Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2015:1370
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 14/332 WWB
Datum uitspraak: 21-04-2015
Wetsartikelen: artt. 3, 54, 58 en 80 Wwb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering omdat appellant, zonder daarvan melding te maken bij het college, een gezamenlijke huishouding voert met betrokkene die op het uitkeringsadres in een toercaravan woont. De Raad oordeelt dat de toercaravan in de gegeven omstandigheden niet als een zelfstandige woning kan worden aangemerkt, maar moet worden beschouwd als een uitbreiding van, dan wel bijgebouw bij, de woning op het uitkeringsadres. Hierbij is van belang dat de toercaravan niet is aangesloten op nutsvoorzieningen en dus niet kan worden bewoond zonder de elementaire voorzieningen van elders, in dit geval van de woning van appellant, daarbij te betrekken.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 14/332 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 januari 2014, 13/767 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het college van burgemeester en wethouders van Meppel (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015. Appellant, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het college, daartoe eveneens opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Niemer en B. Dijkstra.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 29 mei 2005 bijstand ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant was ten tijde in geding woonachtig op het [adres nr.] 9 te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2. Op 27 april 2012 heeft een medewerker van de afdeling burgerzaken van de gemeente Meppel aan de afdeling sociale zaken van die gemeente (afdeling) gemeld dat de woonwagen op het [adres nr.] 11 te [woonplaats] (naastliggende adres) is afgebrand en dat bij de afdeling burgerzaken twijfels zijn gerezen over de bewoning van dit adres door [O.] (O). Naar aanleiding van deze melding heeft de consulent handhaving van de afdeling geconstateerd dat de percelen op het uitkeringsadres en het naastliggende adres (samen: terrein) zijn samengevoegd tot één terrein en dat het terrein is omheind met een hekwerk. Op het terrein is één woonwagen geplaatst en aan de voorzijde bevinden zich twee brievenbussen.

1.3. Vervolgens heeft de sociale recherche IJssel-Vechtstreek (sociale recherche) op verzoek van het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, diverse instanties, waaronder het waterbedrijf Vitens en het energiebedrijf Electrabel, om inlichtingen verzocht, bankafschriften onderzocht, een getuige gehoord en appellant en O verhoord. Uit dit onderzoek is onder andere naar voren gekomen dat op het terrein naast de woonwagen van appellant omstreeks 25 mei 2012 een toercaravan is geplaatst en dat op het naastliggende adres geen nutsvoorzieningen aanwezig zijn. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 maart 2013.

1.4. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 15 april 2013 (besluit 1) de aanvraag van appellant om een bijdrage uit het Fonds Deelname Maatschappelijke Activiteiten en de aanvraag om een langdurigheidstoeslag af te wijzen. Tevens heeft het college bij besluit van 16 april 2013 (besluit 2) het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2008 ingetrokken en bij besluit van 22 april 2013 (besluit 3) de over de periode van 1 februari 2008 tot 1 februari 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 31.264,98 van hem teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, zonder daarvan melding te maken bij het college, een gezamenlijke huishouding voert met O op het uitkeringsadres.

1.5. Bij besluit van 4 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard en de bezwaren tegen de besluiten 2 en 3 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat de bijstand wordt ingetrokken met ingang van 25 mei 2012 en de terugvordering wordt beperkt tot de periode van 25 mei 2012 tot 1 februari 2013 en het terugvorderingsbedrag wordt vastgesteld op een bedrag van € 5.806,98.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat de toercaravan als zelfstandige woning moet worden beschouwd. De onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende grondslag voor de conclusie dat appellant en O in de te beoordelen periode hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en evenmin dat er sprake was van wederzijdse zorg.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De hier te beoordelen periode loopt van 25 mei 2012 tot en met 16 april 2013 (te beoordelen periode).

4.2.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2.2. Ingevolge artikel 3, zesde lid, van de WWB wordt onder een woning mede verstaan een woonwagen of woonschip.

4.3. Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellant en O stonden in de te beoordelen periode op afzonderlijke adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556.

4.4. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor het oordeel dat appellant en O in de te beoordelen periode beiden hoofdverblijf hebben gehad in de woning op het uitkeringsadres.

4.4.1. Niet in geschil is dat appellant zijn hoofdverblijf heeft in zijn woonwagen, die gelet op de onder 4.2.2 weergegeven bepaling moet worden aangemerkt als zijn woning en die zich bevindt op het uitkeringsadres. Appellant stelt dat O in de te beoordelen periode verbleef in de toercaravan.

4.4.2. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de toercaravan in de gegeven omstandigheden niet als een zelfstandige woning kan worden aangemerkt, maar moet worden beschouwd als een uitbreiding van, dan wel bijgebouw bij, de woning op het uitkeringsadres. Hierbij is van belang dat de toercaravan niet is aangesloten op nutsvoorzieningen en dus niet kan worden bewoond zonder de elementaire voorzieningen van elders, in dit geval van de woning van appellant, te betrekken. Dat heeft het college aannemelijk gemaakt met het volgende.

4.4.3. Op 26 februari 2013 heeft O ten overstaan van de sociale recherche een verklaring afgelegd. O heeft onder meer verklaard dat de elektriciteit- en wateraansluiting op het uitkeringsadres op haar naam zijn gesteld, dat zij gebruik maakt van deze voorzieningen en dat de rekeningen door haar worden voldaan. Ook de aansluiting bij KPN op dit adres is op haar naam gesteld en wordt door haar betaald. Voorts heeft zij verklaard dat zij meestal in de woonwagen van appellant verblijft en daar tevens haar bezoek ontvangt. Na de brand in haar eigen woonwagen in 2007 heeft zij haar spullen in de woonwagen van appellant geplaatst. De natte cel behorend bij het naastliggende adres is niet aangesloten op water en wordt door O gebruikt als opslag.

4.4.4. Eerst ter zitting in hoger beroep heeft appellant gesteld dat O geen gebruik maakte van de elektriciteit- en wateraansluitingen op het uitkeringsadres, maar water haalde bij de buren en voor de elektriciteitsvoorziening (mogelijk) gebruik maakte van een generator. Gelet op de onder 4.4.3 vermelde verklaring van O en de omstandigheid dat O bij de nutsbedrijven als afnemer op het uitkeringsadres geregistreerd staat, is deze stelling, los van het feit dat appellant hiervoor geen enkele onderbouwing heeft geleverd, te zwak om tot een ander oordeel te komen.

4.5. Uit 4.4 volgt dat appellant en O in de te beoordelen periode hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van appellant op het uitkeringsadres, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in de zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.6. Anders dan appellant heeft betoogd, bieden de onderzoeksresultaten eveneens voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat in de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg. Hierbij is van belang dat de nutsvoorzieningen op het uitkeringsadres op naam van O zijn gesteld en dat zij de rekeningen voldoet. Voorts heeft appellant tegenover de sociale recherche bevestigd dat het interieur in zijn woonwagen van O is, dat hij af en toe op het kind van O past en dat O bezoek mag ontvangen in zijn woonwagen. O heeft verklaard dat haar wasmachine bij appellant staat, dat zij de was voor beiden doet en dat zij tevens de maaltijden verzorgt.

4.7. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant en O in de te beoordelen periode met elkaar een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres, zodat, nu appellant daarvan in strijd met de inlichtingenverplichting geen mededeling heeft gedaan aan het college, het college bevoegd was tot intrekking van het recht op bijstand van appellant en terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand. Gelet op het voorgaande heeft het college tevens de aanvraag van appellant om een langdurigheidstoeslag terecht afgewezen, nu appellant als gevolg van de vastgestelde gezamenlijke huishouding niet voldeed aan de (inkomens)voorwaarden. Dit geldt eveneens voor de afwijzing van de aanvraag om een bijdrage op grond van de - op artikel 8 van de WWB gebaseerde - Verordening Fonds Deelname Maatschappelijke Activiteiten.

4.8. Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C.M.A.V. van Kleef




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.