Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2013:2042
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 11/5202 WWB
Datum uitspraak: 15-10-2013
Wetsartikelen: artt. 3, 17, 54, 58 en 80 Wwb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Het centrum van het dagelijks leven van betrokkene bevond zich in en rond de woning van appellante in de periode in geding. Eerst geruime tijd nadien heeft appellante gemeld dat zij wordt gestalkt door betrokkene en dat hij haar woning niet wil verlaten als zij hem daarom verzoekt.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 11/5202 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 juli 2011, 11/597 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college).

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.W. Langereis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2013. Voor appellante is verschenen mr. Langereis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.P. Ebbinge.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is tot 10 augustus 2009 gehuwd geweest met [naam P.] ([P.]). Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. Vanaf 1 juli 2008 ontving appellante aanvullende bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van de gemeente [woonplaats] sinds 19 oktober 2000 geregistreerd op het adres [Adres A.]. In de GBA is tevens geregistreerd dat [P.] van 19 oktober 2000 tot 15 oktober 2005 op ditzelfde adres ingeschreven heeft gestaan en sinds 24 februari 2009 met onbekende bestemming is vertrokken.

1.2. Naar aanleiding van bij het college gerezen twijfel omtrent de woonsituatie van appellante heeft een fraudeconsulent een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn waarnemingen uitgevoerd in de omgeving van de woning van appellante, is een huisbezoek afgelegd en hebben appellante en [P.] verklaringen afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 9 september 2010.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 20 september 2010 de bijstand van appellante met ingang van 23 juni 2010 te beëindigen (lees: in te trekken) en de over de periode van 23 juni 2010 tot en met 31 augustus 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 737,62 van appellante terug te vorderen. Tevens is medegedeeld dat de betaalbaarstelling van de bijstand met ingang van 1 september 2010 is beëindigd. Bij beslissing op bezwaar van 20 januari 2011 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het besluit van 20 september 2010 in zoverre gewijzigd dat de bijstand van appellante met ingang van 20 september 2010 wordt beëindigd, de bijstand over de periode van 24 juli 2010 tot en met 20 september 2010 wordt ingetrokken en de over de periode van 24 juli 2010 tot en met 31 augustus 2010 gemaakte kosten van bijstand van appellante worden teruggevorderd. Het terugvorderingsbedrag is niet gewijzigd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan aan het college melding te maken, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [P.] op het adres van appellante en daarom geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Zij heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Zij heeft geen gezamenlijke huishouding gevoerd met [P.]. Er was geen sprake van vrijwillig samenwonen maar van een haar door [P.] opgedrongen verblijf van hem in haar woning. [P.] stalkte haar en wilde haar woning niet verlaten. Vanwege de hieruit voortvloeiende spanningen heeft zij zich niet tegen [P.] kunnen verzetten. Gelet hierop en gelet op haar ernstige psychische problemen zijn de gevolgen van een terugvordering en de hieruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting onevenredig voor appellante.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De hier te beoordelen periode loopt van 24 juli 2010 tot en met 20 september 2010.

4.2. Op grond van artikel 3, vierde lid, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.

4.3. Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en [P.] kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of zij ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd bepalend of zij hun hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verklaringen van appellante en [P.], in onderlinge samenhang bezien, een toereikende grondslag opleveren voor de conclusie dat [P.] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Appellante en [P.] hebben beiden verklaard dat [P.] sinds maart 2010 dagelijks bij appellante en hun kinderen is in verband met de verzorging van de kinderen. Daarnaast heeft appellante verklaard dat [P.] de kinderen ’s middags uit de opvang haalt, dan thuisbrengt en hij in haar woning eet. [P.] heeft verklaard dat hij geen eigen woonruimte heeft, ’s morgens vanaf het adres van appellante naar zijn werk in [woonplaats] gaat, daarvoor nog een krantenwijk doet en ’s avonds rond 11 uur weer vertrekt. In aanmerking genomen dat uit de verklaringen van appellante en [P.] blijkt dat in de periode in geding het centrum van het dagelijks leven van [P.] zich bevond in en rond de woning van appellante, komt geen betekenis toe aan het feit dat [P.] niet heeft aangegeven waar hij tussen 11 uur ’s avonds en 5 - 6 uur ’s morgens verbleef.

4.6. De stelling van appellante dat sprake was van een haar door [P.] opgedrongen verblijf in haar woning, doet aan het gezamenlijk hoofdverblijf niet af. Ditzelfde geldt voor de door appellante overgelegde brief van de wijkagent van het maatschappelijk werk van 5 juni 2011. Bovendien blijkt uit deze brief dat appellante eerst eind mei 2011 heeft gemeld dat zij wordt gestalkt door [P.] en dat hij haar woning niet wil verlaten als zij hem daarom verzoekt.

4.7. Uit 4.5 en 4.6 volgt dat appellante en [P.] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd, waarvan appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt aan het college. Als gevolg hiervan had appellante in de hier te beoordelen periode niet als zelfstandig subject van bijstand recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Hieruit volgt dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante met ingang van 24 juli 2010 in te trekken. Appellante heeft de uitoefening van de intrekkingsbevoegdheid door het college niet bestreden.

4.8. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.7 was het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de kosten van de aan appellante over de periode van 24 juli 2010 tot en met 31 augustus 2010 verleende bijstand van appellante terug te vorderen. Het college voert het beleid dat, behoudens dringende redenen, steeds van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt. Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene zou leiden. Hetgeen appellante heeft aangevoerd over de ongewenste gevolgen van de terugvordering vormt niet een dringende reden in deze zin op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Hierbij komt dat appellante de bescherming heeft van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.9. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking. Gelet hierop dient het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en W.F. Claessens en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Sahin




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.