Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2015:425
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 13/6562 WWB-T
Datum uitspraak: 17-02-2015
Wetsartikelen: artt. 7, 17, 31, 53a, 54 en 58 Wwb / 3:2, 7:12 en 8:51d Awb
Essentie: Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellante inkomsten heeft gehad uit het fokken van, handelen in en het laten dekken van honden, waarvan zij aan het college geen opgave heeft gedaan. Anders dan het college heeft aangevoerd, is er geen sprake van een onderzoek door een privaat bedrijf dat is uitgevoerd onder gezag en aansturing van de gemeente en dat louter vanwege gespecialiseerde expertise ingehuurd is. Het college heeft kerntaken, die binnen het publieke domein dienen te worden uitgevoerd, uitbesteed aan een privaat bedrijf. Dit leidt ook in dit geding tot de conclusie dat het college de onderzoeksbevindingen heeft verkregen in strijd met artikel 7, vierde lid, van de Wwb. Van dit onrechtmatig verkregen bewijs moet ook in dit geval worden gezegd dat het gebruik ervan door het college zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 13/6562 WWB-T




T U S S E N U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 oktober 2013, 13/3145 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats], Engeland (appellante),

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben stukken ingediend.

Naar aanleiding van de door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden heeft de Raad partijen erop gewezen dat ter zitting de uitspraak van de Raad van 16 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2947 inzake de gemeente Amstelveen bij de behandeling zal worden betrokken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2014. Namens appellante is mr. Mes verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Timmermans, mr. L. van Hee, C. van Gulik (Van Gulik) en N. Terweijde.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft met ingang van 1 november 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ontvangen.

1.2. Naar aanleiding van een telefonische melding dat appellante zich onder meer bezig houdt met het fokken van honden en dat zij inkomsten heeft uit de verkoop en het dekken van honden heeft het college een onderzoek laten instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft een medewerkster van het door de afdeling Werk Inkomen en Zorg van de gemeente Lelystad ingeschakelde bedrijf SV Land (SVL) dossieronderzoek gedaan, een administratief vooronderzoek verricht, bankafschriften bij appellante opgevraagd, gegevens opgevraagd bij een reisbureau en een dierenarts, verklaringen van getuigen opgenomen en appellante gehoord. De bevindingen van het onderzoek, vergezeld van een advies, zijn door de medewerkster van SVL neergelegd in een rapport van 13 augustus 2012.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 14 september 2012 de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2010 in te trekken. Bij besluit van 18 september 2012 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 november 2010 tot en met 31 december 2011 tot een bedrag van € 19.053,85 bruto en over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 juli 2012 tot een bedrag van € 6.455,19 netto, tezamen € 25.509,04, van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 8 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 14 september 2012 en 18 september 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante vanaf 1 november 2010 inkomsten heeft gehad uit het fokken van, handelen in en het laten dekken van honden, waarvan zij aan het college geen opgave heeft gedaan. Voorts heeft appellante niet duidelijk gemaakt hoe zij de kosten van deelname aan hondenshows, reiskosten naar Engeland en de facturen van de dierenarts heeft kunnen betalen. Door de schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand van appellante ten tijde hier van belang niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij primair aangevoerd dat de onderzoeksgegevens op onrechtmatige wijze zijn verkregen en dat het gebruik van die gegevens daarom ontoelaatbaar is. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat niet zij, maar [B.] eigenaar was van de puppies en dat zij slechts een bemiddelende rol heeft gespeeld. Ten slotte heeft appellante het oordeel van de rechtbank betwist dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gemaakte winst zo laag was dat dit niet van invloed was op de bijstandsverlening.

3.2. Het college heeft bestreden dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs en dat het de onderzoeksbevindingen van de medewerkster van SVL niet aan de besluiten tot intrekking en terugvordering ten grondslag had mogen leggen. Volgens het college heeft de gemeente Lelystad geen werk uitbesteed aan SVL. Het ging slechts om inhuur van specialistische expertise onder gezag en aansturing van de gemeente, waarbij de gemeente te allen tijde de regie voert en eindverantwoordelijk is voor de handhavingspraktijk. De wijze waarop in Lelystad gebruik wordt gemaakt van SVL is daarom onvergelijkbaar met die in Amstelveen waarin de gehele handhaving aan SVL was uitbesteed.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is primair in geschil of de onderzoeksbevindingen waarop het bestreden besluit berust als onrechtmatig verkregen bewijs moeten worden aangemerkt, waarvan het gebruik door het college ontoelaatbaar moet worden geacht.

4.2. In zijn uitspraak van 16 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2947 heeft de Raad overwogen dat uit de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 7, vierde lid, van de WWB, gezien in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, valt af te leiden dat de wetgever de kerntaken van de uitvoering van de WWB als uitdrukkelijke opdracht aan het college heeft geformuleerd en dat die niet kunnen worden uitbesteed aan private bedrijven, zoals SVL. Tot de kerntaken moeten worden gerekend het nemen van besluiten inzake de bijstandverlening, de individuele gevalsbehandeling, de beoordeling van de aanspraak en de afweging van individuele omstandigheden, de opsporing en de verificatie en validatie van voor de bijstand relevante gegevens, bijvoorbeeld door middel van vergelijking in geautomatiseerde bestanden. Voorts heeft de Raad overwogen dat de uitoefening van de in artikel 53a van de WWB neergelegde onderzoeksbevoegdheid en van de in artikel 17 van de WWB opgenomen bevoegdheid om inlichtingen en medewerking van de bijstandsgerechtigde te verlangen, bij wet zijn opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders. De uitoefening van deze bevoegdheden kan ertoe leiden dat diep wordt doorgedrongen in de persoonlijke levenssfeer van de bijstandsgerechtigde.

4.3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat SVL op 23 juni 2011 aan het college een offerte heeft uitgebracht inzake het project Programmatisch Handhaven. Het college heeft geheel overeenkomstig deze offerte met SVL een ’no cure no pay’-overeenkomst gesloten, die telkens is verlengd. Op basis van deze overeenkomst verricht SVL onderzoek naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand in de door medewerkers van de gemeente Lelystad geselecteerde dossiers. De medewerkers van SVL zijn niet direct of indirect op grond van een arbeidsovereenkomst bij de gemeente Lelystad werkzaam. In dit geval was het onderzoek gericht op werkzaamheden en inkomsten van appellante in verband met het fokken van honden. Daarbij heeft de medewerkster van SVL zich tegenover appellante gepresenteerd als handhavingsmedewerker met een pasje van de gemeente Lelystad. Ook Van Gulik, die ter zitting heeft verklaard dat hij als zzp-er het onderzoek inzake appellante heeft ondersteund, heeft zich als zodanig gepresenteerd.

4.4. De medewerkster van SVL heeft, deels ondersteund door Van Gulik, onder meer getuigen gehoord, bankafschriften opgevraagd bij appellante en gegevens opgevraagd bij een dierenarts en een reisbureau, appellante gehoord en geadviseerd de bijstand van appellante vanaf 1 november 2010 in te trekken en terug te vorderen. Voor het standpunt van het college dat in dit geval geen sprake is geweest van uitbesteden van werk, maar dat louter gespecialiseerde expertise is ingehuurd die onder gezag en aansturing van de gemeente werkzaam is geweest en waarover de gemeente te allen tijde de regie heeft gevoerd, is in de gedingstukken geen steun te vinden. Op grond van de overeenkomst tussen het college en SVL gaan de medewerkers van SVL zelfstandig te werk. De medewerkster van SVL heeft gebruik gemaakt van een legitimatiebewijs van de gemeente Lelystad, informatie bij derden opgevraagd op briefpapier van de gemeente Lelystad waarbij zij zich heeft gepresenteerd namens het college en een rapport uitgebracht, waarvan de aanhef luidt: "Gemeente Lelystad afdeling Werk Inkomen en Zorg". Uit dit rapport blijkt geenszins dat medewerkers van genoemde afdeling daadwerkelijk enige aansturing hebben verricht. Van tussentijdse voortgangsrapportages, waaruit kan worden afgeleid dat van de zijde van het college de regie werd gevoerd over het verrichte onderzoek, is niet gebleken. Dat de betreffende medewerker van SVL in dit geval zelfstandig werkzaam is geweest, kan bovendien worden afgeleid uit het door haar, namens het college, op 1 augustus 2012 genomen besluit om de bijstand van appellante met ingang van die datum op te schorten. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat, zoals ter zitting desgevraagd verklaard, het opschortingsbesluit abusievelijk door de medewerkster van SVL is genomen in plaats van door een medewerker van de gemeente namens het college. Het standpunt van het college dat de omstandigheden in de gemeente Lelystad onvergelijkbaar zijn met die van de gemeente Amstelveen omdat in die gemeente de handhavingstaak in het kader van de WWB geheel was uitbesteed aan SVL, wat daar overigens ook van zij, doet niet af aan het feit dat het college de hiervoor geschetste kerntaken, die binnen het publieke domein dienen te worden uitgevoerd, heeft uitbesteed aan het private bedrijf SVL. Dit leidt ook in dit geding tot de conclusie dat het college de onderzoeksbevindingen heeft verkregen in strijd met artikel 7, vierde lid, van de WWB. Van dit onrechtmatig verkregen bewijs moet ook in dit geval worden gezegd dat het gebruik ervan door het college zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet draagkrachtig is gemotiveerd. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Daartoe is van belang dat de gemachtigde van het college ter zitting heeft verklaard dat het college niet kan uitsluiten dat nader onderzoek voldoende rechtmatig bewijs kan opleveren om daarop de intrekking en terugvordering van de bijstand van appellante te baseren. Gelet op dit standpunt bestaat thans nog onvoldoende reden om de besluiten van 14 september 2012 en 18 september 2012 te herroepen. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het college op te dragen het geconstateerde gebrek te herstellen. Daarbij tekent de Raad aan dat het herstellen van dit gebrek ook kan inhouden dat het college de bezwaren tegen de besluiten van 14 september 2012 en 18 september 2012 alsnog gegrond verklaart en die besluiten herroept.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het besluit van 8 mei 2013 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en J.F. Bandringa en C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M.S. Boomhouwer