Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2015:3792
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 14/2685 WWB
Datum uitspraak: 27-10-2015
Wetsartikelen: artt. 3 en 80 Wwb / 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Intrekking bijstandsuitkering omdat appellante een gezamenlijke huishouding voert met haar zus op het adres van haar zus. Omdat appellante niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd, bestaat er volgens het college geen recht meer op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. De Raad oordeelt dat er wel sprake is van hoofdverblijf op hetzelfde adres, maar niet van wederzijdse zorg. Omdat het louter gezamenlijk boodschappen doen te duiden is als een voornamelijk sociale activiteit en de overige (zorg)elementen van onvoldoende gewicht zijn, is er geen sprake van wederzijdse zorg en is dus niet voldaan aan de vereisten van een gezamenlijke huishouding.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 14/2685 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 april 2014, 13/4774 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college).




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. C.C.A. Stallen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een nader stuk en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Stallen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Rijkers.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 mei 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Appellante was ten tijde hier van belang ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2. In het kader van een heronderzoek naar het recht op bijstand in januari 2013, waarbij het Inkomensteam Noord van de gemeente Eindhoven had geconstateerd dat appellante een laag energieverbruik had op het uitkeringsadres, heeft het college een nader onderzoek ingesteld naar het hoofdverblijf van appellante. In dat kader heeft het team Bijzonder Onderzoek van de gemeente Eindhoven administratief onderzoek gedaan, op 6 maart 2013 een spreekkamergesprek met appellante gevoerd en aansluitend een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 11 maart 2013.

1.3. Bij besluit van 6 maart 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 augustus 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 6 maart 2013 beëindigd op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voert met haar zus op het adres [adres 2] te [woonplaats] (adres 2). Omdat appellante niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd bestaat er volgens het college geen recht meer op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist dat zij op 6 maart 2013 geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Zij stelt dat haar woonsituatie pas met ingang van 16 september 2013 is gewijzigd. Appellante betoogt voorts dat zij en haar zus ten tijde hier van belang niet over en weer in elkaars zorg voorzagen en dat dus niet werd voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. De opgetekende verklaringen van appellante van 6 maart 2013 (verklaringen) komen niet in zijn geheel overeen met de werkelijkheid en moeten worden genuanceerd. Appellante heeft in dit kader ter zitting van de Raad verklaard dat zij niet alle dagen bij haar zus sliep en dat zij niet elke keer dat zij bij haar zus was kookte. Appellante at ook thuis, op het uitkeringsadres, bijvoorbeeld een frietje. Het koken voor haar zus, op adres 2, gebeurde volgens appellante twee à drie keer in de week. Er bestaat onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat op 6 maart 2013 sprake was van een gezamenlijke huishouding. Appellante heeft verzocht om wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het besluit tot beëindiging van bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat in het onderhavige geval aan de voorwaarden voor beëindiging is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3. Het eerste criterium waaraan moet worden voldaan, is dat van het hoofdverblijf in dezelfde woning. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.



Gezamenlijk hoofdverblijf

4.5. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante ten tijde hier van belang hoofdverblijf had op adres 2. Dit volgt uit de door appellante afgelegde verklaringen. Appellante heeft tijdens het spreekkamergesprek onder meer verklaard dat zij overdag voornamelijk bij haar zus is op adres 2 en dat zij zich daar doucht, haar kleding wast, kookt en eet en dat zij een sleutel heeft van de woning van haar zus. Appellante heeft verder, tijdens het huisbezoek, verklaard dat zij haar administratie en de medicijnen die zij gebruikt in de woning van haar zus heeft liggen, dat daar ook haar winterkleding ligt en dat die kleding wordt omgewisseld zodra het zomer wordt, dat zij geen levensmiddelen in haar koelkast heeft omdat zij haar maaltijden bij haar zus gebruikt en dat zij eigenlijk bijna altijd bij haar zus slaapt. Er is geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen. Appellante heeft haar stelling dat zij op 6 maart 2013, omdat zij uit balans was als gevolg van haar geringe psychische draagkracht, niet naar waarheid heeft kunnen verklaren, niet onderbouwd. De omstandigheid dat appellante een geringe psychische draagkracht heeft, wat niet in geschil is, is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Daarbij komt dat de ter zitting van de Raad afgelegde verklaring van appellante dat zij niet alle dagen bij haar zus sliep en dat zij niet elke keer dat zij bij haar zus was ook kookte, niet in tegenspraak is met hetgeen zij daarover op 6 maart 2013 heeft verklaard.



Wederzijdse zorg

4.6. Niet in geschil is dat de zus van appellante zorg droeg voor haar. Het college heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat het standpunt dat appellante ook zorg droeg voor haar zus is gebaseerd op de verklaringen van appellante dat zij kookt voor haar zus, dat zij en haar zus gezamenlijk boodschappen doen en dat zij haar zus af en toe een geringe financiële bijdrage geeft. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld vormt dat onvoldoende grond voor het standpunt van het college dat sprake was van wederzijdse zorg. Het louter gezamenlijk boodschappen doen is, gelet op de daarover afgelegde verklaringen, te duiden als een voornamelijk sociale activiteit en niet als een element van zorg. Voorts betrof de incidentele betaling aan de zus een vergoeding voor de levensmiddelen die appellante bij haar zus opmaakte. Ook die vergoeding is daarom niet aan te merken als een wezenlijke bijdrage in de huishouding. Op grond van de verklaringen is ten slotte wel aannemelijk dat appellante wel eens voor hen beiden kookte, met name in de weken dat de zus van appellante werkte. Deze enkele omstandigheid is evenwel van onvoldoende gewicht om in het kader van de toepassing van artikel 3, derde lid, van de WWB te kunnen spreken van (wederzijdse) zorg van appellante jegens haar zus.

4.7. Uit 4.6 volgt dat ten tijde hier van belang niet werd voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en haar zus was daarom geen sprake. De beëindiging van de bijstand berust dan ook niet op een deugdelijke grondslag. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

4.8. De Raad zal het college opdragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 maart 2013. Het college zal daarbij de ter zitting van de Raad vermelde wijziging in de woonsituatie van appellante per 16 september 2013 moeten betrekken en voorts tevens een beslissing dienen te nemen over de door appellante verzochte wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde bijstand vanaf 6 maart 2013. Voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus bestaat geen ruimte. Dit verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.960,- wegens verleende rechtsbijstand en € 40,40 aan reiskosten, derhalve in totaal € 2.000,40.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2013 gegrond;
- vernietigt het besluit van 26 augustus 2013;
- draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 maart 2013 te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 2.000,40;
- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.S. Boomhouwer




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.