Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BJ0896
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0896
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 07/5704 WWB
Datum uitspraak: 15-06-2009
Wetsartikelen: artt. 3, 11, 17, 53a en 54 Wwb / 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Intrekking bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Het verslag van het huisbezoek is niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. Het is ook niet in het bijzijn van appellante in concept opgemaakt en toen door appellante ingezien en/of voor gezien getekend. Het is naderhand ten kantore van de betrokken ambtenaren opgemaakt en ook nadien niet aan appellante voorgelegd. Appellante heeft het verslag van aanvang af op onderdelen gemotiveerd betwist. Gelet op het voorgaande staat niet vast dat de bewoordingen van het verslag een volledige en juiste weergave vormen van hetgeen is waargenomen en van hetgeen appellante heeft verklaard. Er bestond geen redelijke grond voor het afleggen van een (onaangekondigd) huisbezoek.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 07/5704 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 augustus 2007, 06/7604 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 15 juni 2009.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.J. Zennipman, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Zennipman. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 29 september 2000 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In het kader van het Project Inhaalslag Intensivering Handhaving hebben een ambtenaar van de dienst Stedelijke Ontwikkeling en een ambtenaar van de Sociale Dienst van de gemeente ’s-Gravenhage op 10 april 2006 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan het adres van appellante. Naar aanleiding van de bevindingen van dat huisbezoek, waarbij bij de betrokken ambtenaren blijkens het verslag van het huisbezoek twijfel is ontstaan aan de juistheid van de verklaring van appellante dat haar vriend [E.], uit welke relatie een kind is geboren, uitsluitend in de weekenden bij haar verblijft, hebben twee ambtenaren van de Afdeling bijzonder onderzoek op 4 mei 2006 wederom een onaangekondigd huisbezoek bij appellante afgelegd. Bij die gelegenheid is [E.] in de slaapkamer van appellante aangetroffen. Naast de huisbezoeken heeft het College onderzoek doen instellen naar het woonadres van [E.], [adres] te [plaatsnaam]. Op 12 april 2006 bleek dat de woning te koop stond en dat deze leeg was.

1.3. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het College geconcludeerd dat [E.] zijn hoofdverblijf heeft in de woning van appellante. Bij besluit van 18 mei 2006 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 mei 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante met [E.] een gezamenlijke huishouding voert.

1.4. Bij besluit van 31 juli 2006 heeft het College het tegen het besluit van 18 mei 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen het besluit van 31 juli 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De in dit geding door de Raad te beoordelen periode bestrijkt de periode van 1 mei 2006 tot 18 mei 2006.

4.2. De Raad zal eerst ingaan op de in bezwaar naar voren gebrachte en in beroep en in hoger beroep herhaalde stelling van appellante dat de bevindingen van het huisbezoek niet als bewijs in aanmerking mogen worden genomen omdat de betrokken ambtenaren op onrechtmatige wijze zijn binnengetreden.

4.3. Uit de gedingstukken blijkt niet dat bij het College voorafgaand aan het eerste huisbezoek op objectieve gronden twijfel bestond over de woonsituatie van appellante. Ook overigens blijkt niet dat er een redelijke grond was voor het afleggen van een (onaangekondigd) huisbezoek. Niet in geschil is dat appellante aan de betrokken medewerkers van de gemeente toestemming heeft gegeven tot het betreden van de woning. Appellante heeft evenwel onder meer naar voren gebracht dat deze medewerkers zich in dat kader niet op juiste wijze hebben gelegitimeerd en geen juiste voorlichting hebben gegeven, omdat slechts is gezegd dat zij voor een integrale woningcontrole kwamen, gericht op het opsporen van illegale bewoning en onveilige situaties. Naar het oordeel van de Raad had het College de hiervoor omschreven grief van appellante ruimer dienen op te vatten dan in het besluit op bezwaar is geschied (als - uitsluitend - gericht tegen de wijze van legitimeren). Deze grief had ook zo moeten worden begrepen dat de toestemming voor het betreden van de woning mede was ingegeven door het door de medewerkers van de gemeente opgegeven doel van het huisbezoek. De rechtbank heeft aan deze grief, die in beroep uitdrukkelijk is gehandhaafd, ten onrechte in het geheel geen aandacht geschonken.

4.4. Uit het verslag van het huisbezoek van 10 april 2006 blijkt niet dat aan appellante is meegedeeld dat het bezoek mede werd gedaan met het oog op controle van de rechtmatigheid van haar uitkering. In ieder geval blijkt uit het verslag van dit huisbezoek niet dat aan appellante is meegedeeld dat zij niet verplicht was aan het huisbezoek mee te werken en dat het niet meewerken geen consequenties zou hebben voor haar uitkering. Nu er geen redelijke grond was voor het afleggen van het huisbezoek, brengt dit met zich dat sprake is van een niet gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht van appellante. De bevindingen van dit huisbezoek moeten als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing worden gelaten.

4.5. Met betrekking tot het tweede huisbezoek heeft appellante aangevoerd dat de bevindingen, zoals door de betrokken ambtenaren opgetekend in het verslag van dat huisbezoek, ten dele onjuist zijn weergegeven. In dat verband heeft appellante naar voren gebracht dat, anders dan in het verslag van dat bezoek staat, er slechts enkele poststukken van [E.] in haar woning waren, welke bovendien niet aan haar adres waren geadresseerd, en dat zich in haar woning maar weinig kledingstukken van [E.] bevonden. Voorts stelt zij controleerbare inlichtingen te hebben gegeven over het feitelijke woon- en verblijfadres van [E.].

4.6. De Raad overweegt hierover het volgende. Het verslag van het huisbezoek van 4 mei 2006 is niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. Het is op die datum ook niet in het bijzijn van appellante in concept opgemaakt en toen door appellante ingezien en/of voor gezien getekend. Het is naderhand, op 15 mei 2006, ten kantore van de betrokkenen ambtenaren opgemaakt en ook nadien niet aan appellante voorgelegd. Appellante heeft het verslag van aanvang af op onderdelen gemotiveerd betwist. Gelet op het voorgaande staat niet vast dat de bewoordingen van het verslag een volledige en juiste weergave vormen van hetgeen is waargenomen en van hetgeen appellante heeft verklaard.

4.7. De Raad is voorts van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden waarover tussen partijen geen verschil van mening bestaat, niet kan worden geconcludeerd dat [E.] tijdens de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Dat [E.] op 4 mei 2006 in de slaapkamer van appellante is aangetroffen en dat zich toen enkele kledingstukken en poststukken van [E.] in die woning bevonden is daarvoor niet voldoende.

4.8. Gelet op de onderdelen 4.3 tot en met 4.7 komt de Raad tot de conclusie dat het besluit van 31 juli 2006 niet berust op een deugdelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 31 juli 2006 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding - met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid - het besluit van 18 mei 2006 te herroepen, nu dit berust op dezelfde, hiervoor ondeugdelijk gebleken grondslag, en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

5. De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de kosten die appellante wegens aan haar verleende rechtsbijstand heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 31 juli 2006;
Herroept het besluit van 18 mei 2006;
Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.933,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144 ,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en H.C.P. Venema en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.