Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BX9936
ECLI: ECLI:NL:CRVB:200:BX9936
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 10/5269 WWB en 12/1249 WWB
Datum uitspraak: 09-10-2012
Wetsartikelen: artt. 3, 17, 54, 58 en 80 Wwb / 6:18, 6:19 en 6:24 Awb
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Betrokkene had vanaf de datum in geding onveranderd haar hoofdverblijf in de woning van haar partner en vader van haar kinderen. Dat betrokkene als gevolg van de relationele problemen geregeld bij vriendinnen heeft verbleven en zij mogelijkerwijs in eerste instantie de intentie had om de haar toegewezen woning te betrekken, betekent niet dat zij op een ander adres haar hoofdverblijf had. Nu betrokkene in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting appellant niet ervan in kennis heeft gesteld dat zij ongewijzigd haar hoofdverblijf had in de woning van haar partner, was daarom sprake van een gezamenlijke huishouding.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 10/5269 WWB en 12/1249 WWB




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 augustus 2010, 09/1619 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (appellant),

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene).

Datum uitspraak: 9 oktober 2012.




PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. L. Veenstra, advocaat, een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
Appellant heeft de Raad een beslissing op bezwaar van 14 februari 2012, genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, doen toekomen.
Mr. Veenstra heeft een reactie en een nadere reactie gegeven op dit besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.W. Bekker. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Veenstra. Tevens is verschenen J.A. Matti, de door betrokkene meegebrachte tolk.




OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft vanaf 26 februari 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Tevoren woonde betrokkene tezamen met [C.] ([C.]) en hun twee jonge kinderen op het adres [adres 1] in [woonplaats].

1.2. In het kader van de themacontrole “alleenstaande ouders met WWB vanaf januari 2008” heeft het team fraudepreventie van de gemeente Veenendaal in oktober 2008 een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dit verband is onder meer een huisbezoek aan de woning van betrokkene op het adres [adres 2] in Veenendaal afgelegd, zijn mutaties op de bankrekening van betrokkene onderzocht en is onderzoek gedaan naar het energie- en waterverbruik in de woning van betrokkene. Dit onderzoek leidde tot het vermoeden dat sprake was van schijnverlating, waarna de sociale recherche van de gemeente Veenendaal is verzocht een onderzoek in te stellen. Het onderzoek van de sociale recherche heeft onder meer bestaan uit buurtonderzoek in de omgeving van de woningen van betrokkene en [C.], een viertal waarnemingen in de tweede helft van november 2008 en het verhoren van betrokkene en [C.]. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in rapport van 3 december 2008 en een proces-verbaal van 12 december 2008 met 31 bijlagen.

1.3. Op basis van deze onderzoeksresultaten heeft appellant bij besluit van 11 december 2008 de bijstand van betrokkene met ingang van 26 februari 2008 ingetrokken op de grond dat zij vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voert met [I.] waarvan zij appellant niet in kennis heeft gesteld. Bij dit besluit zijn tevens de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 26 februari 2008 tot en met 30 november 2008 tot een bedrag van € 9.854,14 netto teruggevorderd, waarbij is aangegeven dat als dit bedrag niet uiterlijk op 31 december 2008 is betaald € 13.864,80 bruto wordt teruggevorderd. Bij besluit van 18 mei 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 11 december 2008 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat [C.] de vader is van de kinderen van betrokkene en dat betrokkene vanaf aanvang van de bijstandsverlening haar hoofdverblijf had in de woning van [C.], zodat op grond van het onweerlegbaar rechtsvermoeden sprake is van een gezamenlijke huishouding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van betrokkene. Daartoe heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de onderzoeksresultaten ontoereikend zijn om daarop de conclusie te baseren dat betrokkene ten tijde hier van belang haar hoofdverblijf had in de woning van [C.].

3. Appellant heeft zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Appellant is van mening dat uit de onderzoeksresultaten, in onderling verband beschouwd, blijkt dat betrokkene ten tijde hier van belang haar hoofdverblijf had in de woning van [C.]. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 14 februari 2012 het bezwaar tegen het besluit van 11 december 2008 opnieuw ongegrond verklaard, primair op de grond dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en dus een schijnverlating en subsidiair op de grond dat betrokkene haar hoofdverblijf niet had op het opgegeven adres en dat door deze schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb zal het besluit van 14 februari 2012 mede in de beoordeling worden betrokken.

4. Betrokkene houdt staande dat zij vanaf 26 februari 2008 niet haar hoofdverblijf had in de woning van [C.]. Betrokkene heeft onder meer aangevoerd dat zij weliswaar regelmatig in zijn woning kwam omdat haar kinderen vaak bij hun vader waren, maar dat zij op haar eigen adres woonde. Ten tijde van de toewijzing van de woning had betrokkene grote relationele problemen met [C.] en daardoor psychische problemen. De vrijheid die betrokkene verkreeg door de toewijzing van de woning was voor haar al voldoende en om die reden heeft zij weinig moeite gedaan om haar woning helemaal in te richten.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

5.2. Aangezien vaststaat dat uit de relatie van betrokkene en [C.] kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de periode hier van belang sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of betrokkene en [C.] in die periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De periode hier van belang loopt van 26 februari 2008 tot en met 11 december 2008, de datum van het primaire besluit.

5.3. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

5.4. Vaststaat dat betrokkene en [C.] afzonderlijke adressen hebben aangehouden. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat is voldaan aan het criterium van het gezamenlijke hoofdverblijf. Uit de tijdens de onderzoeken van het team fraudepreventie en de sociale recherche verzamelde gegevens blijkt dat betrokkene verblijf hield in de woning van [C.], dat zij niet de haar toegewezen woning bewoonde en dat aanwijzingen ontbreken dat betrokkene elders haar hoofdverblijf hield.

5.4.1. De bewoners die tot eind juli 2008 op het [adres 1, nr] 38 hebben gewoond, hebben verklaard dat zij zich het gezin met twee kinderen dat begin 2007 op nummer 30 is komen wonen nog goed konden herinneren en dat zij tot hun verhuizing betrokkene, meestal met haar twee kinderen en een dubbele kinderwagen, iedere dag op de galerij hebben zien lopen. Naar aanleiding van een melding van geluidsoverlast door een bovenbuurman heeft de politie in de nachtelijke uren van 2 mei 2008 een bezoek gebracht aan de woning van [C.] en daarbij betrokkene en de beide kinderen aangetroffen. In november 2008 heeft de betreffende bovenbuurman verklaard dat de situatie na mei 2008 niet is veranderd in die zin dat het gezin, bestaande uit een man, vrouw en twee kinderen daar nog steeds woont en dat hij nog steeds veel geluidsoverlast heeft van de kinderen. Bij een viertal waarnemingen in de tweede helft van november 2008 is vastgesteld dat betrokkene tezamen met haar kinderen de woning van [C.] verliet of binnenging. Zo is op 20 november 2008 in de ochtenduren waargenomen dat betrokkene met de beide kinderen de woning van [C.] verliet, terwijl daaraan voorafgaande is waargenomen dat in de woning van betrokkene alles donker was. Uit de waarnemingen van de sociale recherche, die zijn vastgelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, blijkt dat betrokkene gebruikt maakte van een sleutel om de woning van [C.] binnen te gaan en dat zij ook gebruik maakte van een sleutel om de brievenbus te openen. Om die reden wordt voorbij gegaan aan het standpunt van betrokkene dat zij nooit over een sleutel van die woning heeft beschikt. Gelet op deze gegevens is de verklaring van betrokkene dat zij de woning van [C.] enkel bezocht om haar dochter gedurende drie en later vier dagen per week op te halen om naar de crèche te brengen en later naar zijn woning terug te brengen, ongeloofwaardig. Daarbij wordt aangetekend dat betrokkene ter zitting heeft verklaard dat haar dochter altijd bij haar vader heeft verbleven en dat betrokkene vaak, zij het alleen doordeweeks, naar de woning van [C.] ging niet alleen vanwege haar dochter, maar ook als zij het zelf moeilijk had.

5.4.2. Bij het huisbezoek aan de woning van betrokkene op 22 oktober 2008 is vastgesteld dat de woning schaars was ingericht, dat het vriesgedeelte van de koelkast leeg en niet gekoeld was en dat in de koelkast nauwelijks levensmiddelen aanwezig waren, dat het toilet en de douche lange tijd niet waren gebruikt en zijn essentiële zaken, zoals verzorgingsproducten voor het jongste kind van ruim een jaar, handdoeken en ondergoed niet aangetroffen. Buurtbewoners, waaronder bewoners van de naastgelegen woningen, hebben in november 2008 eenduidig en met vermelding van details, waaronder witte lakens dan wel doeken voor de ramen en verlichting in de gang, verklaard dat de woning van betrokkene sinds het vertrek van de vorige bewoners niet werd bewoond en dat betrokkene behoudens een enkele keer niet in of bij de woning is gezien. Ook uit het uiterst geringe waterverbruik in de woning van betrokkene, dat bij nader onderzoek is vastgesteld op 6 m³ in de periode van 19 maart 2008 tot 12 januari 2009, blijkt dat betrokkene en haar jongste kind niet in deze woning hebben gewoond.

5.4.3. Betrokkene heeft tijdens haar verhoor verklaard dat zij in de weekenden veel bij haar vriendin in Heerenveen verbleef en dat zij om die reden niet veel water heeft verbruikt. In reactie op het besluit van 14 februari 2012 is aangevoerd dat betrokkene wel eens, meestal in de weekenden, een paar dagen bij een van haar vriendinnen in Amersfoort of Leeuwarden ging logeren en dat zij in die periode ook vaak buiten de deur at en met haar jongste kind uren bij de McDonalds zat. Daargelaten dat enige ondersteuning voor dit gestelde verblijf elders ontbreekt, kan daaruit niet worden afgeleid dat betrokkene in de hier van belang zijnde periode hoofdzakelijk elders op een adres buiten de gemeente Veenendaal heeft verbleven.

5.5. De verzamelde gegevens, in onderling verband bezien, leiden tot de conclusie dat betrokkene vanaf 26 februari 2008 onveranderd haar hoofdverblijf had in de woning van [C.]. Dat betrokkene als gevolg van de relationele problemen geregeld bij vriendinnen heeft verbleven en zij mogelijkerwijs in eerste instantie de intentie had om de haar toegewezen woning te betrekken betekent niet dat zij op een ander adres haar hoofdverblijf had. Nu betrokkene in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting appellant niet ervan in kennis heeft gesteld dat zij ongewijzigd haar hoofdverblijf had in de woning van [C.] en daarom sprake was van een gezamenlijke huishouding, was appellant onder toepassing van artikel 54, derde lid aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van betrokkene met ingang van 26 februari 2008 in te trekken. Tegen de wijze waarop appellant van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt noch tegen de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode 26 februari 2008 tot en met 30 november 2008 heeft betrokkene op enig moment zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat dit onbesproken kan blijven.

5.6. Uit hetgeen in 5.4 tot en met 5.5 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is tevens de grondslag aan het besluit van
14 februari 2012 komen te ontvallen, zodat dit besluit eveneens moet worden vernietigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 mei 2009 ongegrond;
- vernietigt het besluit van 14 februari 2012.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en Y.J. Klik en R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2012.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) A.C.Oomkens




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH Den haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.