Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2015:3723
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 15/2576 WWB
Datum uitspraak: 27-10-2015
Wetsartikelen: artt. 3, 17, 54, 58 en 80 Wwb / 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzegen) gezamenlijke huishouding. Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - volgens de Hoge Raad heeft de CRvB een onjuiste maatstaf gehanteerd ten aanzien van de vaststelling van het hoofdverblijf - concludeert de CRvB dat niet aannemelijk is gemaakt dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van de ene betrokkene tijdens de te beoordelen periode op het adres was waar de andere betrokkene zijn hoofdverblijf had.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 15/2576 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 november 2012, 12/902 (aangevallen uitspraak) na vernietiging in cassatie van de uitspraak van de Raad van 15 april 2014, 12/6777 WWB en terugwijzing door de Hoge Raad.

Partijen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college).




PROCESVERLOOP


Bij arrest van 13 maart 2015, nr. 14/02766 heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van

appellant tegen de uitspraak van de Raad van 15 april 2014, 12/6777 WWB gegrond verklaard, deze uitspraak vernietigd en het geding teruggewezen naar de Raad ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

Het college heeft desgevraagd een nadere standpuntbepaling ingezonden, waarop door appellant ter zitting is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 15 september 2015. Appellant, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. H.A. van der Kleij, advocaat. Het college, eveneens daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Guliker.




OVERWEGINGEN


1. De Raad verwijst voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden allereerst naar de uitspraak van de Raad van 15 april 2014 en het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015. Hij volstaat hier met het volgende.

2. Bij besluit van 18 oktober 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 maart 2012 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant per 1 september 2009 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 september 2009 tot en met 31 augustus 2011 tot een bedrag van € 28.107,38 van appellant teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant, zonder daarvan melding te maken aan het college, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met mevrouw [naam M] (M). Appellant en M hadden ten tijde in geding ieder een eigen woning. Appellant verbleef telkens op maandag, dinsdag en donderdag bij M in haar woning en bleef daar ook slapen. M verbleef in het weekend in de woning van appellant.

3. Evenals de rechtbank heeft de Raad geoordeeld dat appellant en M in de te beoordelen periode van 1 september 2009 tot en met 18 oktober 2011 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Daarbij heeft de Raad overwogen dat bij het aanhouden van afzonderlijke adressen voor het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning aannemelijk zal moeten zijn dat een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. Omdat appellant gedurende drie dagen en nachten bij M in haar woning verbleef en M tijdens het weekend in de woning van appellant, was sprake van hoofdverblijf in dezelfde woning. Daarnaast was sprake van wederzijdse zorg.

4. Anders dan de Raad heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 3, derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) niet maatgevend is of in feite wordt samengewoond. Volgens de Hoge Raad zal in een geval als dit - waarin sprake is van twee personen aan wie ieder een woning ter beschikking staat en die ieder afwisselend in deze beide woningen verblijven - ten aanzien van ieder afzonderlijk dienen te worden beoordeeld in welke van die woningen hij zijn hoofdverblijf heeft. Deze beoordeling dient volgens de Hoge Raad plaats te vinden op basis van de feitelijke omstandigheden, waarbij het erop aankomt in welke van die woningen zich het zwaartepunt van het persoonlijke leven van de betrokkene bevindt. De Hoge Raad voegt daaraan nog toe dat de mogelijkheid bestaat dat voor ieder van de betrokken personen dit zwaartepunt zich bevindt in de woning van hemzelf, zodat zij hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben. Die mogelijkheid bestaat ook indien deze personen het grootste deel van de tijd gezamenlijk doorbrengen, zelfs indien die situatie in feite is te duiden als samenwonen. De Raad heeft volgens de Hoge Raad een onjuiste maatstaf gehanteerd ten aanzien van de vaststelling van het hoofdverblijf. De uitspraak van de Raad kan dan ook wegens schending van artikel 3, derde lid, van de WWB geen stand houden. Voor zover de klachten van appellant zien op het oordeel van de Raad dat sprake was van wederzijdse zorg, falen deze volgens de Hoge Raad.

5. De Raad ziet zich thans nog geplaatst voor de vraag of appellant en M hun hoofdverblijf in de hier te beoordelen periode in dezelfde woning hadden. Niet betwist is dat M haar hoofdverblijf in die periode had op het adres [adres 1] te [woonplaats] (adres 1). Bepalend - voor de vaststelling of sprake was van een gezamenlijke huishouding - is dus nog of appellant in diezelfde periode eveneens op adres 1 zijn hoofdverblijf had. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.1. Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat het eerder vastgestelde "verblijfschema" (zie onder 2 en 3) als uitgangspunt heeft te gelden voor de beoordeling van het hoofdverblijf van appellant. Dat in de praktijk incidenteel van dit schema werd afgeweken is verder niet van belang.

5.2. Het college heeft betoogd dat, gelet op het verblijfschema, sprake was van een dermate grote verwevenheid van de persoonlijke levens van beide betrokkenen dat het onaannemelijk is dat het zwaartepunt voor ieder van hen afzonderlijk zich niet in dezelfde woning bevond. Dit betoog treft geen doel. Het ziet er immers aan voorbij dat, ook indien de betrokken personen het grootste deel van de tijd gezamenlijk doorbrengen - zelfs indien die situatie in feite is te duiden als samenwonen - de mogelijkheid bestaat dat voor ieder van de betrokkenen het zwaartepunt van het persoonlijke leven zich bevindt in de woning van hemzelf, zodat zij hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben. Dit betekent dat het college concreet diende te bezien in welke woning zich het zwaartepunt van het persoonlijke leven van appellant bevond en dus niet kon volstaan met het trekken van een conclusie in meer algemene zin enkel op basis van het verblijfschema.

5.3. Dat appellant (net als M) het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven op adres 1, en niet op zijn eigen adres, [adres 2] te [woonplaats] (adres 2), had, kan evenmin worden gevolgd. Weliswaar vertrok appellant op de dagen dat hij op adres 1 verbleef ’s morgens vanuit die woning en keerde hij daar ’s avonds meestal weer terug, maar op de andere dagen lag dit anders. Zo was appellant volgens zijn eigen verklaring en volgens M op de woensdagen veelal op adres 2 te vinden of bij vrienden en verbleef hij ook op vrijdag en in het weekend, meestal samen met M, op adres 2. Hij stond op dat adres sinds 1 augustus 2007 ingeschreven, de waterverbruiksgegevens lagen niet onder het gemiddelde van een eenpersoonshuishouden, hij had daar zijn persoonlijke spullen en administratie en ontving er zijn post en kennissen en vrienden. Het vorenstaande is door het college niet weersproken. Dat de woning op adres 2 volgens het college wat karig was ingericht, laat onverlet dat appellant er zijn hoofdverblijf kon hebben. Het standpunt van het college dat adres 2 enkel als nevenverblijf in het weekend voor appellant en M zou dienen, kan, wat daarvan zij, evenmin tot een ander oordeel leiden, nu dit niet meebrengt dat appellant zijn hoofdverblijf op adres 1 had.

5.4. Uit 5.3 volgt dat het college, op wie bij belastende besluiten als hier aan de orde in beginsel de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van appellant tijdens de te beoordelen periode op adres 1 was en dat dus appellant en M destijds hun hoofdverblijf beiden op adres 1 hadden.

5.5. Uit 5.4 vloeit voort dat appellant en M tijdens de te beoordelen periode geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, zodat geen grondslag voor de intrekking en terugvordering van de bijstand van appellant aanwezig was. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3, derde lid, van de WWB en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het college bij de toepassing van eerstgenoemde bepaling een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en bij een juiste uitleg en toepassing van deze bepaling ontoereikend heeft gemotiveerd dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Mede in aanmerking genomen het tijdsverloop en de mededeling van de zijde van het college ter zitting van de Raad dat een nader onderzoek zinledig is, heeft de Raad aanleiding gezien om, thans zelf voorziend, het besluit van 18 oktober 2011 te herroepen.

6. Appellant heeft nog om vergoeding van renteschade wegens ontijdig betaalde bijstand en reeds terugbetaalde bijstand verzocht. De Raad ziet aanleiding dit verzoek toe te wijzen. Voor de wijze waarop het college de wettelijke rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

7. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en op € 1.470,- in hoger beroep (indiening hoger beroepschrift, verschijnen op zitting en nadere zitting) wegens verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 23 maart 2012;
- herroept het besluit van 18 oktober 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 23 maart 2012;
- veroordeelt het college tot vergoeding van schade zoals onder 6 van deze uitspraak is aangegeven;
- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.430,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.S. Boomhouwer




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.