Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BG4666
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2008:BG4666
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 07/3870 WWB en 07/3872 WWB
Datum uitspraak: 18-11-2008
Wetsartikelen: artt. 3, 17, 54, 58 en 59 Wwb / 3:2, 7:12 en 8:75 Awb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding. Er zijn geen concrete en gerichte aanwijzingen dat betrokkene 2 in de woning van betrokkene 1 is blijven wonen. Naar de rechtbank terecht heeft overwogen, had het op de weg van appellant (het college) gelegen om bij de verklaringen van de buren meer tot in detail door te vragen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 07/3870 WWB en 07/3872 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 mei 2007, 06/7053 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene 1], wonende te [woonplaats 1] (hierna: betrokkene 1), en [betrokkene 2], wonende te [woonplaats 2] (hierna: betrokkene 2),

en

appellant.

Datum uitspraak: 18 november 2008.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. E.C.W. van der Poel, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen heeft C.N. Verhagen, juridisch adviseur te Middenbeemster, een verweerschrift en een aanvulling daarop ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Poel en mr. K. Mol. Betrokkenen zijn verschenen met bijstand van mr. G. Martin, advocaat te Purmerend.




II. OVERWEGINGEN


1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkenen zijn met elkaar gehuwd geweest. Op grond van (feitelijke) beëindiging van de huwelijkse relatie is aan betrokkene 1 met ingang van 17 februari 1999 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Per 14 augustus 2002 ontvangt zij bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een signaal dat betrokkene 2 in [woonplaats 1] een televisietoestel zou hebben aangeschaft, is door een medewerker van de Gemeentelijke Sociale Dienst een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van betrokkenen. Daarbij is de auto van betrokkene 2 geobserveerd, heeft op 8 december 2005 een huisbezoek op het adres van betrokkene 1 plaatsgevonden en is een buurtonderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek, neergelegd in een rapport van 13 december 2005, hebben aanleiding gegeven tot een nader onderzoek door de sociale recherche. In dat verband zijn onder meer verklaringen afgelegd door betrokkenen, door buren en door de huurders van (kamers in) de woning van betrokkene 2 te [woonplaats 2]. Een en ander heeft appellant geleid tot de conclusie dat betrokkenen hun samenwoning nimmer daadwerkelijk hebben beëindigd.

1.3. Bij besluiten van 15 februari 2006 heeft appellant de bijstand van betrokkene 1 met ingang van 17 februari 1999 ingetrokken en de korting van de over de periode van 17 februari 1999 tot en met 30 november 2005 verleende bijstand tot een bedrag van € 79.866,28 hoofdelijk van betrokkenen teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 19 juli 2006 heeft appellant, voor zover hier van belang, de bezwaren van betrokkenen tegen de besluiten van 15 februari 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkenen gegrond verklaard en het besluit van 19 juli 2006 vernietigd, met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht. De rechtbank overwoog - kort samengevat - dat voor de conclusie dat betrokkene 2 in de woning van betrokkene 1 is blijven wonen de verklaringen van de buurtgenoten essentieel zijn. Deze verklaringen achtte de rechtbank echter onvoldoende specifiek, in die zin dat zij meer conclusies dan feiten betreffen, een periode van ongeveer zeven jaar beslaan doch geen concrete data en/of waarnemingen vermelden en uitsluitend berusten op waarnemingen buiten de woning.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De Raad deelt het onder 2 samengevatte oordeel van de rechtbank. Hij onderschrijft op hoofdlijnen de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd.

3.2. In aanvulling daarop benadrukt de Raad de bijzondere omstandigheid dat betrokkene 2 buschauffeur is, dat hij als zodanig standplaats heeft in [woonplaats 1] en dat het busstation vrijwel pal tegenover de woning van betrokkene 1 is gelegen, waar ook de jongste zoon van betrokkenen nog woont. Daarmee is op zichzelf voldoende verklaard dat betrokkene 2 en zijn auto veelvuldig in de buurt van de woning worden gesignaleerd en dat hij ook in andere opzichten, bijvoorbeeld bij het doen van aankopen, op [woonplaats 1] is gericht.

3.3. Wat betreft de auto komt daar bij dat betrokkene deze, naar is niet weersproken, ook laat gebruiken door zijn beide zoons. Dit kan verklaren dat de auto in de nabijheid van de woning is aangetroffen op dagen dat betrokkene 2 geen dienst had.

3.4. De door de rapporteur van de Gemeentelijke Sociale Dienst vermelde uitlating van betrokkene 2 tijdens het huisbezoek dat hij over een sleutel van de woning beschikt en één tot drie keer per week op het adres slaapt, is door betrokkene 2 steeds ontkend. Nu het hier niet gaat om een op schrift gestelde en door betrokkene 2 ondertekende verklaring, en evenmin om een verklaring die is gerelateerd in een ambtsedig proces-verbaal van een ambtenaar met opsporingsbevoegdheid, acht de Raad onvoldoende aannemelijk dat betrokkene 2 die mededeling inderdaad heeft gedaan. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat betrokkene 2, naar ter zitting is gebleken, niet erg duidelijk Nederlands spreekt. Dat betrokkene 2 zich tijdens het huisbezoek in de woning bevond - tezamen met zijn jongste zoon - kan voorts worden begrepen in het licht van het vaststaande feit dat betrokkene 1 toen juist voor een operatie in het ziekenhuis was opgenomen. Dat betrokkene 2 zich niet gerechtigd achtte toestemming te geven om de woning te doorzoeken, kan om dezelfde reden niet aan betrokkenen worden tegengeworpen.

3.5. Ook overigens ontbreken concrete en gerichte aanwijzingen dat betrokkene 2 in de woning van betrokkene 1 is blijven wonen. Dat betrokkene 2 ten tijde hier van belang ook niet woonachtig was in zijn woning te [woonplaats 2], die hij deels had verhuurd, levert niet zo'n aanwijzing op. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van de buren, die wel kwalificaties bevatten, maar te weinig feitelijke waarnemingen om - in het licht van de onder 3.2 vermelde bijzonderheden van het geval - deze kwalificaties objectief te kunnen rechtvaardigen. Naar de rechtbank terecht heeft overwogen, had het op de weg van appellant gelegen om hier meer tot in detail door te vragen.

3.6. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad zal daaraan nog toevoegen de primaire besluiten van 15 februari 2006 te herroepen, nu die besluiten berusten op dezelfde, hiervan ondeugdelijk gebleken grondslag, en niet aannemelijk is dat dat gebrek nog kan worden hersteld.

3.7. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 322,-- aan kosten wegens aan betrokkenen in hoger beroep verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat tevens de primaire besluiten van 15 februari 2006 worden herroepen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkenen tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Purmerend;
Bepaalt dat met toepassing van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet van de gemeente Purmerend een griffierecht van € 107,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R. Kooper en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 november 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) A. Badermann.