Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE6090
ECLI: ECLI:NL:RBALK:2002:AE6090
Instantie: Rechtbank Alkmaar
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: 01/58 NABW
Datum uitspraak: 18 april 2002
Wetsartikelen: artt. 3 en 84 Abw (= 3 en 59 Wwb) / 7:11 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; terugvordering; hoofdelijk aansprakelijke; onderhoudsplichtige; rechtsbevoegdheid; EVRM; ontvankelijkheid bezwaar
Essentie: Onterechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit gericht aan betrokkene als hoofdelijk aansprakelijke voor aan zijn echtgenote (van wie hij in de periode in geding gescheiden leefde) ten onrechte verleende bijstand wegens (vermeende) gezamenlijke huishouding met hem als onderhoudsplichtige, omdat hij, overeenkomstig het EVRM, wél rechtsbevoegd is de terugvordering te bestrijden. Hoofdelijkaansprakelijkstelling is eerst mogelijk met ingang van 31 december 1998, de datum van wijziging van artikel 84 Abw ter zake.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Alkmaar 01/58 NABW




U I T S P R A A K




op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Het besluit van verweerder van 28 november 2000.




2. Zitting


Datum: 24 januari 2002.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Wedemeijer, advocaat te Alkmaar.
Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde H. de Ruiter, ambtenaar bij verweerders gemeente.




3. Feiten die de rechtbank als vaststaand aanneemt


Bij besluit van 4 april 2000, verzonden op 3 mei 2000, heeft verweerder de bijstandsuitkering van [echtgenote], echtgenote van eiser, met ingang van 9 december 1998 ingetrokken en de in de periode 9 december 1998 tot en met 31 januari 2000 aan haar ten onrechte uitgekeerde periodieke en bijzondere bijstand ten bedrage van ƒ34.602,35 teruggevorderd.

Eveneens bij besluit van 4 april 2000, verzonden op 3 mei 2000, heeft verweerder de aan eisers echtgenote in de periode 9 december 1998 tot en met 31 januari 2000 ten onrechte uitgekeerde periodieke en bijzondere bijstand ten bedrage van ƒ34.602,35 teruggevorderd van eiser.

Tegen dit laatste besluit is namens eiser bij brief van 26 mei 2000, door verweerder ontvangen op 29 mei 2000, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 november 2000, verzonden op 6 december 2000, heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 4 januari 2001, bij de rechtbank ingekomen op die dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 januari 2001 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.




4. Bewijsmiddelen


De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.




5. Motivering


5.1. Het inhoudelijke geschil tussen partijen betreft de vraag of verweerder met recht de aan eisers echtgenote in de periode 9 december 1998 tot en met 31 januari 2000 uitgekeerde periodieke en bijzondere bijstand ten bedrage van ƒ34.602,35 terugvordert van eiser. Eerst moet de rechtbank echter de vraag beantwoorden of verweerder eisers bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.1.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eisers bezwaar zich feitelijk keert tegen verweerders besluit van 4 april 2000 waarbij met terugwerkende kracht vanaf 9 december 1998 het recht op bijstand van eisers echtgenote is ingetrokken. Bij dat besluit, stelt verweerder, is eiser volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geen belanghebbende. Daarom behoeft verweerder alleen de vragen te beantwoorden of de aan eisers echtgenote ten onrechte verstrekte bijstand op juiste gronden mede is teruggevorderd van eiser en of het nadeelbedrag juist is berekend. Deze vragen beantwoordt verweerder bevestigend. Dringende redenen om af te zien van terugvordering zijn verweerder ten slotte niet gebleken.

5.1.2. Eiser heeft in beroep - kort weergegeven - aangevoerd dat zijn bezwaar zich keerde tegen het tot hem gerichte terugvorderingsbesluit en niet tegen het intrekkings- en terugvorderingsbesluit van dezelfde datum dat gericht was aan zijn echtgenote, zodat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Verder stelt eiser dat ook hem, in deze procedure, het recht toekomt om te weerleggen dat de reden voor intrekking en terugvordering van de aan zijn echtgenote uitgekeerde bijstand - namelijk dat eiser en zijn echtgenote gedurende de betrokken periode een gezamenlijke huishouding zouden hebben gevoerd - onjuist is. Eiser licht ook toe waarom van zo'n huishouding geen sprake was en voert nader bewijs aan. Ten slotte wijst eiser erop dat hem ook ingevolge artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) in samenhang met artikel 1 van het Protocol van 20 maart 1952 bij dit verdrag het recht toekomt te bestrijden dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en dit te laten toetsen door een onpartijdige rechter.

5.1.3. Verweerder heeft de terugvordering van eiser gebaseerd op artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (hierna: de Abw).
Ingevolge artikel 84, tweede lid, van de Abw, zoals dit luidt vanaf 31 december 1998, worden, indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 65, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

5.2. Voor de beoordeling van het geschil ontleent de rechtbank aan de gedingstukken de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser en zijn echtgenote, beiden van Iraanse nationaliteit, zijn in 1981 gehuwd. Zij hebben twee kinderen. In verband met huwelijksproblemen heeft eisers echtgenote met haar jongste kind in februari 1998 de gemeenschappelijke woning aan de [adres] verlaten. Vanaf 25 november 1998 woont zij met beide kinderen aan de [adres].
Met ingang van 9 december 1998 heeft verweerder eisers echtgenote een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder, vermeerderd met een toeslag van 20% van het geldende minimumloon.
Naar aanleiding van informatie van de zijde van de gemeente Harenkarspel - inhoudende dat eiser en zijn echtgenote regelmatig samen werden gesignaleerd - heeft verweerder het Regionaal Bureau Sociale Recherche bij brief van 13 januari 1999 verzocht een onderzoek in te stellen naar frauduleus handelen. Het eindrapport van dit onderzoek is gedateerd 29 februari 2000. De conclusie ervan is dat eiser vanaf begin december 1998 zijn feitelijke hoofdverblijf in de woning van zijn echtgenote aan de [adres] had.
Bij beschikking van 9 maart 2000 heeft de Rechtbank Alkmaar, op het op 13 oktober 1999 ingekomen verzoek van eisers echtgenote daartoe, de scheiding van tafel en bed tussen eiser en zijn echtgenote uitgesproken.
Bij besluit van 4 april 2000 heeft verweerder het recht op bijstand van eisers echtgenote vanaf 9 december 1998 ingetrokken en de aan haar in de periode 9 december 1998 tot en met 31 januari 2000 uitgekeerde periodieke en bijzondere bijstand teruggevorderd.
Bij besluit van 28 november 2000, de datum waarop ook het in deze procedure bestreden besluit is genomen, heeft verweerder het bezwaar van eisers echtgenote tegen dit aan haar gerichte intrekkings- en terugvorderingsbesluit ongegrond verklaard.

5.3. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers bezwaar zich duidelijk keerde tegen het tot hem gerichte terugvorderingsbesluit. Dat eiser in bezwaar ook aanvoerde dat verweerder ten onrechte was uitgegaan van een gezamenlijke huishouding van hem en zijn echtgenote maakt dit niet anders. Het aanvoeren van argumenten die niet ter zake doen - nog daargelaten of eiser dat heeft gedaan - is geen reden om een bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Aangezien de rechtbank ook verder niet is gebleken van enige reden voor niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaar komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking omdat het is genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

5.4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, zo begrijpt de rechtbank, ook op het standpunt gesteld dat eiser de reden voor intrekking van het recht op uitkering van zijn echtgenote niet kan aanvechten. De rechtbank acht dit standpunt onjuist.

5.4.1. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geding - over de terugvordering van eiser van aan zijn echtgenote uitgekeerde bijstand - sprake van een geschil ter zake van "civil rights and obligations" in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Dit impliceert dat aan de elementaire eisen die uit artikel 6 van het EVRM voortvloeien recht moet worden gedaan. Hiertoe behoort dat "the merits of the matter" ter toetsing kunnen worden voorgelegd aan een onpartijdige rechter.

5.4.2. Terugvordering van eiser van de aan eisers echtgenote uitgekeerde bijstand is, gezien artikel 84, tweede lid, van de Abw, alleen mogelijk indien sprake is van ten onrechte gemaakte kosten van bijstand. De vraag of er sprake is van ten onrechte aan eisers echtgenote uitgekeerde bijstand behoort naar het oordeel van de rechtbank dan ook tot "the merits of the matter". Dat hierover al bij een ander besluit is beslist - namelijk bij het tot eisers echtgenote gerichte intrekkingsbesluit, waarbij eiser niet als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is aan te merken - maakt dit niet anders. Juist omdat eiser geen belanghebbende in hiervoor bedoelde zin is bij dat intrekkingsbesluit, is hij niet in de gelegenheid om de vraag of er sprake is van ten onrechte aan zijn echtgenote uitgekeerde bijstand in een procedure over dat intrekkingsbesluit ter toetsing voor te leggen aan de rechter.

5.4.3.  Uit het voorgaande volgt dat nu eiser het in geding zijnde terugvorderingsbesluit aanvecht, hij daarbij de vraag aan de orde mag stellen of er wel sprake is van ten onrechte gemaakte kosten van bijstand. Als vervolgens moet worden geoordeeld dat dat niet het geval is, komt daarmee de grondslag aan het tot hem gerichte terugvorderingsbesluit te ontvallen.
Verweerder zal bij het opnieuw besluiten op eisers bezwaar dus ook aandacht moeten besteden aan hetgeen eiser op dit punt aanvoert. Nu verweerder heeft nagelaten dat te betrekken bij de heroverweging die tot het bestreden besluit heeft geleid, is het bestreden besluit ook in zoverre genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

5.5. De rechtbank merkt overigens op dat verweerder voor de intrekking van het recht op bijstand van eisers echtgenote ten onrechte van belang heeft geacht dat eiser en zijn echtgenote gedurende de betrokken periode een gezamenlijke huishouding zouden hebben gevoerd. De rechtbank verwijst hier naar haar uitspraak van heden, reg.nr. 00/1964 NABW, inzake het geschil tussen eisers echtgenote en verweerder over de intrekking van het recht op bijstand van eisers echtgenote en de terugvordering van ten onrechte uitgekeerde bijstand (die uitspraak is aan deze uitspraak gehecht).

5.6. In de tot 31 december 1998 geldende tekst van artikel 84, tweede lid, van de Abw ontbraken de woorden "aan gehuwden". Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep - de rechtbank verwijst naar de uitspraak van 10 april 2001, RSV 2001, 142 - biedt de tot 31 december 1998 geldende tekst van artikel 84, tweede lid, van de Abw geen basis voor terugvordering mede van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand geen rekening is gehouden in gevallen dat naar de norm voor een alleenstaande ouder gezinsbijstand is verleend. Gezinsbijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is immers ook gezinsbijstand. Aan de voorwaarde voor toepassing van deze bepaling is dus niet voldaan omdat het verlenen van gezinsbijstand niet achterwege is gebleven.
De toevoeging van "aan gehuwden" in de tekst van deze bepaling heeft dit anders gemaakt. Aan de voorwaarde voor toepassing is, anders dan daarvoor, vanaf 31 december 1998 voldaan indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dat achterwege is gebleven.

5.6.1. Vaststaat dat eisers echtgenote van 9 december 1998 tot en met 31 januari 2000 gezinsbijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder heeft ontvangen. Terugvordering ingevolge artikel 84, tweede lid, van de Abw is, gelet op het voorgaande, pas mogelijk vanaf 31 december 1998. Verweerder heeft dus ten onrechte de aan eisers echtgenote in de periode 9 tot 31 december 1998 uitgekeerde bijstand van eiser teruggevorderd.

5.6.2. Het bestreden besluit komt daarom ook voor vernietiging in aanmerking omdat het is genomen in strijd met artikel 84 van de Abw.

5.7. Gezien de overwegingen hiervoor is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd omdat het is genomen in strijd met de artikelen 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht en 84 van de Abw.

5.8. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op €644,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hierbij heeft de rechtbank met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij dit besluit zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting 1 punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.




6. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op eisers bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- gelast dat de gemeente aan eiser het voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht van €27,23 (ƒ60,-) vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de door eiser voor de behandeling van zijn beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van €644,-;
- wijst de gemeente Schagen aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;
- bepaalt dat de betaling van het griffierecht en de proceskosten dient te worden gedaan aan eiser.

Aldus gewezen door mr. M. Kraefft, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Verweel als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2002 door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Lauryssen als griffier.

De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer,




Verzonden op: 30 juli 2002.




Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.