Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2015:3662
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 14/2105 WWB
Datum uitspraak: 06-10-2015
Wetsartikelen: artt. 3, 17, 53a, 54, 58, 59 en 80 Wwb / 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Intrekking en (mede)terugvordering van onder meer de bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Appellant heeft een huisbezoek geweigerd. De Raad oordeelt dat in het midden kan blijven of appellant op de gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek is gewezen omdat, ook als dat niet zo zou zijn, niet is gebleken dat appellant daarvan nadeel heeft ondervonden. Hij was immers al op de hoogte van zijn rechten en verplichtingen ten aanzien van het voorgenomen huisbezoek en de gevolgen van het niet nakomen van die verplichtingen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 14/2105 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 maart 2014, 13/753 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 14/1810 WWB. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Dijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Blokzijl. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 29 oktober 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. [naam G] (G) ontving vanaf 1 augustus 2006 bijstand op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Appellant staat vanaf 22 oktober 2008 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans: basisregistratie personen (BRP), ingeschreven op het adres [adres a] te [woonplaats]. Op 12 maart 2009 staat appellant ingeschreven op het adres [adres b] te [woonplaats] . Op 22 juni 2009 is appellant met onbekende bestemming vertrokken. Op 18 oktober 2010 is appellant ingeschreven op het adres [adres a] te [woonplaats] . Op genoemde adressen stond appellant met een postadres ingeschreven. Naar aanleiding van een anonieme tip op 17 januari 2012 dat appellant al zes jaar samenwoont met G, heeft de sociale recherche van de dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente [woonplaats] onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan G verleende bijstand. Hierbij heeft een sociaal rechercheur G gehoord op 21 en 22 januari 2013, heeft hij appellant op 21 en 22 januari 2013 gehoord, dossieronderzoek verricht, gegevens opgevraagd met betrekking tot het energie- en waterverbruik en getuigen gehoord. Tijdens het gehoor op 22 januari 2013 heeft de sociaal rechercheur appellant gevraagd mee te werken aan een huisbezoek, hetgeen hij heeft geweigerd. De sociaal rechercheur heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2013 vastgelegd dat hij aan appellant tijdens het verhoor op 22 januari 2013 heeft meegedeeld dat het weigeren van medewerking aan het huisbezoek gevolgen zou hebben van zijn uitkering. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 19 maart 2013.

1.3. Het college heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 7 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juni 2013 (bestreden besluit), de bijstand van G over de periode van 1 januari 2008 tot en met 27 september 2012 in te trekken, de bijstand over de periode van 28 september 2012 tot en met 31 oktober 2012 te herzien, de langdurigheidstoeslag over de maanden juli 2010, januari 2012 en januari 2013 in te trekken, de bijzondere bijstand ontvangen in november 2008 en maart 2012 in te trekken en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 53.845,10 van G terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant en G in de periode van 1 januari 2008 tot en met 27 september 2012 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Door daarvan geen melding te maken bij het college heeft G de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 maart 2014 met registratienummer 13/760, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 27 juni 2013 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden (nummer 14/1810 WWB) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 17 maart 2014 vernietigd, het beroep van G tegen het besluit van 27 juni 2013 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover daarbij de intrekking over de periode van 1 januari 2008 tot en met 21 oktober 2008 is gehandhaafd, en de terugvordering in zijn geheel, het besluit van 7 maart 2013 herroepen voor zover het betrekking heeft op de intrekking over de periode van 1 januari 2008 tot en met 21 oktober 2008 en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen omtrent de hoogte van het terug te vorderen bedrag.

1.4. Bij afzonderlijk besluit van 7 maart 2013, eveneens gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft het college de kosten van aan G verleende bijstand over de periode van 1 januari 2008 tot en met 27 september 2012 tot een bedrag van € 52.535,75 mede van appellant teruggevorderd en, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant met ingang van 22 januari 2013 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van 22 januari 2013 tot en met 31 januari 2013 tot een bedrag van € 251,17 van appellant teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Wat betreft de medeterugvordering heeft hij verwezen naar wat door G is aangevoerd in de zaak 14/1810 WWB. Ten aanzien van de intrekking van bijstand met ingang van 22 januari 2013 heeft appellant aangevoerd dat hij het huisbezoek heeft geweigerd zonder dat sprake was van informed consent. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2013.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Medeterugvordering

4.1. Artikel 59, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2. In zijn in 1.3 genoemde uitspraak van heden, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht, heeft de Raad geoordeeld dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat appellant en G in de periode van 22 oktober 2008 tot en met 27 september 2012 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Raad ziet geen aanleiding om in dit geding, waarin appellant gelijke gronden met betrekking tot het oordeel over de gezamenlijke huishouding heeft aangevoerd als G, tot een ander oordeel te komen.

4.3. Uit 4.2 volgt dat appellant voor wat betreft de periode van 22 oktober 2008 tot en met 27 september 2012 moet worden aangemerkt als de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand van G over deze periode rekening had moeten worden gehouden en dat dit voor wat de periode daarvoor betreft niet het geval is. Dit brengt mee dat het college ten aanzien van de periode van 1 januari 2008 tot en met 21 oktober 2008 niet en ten aanzien van de periode van 22 oktober 2008 tot en met 27 september 2012 wel bevoegd was de kosten van de aan G verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de bevoegdheid tot terugvordering ontbreekt voor zover het de periode van 1 januari 2008 tot en met 21 oktober 2008 betreft.



Intrekking en terugvordering vanaf 22 januari 2013

4.4. Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

4.5. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2436) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.

4.6. Niet in geschil is dat een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek op 22 januari 2012 aanwezig was. Het college heeft daarom van appellant mogen verlangen dat hij medewerking zou verlenen aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek.

4.7. De Raad begrijpt de beroepsgrond van appellant dat geen sprake is van informed consent aldus dat hij er ten onrechte niet op is gewezen dat het weigeren om zijn medewerking te verlenen aan een huisbezoek gevolgen zou hebben voor het recht op bijstand. Dat betoog faalt. Uit het proces‑verbaal van het derde verhoor op 22 januari 2013 blijkt dat appellant is verzocht toestemming te verlenen voor het afleggen van een huisbezoek. Hij heeft tijdens dat verhoor verklaard dat hij in het verleden een huisbezoek heeft geweigerd waarna de uitkering werd beëindigd. Daarmee heeft hij er blijk van gegeven dat hij op de hoogte was van zijn mogelijkheid om het huisbezoek te weigeren en van de mogelijke gevolgen van het weigeren om mee te werken aan een huisbezoek waarvoor, zoals niet in geschil is, in dit geval een redelijke grond bestond. In het midden kan blijven of appellant op de gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek is gewezen omdat, ook als dat niet zo zou zijn, niet is gebleken dat appellant daarvan nadeel heeft ondervonden. Hij was immers al op de hoogte van zijn rechten en verplichtingen ten aanzien van het voorgenomen huisbezoek en de gevolgen van het niet-nakomen van die verplichtingen.

4.8. Omdat reeds uit dit proces-verbaal van 22 januari 2013 blijkt dat appellant op de hoogte was van de gevolgen van het weigeren medewerking te verlenen aan het huisbezoek, is niet meer van belang of de rechtbank terecht van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2013 is uitgegaan.

4.9. Gelet op wat in 4.7 en 4.8 is overwogen heeft het college de bijstand terecht met ingang van 22 januari 2013 ingetrokken op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting en medewerkingsverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.10. Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt, omdat geen toereikende grondslag bestaat voor medeterugvordering van de kosten van aan G verleende bijstand over de periode van 1 januari 2008 tot en met 21 oktober 2008 van appellant. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en, in aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, het bestreden besluit vernietigen, voor zover dit besluit betrekking heeft op de medeterugvordering van appellant van de kosten van aan G verleende bijstand wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.11. Aangezien de bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie, dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van het begrip gezamenlijke huishouding, zal het college opgedragen worden een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 maart 2013, voor zover het betrekking heeft op de medeterugvordering van de gemaakte kosten van aan G verleende bijstand. Het college zal een nieuwe berekening moeten maken waarin de aan G verleende bijstand over de periode van 22 oktober 2008 tot en met 27 september 2012 wordt betrokken. Het gaat nog uitsluitend om een nadere financiële uitwerking, die naar verwachting geen discussie zal opleveren.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 490,- voor de kosten in bezwaar, op € 490,- voor de proceskosten in beroep en op € 490,- voor de proceskosten in hoger beroep, dus in totaal op € 1.470,- (3 punten). De Raad heeft hierbij rekening gehouden met de gelijktijdige behandeling zowel ter hoorzitting van het college, ter zitting van de rechtbank als ter zitting van de Raad met de zaak 14/1810 WWB, waarbij in beide, zeer samenhangende, zaken dezelfde gemachtigde is verschenen, en met de proceskostenveroordeling in die zaak.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 juni 2013 gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 juni 2013, voor zover daarbij de kosten van aan G verleende bijstand mede van appellant zijn teruggevorderd;
- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met betrekking tot de medeterugvordering;
- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.470,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. ter Brugge en S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M.S. Boomhouwer




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.