Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AF1081
ECLI: ECLI:NL:RBZUT:2002:AF1081
Instantie: Rechtbank Zutphen
Soort procedure: voorlopige voorziening en beroep
Zaaknummers: 02/1355 en 02/1400
Datum uitspraak: 6 november 2002
Wetsartikelen: art. 3 Abw (= 3 Wwb)
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige; beëindiging bijstand; wederzijdse zorg; financiële verstrengeling; intrekking verklaring; sociale recherche
Essentie: Terechte beëindiging bijstand wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding, omdat (onder meer) sprake is van wederzijdse verzorging en financiële verstrengeling en het inkomen meer bedraagt dan de gehuwdennorm. Indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, mag van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan, tenzij is gebleken dat die verklaring niet in vrijheid is afgelegd, waarvan i.c. geen sprake is.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak voorzieningenrechter Rechtbank Zutphen 02/1355 en 02/1400




U I T S P R A A K




op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], verzoekster/eiseres, hierna: eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, verweerder.




1. Bestreden besluit


Besluit van verweerder van 25 september 2002, houdende ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres gericht tegen het besluit van 13 augustus 2002, waarbij verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 juni 2002 heeft beëindigd.




2. Procesverloop


Namens eiseres heeft mr. M.J. van Dijk, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Zutphen, bij brief van 2 oktober 2002 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 25 september 2002 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 25 oktober 2002, alwaar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J. te Hennepe, bijgestaan door [naam sociaal rechercheur], sociaal rechercheur.




3. Motivering


Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van die bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.

Verweerder heeft aan de beëindiging van de bijstandsuitkering per 1 juni 2002 ten grondslag gelegd dat uit onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert met de heer [X] (hierna: [X]) en diens inkomsten meer bedragen dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Verweerder heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan hetgeen eiseres heeft verklaard tijdens het vierde verhoor door de sociale recherche.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Eiseres heeft erop gewezen dat zowel zij als [X] beschikken over een eigen woning en dat niet is gebleken dat zij gezamenlijk hoofdverblijf in één der beide woningen hebben.
Tevens heeft zij bestreden dat er sprake is van wederzijdse verzorging. Voorts heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte waarde heeft toegekend aan haar verklaringen zoals weergegeven in het proces-verbaal van het vierde verhoor.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Eiseres heeft volgens het proces-verbaal tijdens het vierde verhoor uiteindelijk verklaard - samengevat - dat zij al gedurende één jaar met [X] samenwoont in twee huizen, dat zij het laatste jaar iedere nacht bij elkaar slapen, afwisselend in elkaars woningen, dat zij ook overdag heel veel bij elkaar zijn, met name in de woning annex praktijkruimte van [X] te [woonplaats], waarbij eiseres ook werkzaamheden verricht in de praktijk (voor natuurgeneeswijzen) van [X].

Met betrekking tot de vraag of verweerder op deze verklaringen, zoals opgenomen in het mede door eiseres ondertekende proces-verbaal, heeft mogen afgaan, moet voorop worden gesteld dat volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een politiefunctionaris en/of een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan, tenzij is gebleken dat de eerste verklaring niet in vrijheid is afgelegd.

Aannemelijk is dat eiseres als gevolg van vermoeidheid en ongerustheid over de opvang van haar zoon onder een zekere druk heeft gestaan tijdens het vierde verhoor, maar deze omstandigheden zijn onvoldoende om aan te nemen dat eiseres haar verklaringen niet in vrijheid heeft afgelegd. Voorts is het niet aannemelijk dat eiseres, wier moedertaal Engels is, als gevolg van onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal verklaringen heeft afgelegd die niet overeenkwamen met haar bedoelingen. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat eiseres - ook na consultatie van haar gemachtigde, die, zo bleek ter zitting, door eiseres tussen het derde en het vierde verhoor in het Nederlands werd geconsulteerd - geen bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat de verhoren in de Nederlandse taal werden afgenomen. Bovendien heeft de sociaal rechercheur [naam sociaal rechercheur], die de verhoren mede heeft afgenomen, ter zitting verklaard dat hem niet is gebleken dat eiseres de gestelde vragen en hetgeen zij in antwoord daarop heeft verklaard niet goed zou hebben begrepen. Voorts zijn er - mede gelet op het verhandelde ter zitting - onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de schriftelijke weergave van de verklaringen van eiseres onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel dat deze weergave door andere oorzaken inhoudelijk niet overeenkomt met hetgeen door eiseres mondeling is verklaard.
Eiseres kan derhalve niet worden gevolgd in haar standpunt dat aan haar verklaringen, zoals weergegeven in het proces-verbaal, geen waarde had mogen worden toegekend.

Met betrekking tot de vraag of verweerder terecht heeft aangenomen dat sprake is van hoofdverblijf in dezelfde woning, heeft te gelden dat daarvan volgens vaste rechtspraak van de CRvB (onder meer uitspraak van 20 juni 2000, JABW 2000/130) ook sprake kan zijn in het geval dat betrokkenen ieder beschikken over afzonderlijke woonruimte. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.

In het onderhavige geval is redelijkerwijs aannemelijk dat zich een situatie van samenwoning voordoet door de wijze waarop van beide woningen gebruik wordt gemaakt. Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van eiseres valt immers af te leiden dat eiseres en [X] reeds een jaar lang de avonden en nachten gezamenlijk afwisselend in de ene of de andere woning doorbrengen en overdag meestal gezamenlijk verblijven in met name de woning annex praktijkruimte van [X]. Hierbij is ook van belang dat eiseres, naar zij tijdens het vierde verhoor heeft verklaard, een sleutel heeft van de praktijk van [X] en deze een sleutel heeft van haar woning. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat de overige bevindingen van de sociale recherche, verkregen uit observaties en verhoren van derden, het beeld van feitelijke samenwoning bevestigen, waarbij verder nog van belang is dat eiseres en [X] sommige weekeinden gezamenlijk doorbrengen in de stacaravan van [X] te [plaats]. De omstandigheid dat bij onderzoek in de woning van eiseres geen eigendommen van [X] zijn aangetroffen en zich - naar eiseres onweersproken heeft gesteld - in de woning van [X] geen eigendommen van haar bevinden, is van onvoldoende gewicht om niet aannemelijk te achten dat sprake is van een feitelijke situatie van samenwoning.
Verweerder heeft derhalve terecht geconcludeerd dat wordt voldaan aan het vereiste van gezamenlijke huisvesting in de zin van artikel 3, derde lid, van de Abw.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder eveneens met juistheid geconcludeerd dat sprake is van wederzijdse verzorging in de zin van deze bepaling. In dit verband is van belang dat uit de verklaringen van eiseres tijdens het vierde verhoor (onder meer) blijkt dat zij vrijelijk kon beschikken over de auto van [X] zonder dat zij daarvoor (met inbegrip van de brandstof) een vergoeding verschuldigd was, dat [X] wel eens kleding kocht voor de zoon van eiseres en diens zwemlessen betaalde, dat het [X] was toegestaan om de zoon van eiseres van school op te halen (hetgeen bij de school bekend was), dat [X], als hij bij eiseres verbleef, meeat zonder daarvoor een vergoeding te betalen, dat eiseres kon gebruik maken van de stacaravan van [X] zonder dat zij aan hem een vergoeding was verschuldigd en ten slotte dat eiseres en [X] ieder ongeveer de helft van de kosten van de huishouding betaalden.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder de bijstandsuitkering van eiseres terecht en op goede gronden per 1 juni 2002 heeft beëindigd. Het beroep is derhalve ongegrond. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.




4. Beslissing


De voorzieningenrechter,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen de uitspraak in de hoofdzaak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.




[NB: Deze uitspraak is bevestigd door de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 20 juli 2004, LJN AS8223, red.]