van de vraag of dat wenselijk is) dat er mensen zijn die een zwervend bestaan verkiezen.
Verweerder erkent dat posten geen (relevante) informatie zou opleveren of zou hebben opgeleverd omdat verweerder er kennelijk met eiseres en de heer [partner] van uitgaat dat de heer [partner] meestal elders verblijft. Verweerder erkent daarmee naar het oordeel van de rechtbank dat niet is aan te tonen of niet zal kunnen worden aangetoond dat de heer [partner] zijn hoofdverblijf bij eiseres heeft. Overigens merkt de rechtbank op dat posten ook relevante informatie oplevert als uit de resultaten iets anders voortvloeit dan hetgeen verweerder tracht aan te tonen.
Ook overigens kan de rechtbank uit het geheel van feiten en omstandigheden niet afleiden dat eiseres en de heer [partner] in de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op onvoldoende gronden gesteld dat er sprake is van gezamenlijke huisvesting van eiseres en de heer [partner].
Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep van eiseres gegrond dient te worden verklaard, dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt en dat er geen aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal worden opgedragen opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, één en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 1 punt toegekend (voor het verschijnen ter zitting). Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Mitsdien wordt beslist als volgt.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres met inachtneming van het bij deze uitspraak bepaalde;
veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op ƒ710,- (zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door verweerders gemeente aan de griffier der gerechten in het arrondissement Roermond);
bepaalt dat verweerders gemeente aan eiseres het door of namens deze gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ60,- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J.J.A. Kooijman in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2001.




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op: 3 april 2001.




Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.