Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BA8367
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2007:BA8367
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 06/3543 WWB en 06/3544 WWB
Datum uitspraak: 26-06-2007
Wetsartikelen: artt. 3, 11, 17, 18a, 54 en 58 Wwb / 3:2 en 7:12 Awb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering alsmede boeteoplegging omdat betrokkene de inlichtingenplicht heeft geschonden door onvoldoende inlichtingen te verschaffen omtrent zijn woon- en leefsituatie. Het bestreden besluit berust op onzorgvuldig onderzoek en een ondeugdelijke motivering.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 06/3543 WWB en 06/3544 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 mei 2006, 05/827 en 05/830 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 26 juni 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A. Bozbey, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bozbey. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 6 maart 1998, met onderbrekingen, bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een vermoeden dat de woonsituatie van appellant niet in overeenstemming is met hetgeen hij hieromtrent heeft medegedeeld, heeft de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader zijn huisbezoeken afgelegd en zijn gesprekken met appellant gevoerd.

Op basis van de bevindingen van dat onderzoek heeft het College bij besluit van 29 april 2004 (hierna: besluit 1) de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2004 beëindigd (lees: ingetrokken). Voorts heeft het College bij besluit van 24 mei 2004 (hierna: besluit 2) de bijstand van appellant over de periode van 25 februari 2004 tot en met 31 maart 2004 herzien (lees: ingetrokken), en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 827,89 van hem teruggevorderd. Het College heeft in de bevindingen van het onderzoek tevens aanleiding gevonden om bij besluit van 10 juni 2004 (hierna: besluit 3) aan appellant een boete op te leggen van € 110,00. Bij besluit van 20 juli 2004 (hierna: besluit 4) heeft het College een nieuwe aanvraag om bijstand van appellant afgewezen.

Bij besluit van 3 januari 2005 (hierna: besluit 5) heeft het College de bezwaren tegen besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Het College heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenplicht heeft geschonden door onvoldoende inlichtingen te verschaffen omtrent zijn woon- en leefsituatie, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum (hierna: besluit 6) heeft het College het bezwaar tegen besluit 4 ongegrond verklaard.

Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het College bij besluit van 20 juli 2005 (hierna: besluit 7) het bedrag van de boete in verband met de inwerkingtreding van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand verlaagd tot € 74,02.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 6, voor zover het betreft de boete, mede gericht geacht tegen besluit 7. De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten 5, 6 en 7 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat het College de bijstand bij besluit 1 heeft ingetrokken met ingang van 1 april 2004 en de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Bij besluit 5 heeft het College deze intrekking per 1 april 2004 onverkort gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire (intrekkings)besluit. Mede gelet op de omstandigheid dat het College bij besluit 2 de bijstand eveneens heeft ingetrokken over de periode van 25 februari 2004 tot en met 31 maart 2004, betekent het voorgaande dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 25 februari 2004 tot en met 29 april 2004.

De Raad stelt verder vast dat het bij de besluiten inzake intrekking van bijstand gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de bewijslast met betrekking tot het standpunt van het College dat appellant onjuiste informatie heeft verschaft omtrent zijn woon- en leefsituatie en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld in beginsel niet op appellant maar op het College rust.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant consistent heeft verklaard dat hij gedurende de hier te beoordelen periode woonachtig is op het door hem aan het College opgegeven adres Van Diemenstraat 153 en dat op dat adres in totaal drie personen woonachtig zijn, te weten: appellant zelf, die in de achterkamer van de eerste verdieping woont, zijn broer, die in de voorkamer van die verdieping woont en mevrouw Idrissy, die op de tweede verdieping woont. Appellant is bij een tweetal onaangekondigde huisbezoeken aan genoemd adres thuis aangetroffen. Tijdens het eerste huisbezoek op 10 maart 2004 toont appellant de achterkamer van de eerste verdieping waarin een tweepersoonsbed, verschillende kasten met herenkleding en een kaptafel met toiletartikelen staan. Tijdens het tweede huisbezoek op 23 maart 2004 toont appellant de voor- en achterkamer op de eerste verdieping en wordt geconstateerd dat de voorkamer is ingericht als woonkamer en de achterkamer als slaapkamer en dat er “optutspullen”, damesschoenen en dameskleding in de woning aanwezig zijn. Bij die gelegenheid heeft appellant verklaard dat zijn broer op de bank in de voorkamer slaapt. Op 15 april 2004 heeft appellant verklaard dat de voor- en achterkamer worden gescheiden door schuifdeuren, dat die deuren openstaan als hij bij zijn broer televisie kijkt, dat zijn broer op een losse matras in de voorkamer slaapt, dat de parfumflesjes in zijn kamer van hem zijn en dat hij niet met een vriendin samenwoont.

Naar het oordeel van de Raad bieden de hiervoor vermelde gegevens bezien in onderling verband onvoldoende grondslag voor het standpunt van het College dat appellant onjuiste informatie heeft verschaft omtrent zijn woon- en leefsituatie en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De omstandigheid dat in de woonruimte van appellant optutspullen, damesschoenen en dameskleding zijn aangetroffen en dat appellant niet eenduidig heeft verklaard over de slaapgelegenheid van zijn broer betekent nog niet dat appellant onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie. Uit de gedingstukken blijkt dat het College over de woon- en leefsituatie van appellant twijfels had. Het heeft op de weg van het College gelegen daarnaar nader onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld door het stellen van nadere vragen aan appellant of het horen van zijn broer.
Het voorgaande betekent dat de intrekking van de aan appellant verleende bijstand over de periode van 25 februari 2004 tot en met 31 maart 2004 alsmede de intrekking van de bijstand met ingang van 1 april 2004 in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berusten.

Nu het besluit tot intrekking van de bijstand over de periode van 25 februari 2004 tot en met 31 maart 2004 niet in stand kan blijven, is daarmee tevens de grondslag aan de terugvordering van de kosten van bijstand over die periode komen te ontvallen. Aangezien onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat appellant onjuiste informatie heeft verschaft omtrent zijn woon- en leefsituatie is het College evenmin bevoegd een boete op te leggen. Bij de afwijzing van de nieuwe aanvraag is als uitgangspunt genomen dat de bijstand was ingetrokken en dat opnieuw bijstand moest worden aangevraagd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen berust ook dat besluit op een onhoudbare grondslag.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad - met gegrondverklaring van het beroep - de besluiten 5, 6 en 7 vernietigen en het College opdragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren tegen de besluiten 1,2, 3 en 4, waarbij tevens dient te worden beslist op de verzoeken van appellant tot vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 966,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen de besluiten 5, 6 en 7 gegrond en vernietigt die besluiten;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op de bezwaren tegen de besluiten 1, 2, 3 en 4 met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.610,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 179,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2007.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) L. Jörg.