Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BB5357
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2007:BB5357
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 06/5678 WWB
Datum uitspraak: 02-10-2007
Wetsartikelen: artt. 3, 16 en 53a Wwb
Essentie: Weigering bijstandsuitkering omdat (nog) geen sprake was van duurzaam gescheiden levende echtgenoten. Beiden waren nog woonachtig in dezelfde woning en beiden stonden op dat adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Ook de situatie zoals die is aangetroffen bij het huisbezoek en hetgeen appellante bij die gelegenheid heeft verklaard, wezen er niet op dat appellante en haar ex-echtgenoot ieder afzonderlijk hun eigen leven leidden.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 06/5678 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 3 augustus 2006, 06/3391 en 06/3392 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College).

Datum uitspraak: 2 oktober 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M. de Jong, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 4 oktober 2006 heeft mr. De Jong de Raad een schriftelijke verklaring doen toekomen.

Het College heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Bij brief (met bijlagen) van 21 november 2006 is hierop namens appellante gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2007. Voor appellante is verschenen mr. De Jong, voornoemd. Voor het College is verschenen mr. C.G. Smout, werkzaam bij de gemeente Tilburg.




II. OVERWEGINGEN


Appellante is op 14 november 2000 gehuwd met A. [T.] (hierna: [T.]) . Appellante en haar echtgenoot ontvingen tot 2 oktober 2005 bijstand naar de norm van gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De bijstandsverlening is beëindigd, omdat [T.] onvoldoende medewerking verleende aan een herbeoordeling van het recht op bijstand.

Op 6 december 2005 heeft appellante verzocht om bijstand naar de norm van alleenstaande. Op 16 december 2005 heeft appellante als medehuurder van de echtelijke woning de huur opgezegd. Deze huuropzegging is door de verhuurder met ingang van 16 januari 2006 geaccepteerd. Appellante is in de woning blijven wonen. Met haar echtgenoot was zij overeengekomen dat zij maandelijks de helft van de huurprijs en de helft van de kosten van elektra, gas en water aan hem zou betalen totdat zij zelfstandige woonruimte zou hebben gevonden.
In januari 2006 heeft appellante een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank. Bij beschikking van 16 mei 2006 is de echtscheiding uitgesproken. Daarbij is bepaald dat de man de huurder van de echtelijke woning zal zijn.
Naar aanleiding van appellantes verzoek om bijstand heeft op 15 maart 2006 een huisbezoek plaatsgevonden. Daarbij is onder meer geconstateerd dat zowel appellante als haar echtgenoot in de woning aanwezig waren. Aan appellante is bij die gelegenheid gevraagd of zij beiden apart boodschappen doen, waardoor levensmiddelen dubbel aanwezig zijn. Appellante heeft verklaard dat dit niet het geval is. Verder is gebleken dat appellante en [T.] geen eigen keukenkastje of een eigen plank in de koelkast hadden.

Bij besluit van 6 april 2006 heeft het College de aanvraag om bijstand afgewezen.

Bij besluit van 7 juni 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 april 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College overwogen dat appellante niet duurzaam gescheiden leeft van haar ex-echtgenoot. Voorts heeft het College overwogen dat hij in de door appellante aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen zijn gelegen voor bijstandsverlening op grond van artikel 16 van de WWB.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 7 juni 2006 ongegrond verklaard en het verzoek van appellante om een voorlopige voorziening afgewezen.

Appelante heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen deze uitspraak, voor zover haar beroep ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met de rechtbank stelt de Raad vast dat appellante ten tijde hier van belang nog niet formeel was gescheiden. Dit brengt met zich dat, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, ter beantwoording staat de vraag of appellante destijds duurzaam gescheiden leefde van [T.]. Van duurzaam gescheiden levende echtgenoten is sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenwoning betreft, waardoor ieder van hen afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 19 april 2005, LJN AT4800).

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat (nog) geen sprake was van duurzaam gescheiden levende echtgenoten. Beiden waren nog woonachtig in de woning. Beiden stonden ook op dat adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Ook de situatie zoals die is aangetroffen bij het huisbezoek, en hetgeen appellante bij die gelegenheid heeft verklaard, wezen er niet op dat appellante en [T.] ieder afzonderlijk hun eigen leven leidden. In het licht hiervan kan aan de door appellante overgelegde verklaring van de zuster van [T.], inhoudende dat hij vanaf oktober 2005 frequent bij haar verbleef, niet die betekenis worden toegekend die appellante daaraan toegekend wenst te zien.

Met betrekking tot het beroep van appellante op artikel 16 van de WWB overweegt de Raad dat in het geval van appellante geen sprake was van zeer dringende redenen. Naar ter zitting is gebleken, werd zij destijds financieel ondersteund door haar ouders.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2007.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) S. van Ommen.